Recensie van Waanzin went niet - Max Greyson

Met één stap uit de pas

Max Greyson
Waanzin went niet
Uitgever: De Arbeiderspers
2016
ISBN 9789029510509
€ 17,99
80 blz.

Max Greyson (1988) behaalde de tweede plaats bij het NK Poetry Slam 2015. Zelf noemt hij zich dichter, prozaschrijver en spoken word performer. Sinds 2011 treedt hij geregeld op in diverse internationale, interdisciplinaire muziektheatervoorstellingen. Hij debuteerde oktober jongstleden bij de Arbeiderspers, uitgever van onder anderen Esther Jansma, Hester Knibbe en Ilja Leonard Pfeijffer (winnaars van de VSB-Poëzieprijs in respectievelijk 1999, 2015 en 2016). Nog vóór dit debuut werden al gedichten van hem opgenomen in de dit jaar verschenen bloemlezingen Dichters uit de bundel, de moderne Nederlandstalig poëzie in 400 gedichten en De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten.

‘Hij schuwt het engagement niet, de wereld niet en de liefde nog minder’, wordt ons beloofd op de achterkant van de bundel. Op dat engagement kom ik nog terug. Wanneer je de voorkant van de bundel bekijkt is al direct duidelijk dat liefde en erotiek op de eerste plaats komen. Of liever gezegd: op plaats één, twee en drie. De eerste drie afdelingen van de bundel laten zich lezen als de geschiedenis van een liefde. Het doet denken aan De ziekte van jij (1988), waarin Joost Zwagerman in lyrische en gedreven stijl de opkomst en ondergang van een liefde beschrijft, met veel aandacht voor erotische details.

Greyson gebruikt diverse metaforen om de liefde de beschrijven. Mooi is de natuurmetafoor uit ‘Ze praat in haar slaap en ik luister’: ‘Nooit zal ik je ontbossen, nooit zal ik iets rooien / in je hoofd vol wild groeiende nimfen / die in elk holst van de nacht hun toverspreuken / door de kamer laten waaien alsof ze de herfst ontbieden’. Soms weet hij clichés niet te vermijden, alsof hij de eerste schrijver is die ontdekt dat ‘gedicht’ meerdere betekenissen heeft: ‘Ik heel het ding dat alleen maar pijnen kan / met mijn pennenstreken mijn pogingen / tot het dichten van de putten in je heuvellijf’ (‘Geen put raakt ooit gedicht’).

De dichter lijkt te houden van een acrobatische vorm van erotiek, getuige ook de illustratie op de voorkant. Meerdere zinnen verwijzen naar dit bijzondere standje: ‘Haast niets laat zich nog aarden in een gedicht / ik wil onze onmetelijkheid in een of ander continuüm beschrijven’ (‘Afdwalen’); ‘Wanneer we ontwaken in een boog / van negentig graden, met onze tenen in een kramp’ (‘Mal’); ‘we verzinnen liever kromme figuren voor elkaar’ (‘Stijlfiguren’). En voor wie nu nog niet doorheeft waar hij op doelt, legt de schrijver het er in ‘Blik op oneindig’ behoorlijk dik bovenop: ‘Altijd maken we lussen / vormen een op bed liggende acht / met onze armen en vingers verslingerd / in een wirwar van huid en haar / die nog net geen kluwen is (…) Altijd zijn we nietig en klein / soms weten we bijna zeker dat we onmetelijk zijn’.

De tweede afdeling heet ‘Tussen waan en zin’. De titel is een variatie op de titel van de bundel. Vreemd genoeg komt dit niet terug in deze afdeling, terwijl we in de eerste afdeling al lazen ‘zo ontbloten we de deinende aarzeling / tussen ons in, als tussen waan en zin’ (‘Storm in een glas water’), en de laatste afdeling het titelgedicht ‘Waanzin went niet’ bevat. Al vanaf de eerste regel tekent de neergang in de liefde zich af: ‘De laatste tijd tel je niet meer de kussen en orgasmes / je berekent de invalshoek van het licht / van een knipoog bij het slapengaan (‘Mal’). Het vuur lijkt gedoofd. Mooi wordt deze verwijdering weergegeven in een gedicht uit de derde afdeling, dat ook door Pfeijffer werd opgenomen in zijn bloemlezing:

Schrijverskoppel

Een woord als bitterzoet mag hier niet staan, zegt ze
terwijl ze thee zet met bouillonblokjes
en jongleert met haar oogbollen

Ze zegt darling, kill your darlings, darling
terwijl ze schaterlachend foto’s van de muren trekt
rondjes door de kamer rent, huilen juicht en andersom
en ik zeg ja mijn lief, maar enkel als

Ik zie hoe ze een gniffel in haar oksel houdt
de trap op holt, een boodschap in spiegelschrift
op de spiegel schrijft, de trap af treuzelt
en in het deurgat wacht tot ik met haar mee naar boven zal gaan

Woorden als vlechten of libel horen hier niet, zegt ze
terwijl ze wijst naar de kat die water uit de vissenkom likt
binnen een week liggen de guppy’s voor het rapen

Zo’n onbegrijpelijke gedachtesprong aan het eind van een gedicht is natuurlijk helemaal hip, en wordt vaak voor diepzinnig of origineel aangezien.

In afdeling vier, ‘Laat ons struikelen’, wordt de blik naar buiten gericht, op het leven in de grote stad. Eerder in Meander konden we het gedicht ‘ Ochtendspits’ al lezen, met de volgende regels: ‘Djingelend en djangelend nadert het peloton / tweewielende snelheidshelden, zichzelf voorrang zwerend / met bellen en vervloekingen alsof ze een religie vormen’. Het gedicht deed mij denken aan het nummer ‘Big City’ van Tol Hansse (1977): ‘Hare Krishna’s op de dam / Douwen in je hand een brieffie / Hoe je happy leven kan / Zo te zien en volgens mij / Zijn ze zelf niet zo blij’. Greyson mist echter de humor van Hansse. ‘Ochtendspits’ is een opsomming van rake observaties, kunstig verwoord met veel binnenrijm en neologismen, maar wat moeten we ermee? De dichter blijft zelf nadrukkelijk buiten schot. Net zoals in de meeste andere gedichten over het grootstedelijke leven neemt hij niet echt deel, engageert hij zich niet, maar blijft hij buitenstaander. Daardoor weten zijn observaties mij niet echt te raken: ‘Troepen meeneemmensen dromen kortstondig genot / op een plein vergeven van goedaardigheid en bedelaars / van een schaamteloos spektakel dat wemelt tussen kerk en kluis / terwijl ik bezink tot op de bodem van mijn waarschijnlijkheden / gelukkig wist het stof de sporen uit’ (‘Stad op stelten’).

De vijfde afdeling, ‘Beelden’, is de meest geëngageerde van de bundel. Vier gedichten die verhalen van een bezoek aan Israël, de confrontatie met de tegenstellingen aldaar. In ‘Kinderspel’ twee portretten, van Yacoub en Jakob, of hoe het voortslepende conflict hen met de paplepel wordt ingegoten.

Van veel gedichten vermoed ik, dat ze het beter op het podium doen dan op papier. Greyson gebruikt vaak binnenrijm als springplank voor associaties. Misschien leuk om te volgen als je in de zaal zit, maar niet altijd tegen herlezing bestand. Ook schuwt hij woordspelingen niet: ‘Voor en achter mij gaan verstilde gezichten voorbij in lichte kooien’ (‘Stad op stelten’). Zowel de gedichten als de regels zijn vaak lang, wat het moeilijker maakt de essentie van het gedicht te vatten. Een krachtige retorische techniek is die van de opsomming, van de repetitio. Het laatste gedicht uit de bundel is opgenomen in de eerder dit jaar verschenen bloemlezing Dichters uit de bundel. Het toont ons zowel de sterke kanten van deze dichter, als ook zijn valkuilen:

Laat ons

Laat ons niet de torteldansers worden
de avond bedrijven in een schaamrood waas
niet in te nauwe schoenen en een volgspot

Laat ons niet balletterig op onze tippen lopen
in een rechte rimpel
niet poppenspelen aan een lijntje

Laat ons geen korsetten spannen
terwijl jij staat te springen en ik trek terug
niet met geheven handen langs elkaar schuiven

Maar laat ons regenval voorspellen
terwijl ik zaai en jij vergeet te oogsten
laat ons ploeteren in de moe bevruchte grond

Laat ons wiegen met onze hoepelende heupen
ons heden verdraaien in rok en rol
kwistig onze kralen verstrooien als geliefden

Laat ons struikeldansen in de ochtendkroeg
met lege glazen de nacht bezweren
en soepel in de toekomst verdrinken, met één stap uit de pas

*

Dichters uit de bundel, de moderne Nederlandstalig poëzie in 400 gedichten . Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens. Marmer, Baarn, 2016.
bespreking op Meander
overzicht op De Nederlandse Poëzie Encyclopedie

De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten. Samenstelling Ilja Leonard Pfeijffer. Prometheus, Amsterdam, 2016.
bespreking op Meander
overzicht op De Nederlandse Poëzie Encyclopedie

Zie verder

Gedichten

Ochtendspits

Met de zon komt klapwiekend ook het mensdom op
uit spuigaten kruipen de bochelvrouwen, de joggers
en de bloggers en iets later ook de draaideurmannen
buikademhalend in een luchtbel van airco en Hugo Boss

Op dit uur zijn er nog geen hipsters of dichters te bespeuren
ook geen Japanners, zij liggen slapend te glimlachen
in een bed kaarsrecht als een selfiestick

Djingelend en djangelend nadert het peloton
tweewielende snelheidshelden, zichzelf voorrang zwerend
met bellen en vervloekingen alsof ze een religie vormen

Klonters pendelaars en pelgrims komen uit stations gebraakt
een commune biobruinebroodjesvolk bestrijkt de stad
doorweekte jassen hangen van schouders af, zweten natte dromen uit

Iedereen valt over iedereen, de hangende jeugd voorop
ze kriskrast en wirwart en houdt geen halt voor passanten
wachten op sacramenten is niet van deze tijd

In koffiehuizen malen ze vingers tot melkschuim
en gutsen er figuren mee, een sponzig hart of zwanenhals
onstuimig als liefde in een mok gegoten en aangelengd

De vuilnisvreters zijn gepasseerd, het rot is keurig
uit het frame geveegd, de ongelovigen verslapen erin hun roes
her en der schuilt nog een dakloze voor het licht

Zondagskind

Iedereen wil ooit wel eens een keel oversnijden
zoals er altijd de onweerstaanbare drang bestaat
om een vingernagel net iets te ver te scheuren
tot je begint te bloeden als een rund

Daarover spraken we, en we spanden onze buikspieren
om uit te maken wie van ons de zwaarste herinnering kon tillen
we geloofden dat sterk zijn aangeboren was zoals grote oren

We dachten dat je in een zandbak gelijk wat kon begraven
zelfs een broertje
dat het zand gestaag iedere holte van zijn lijf zou vullen
zodat we nu, elf jaar later, een opgezette versie hadden
om op te hangen naast grootmoeder bij de trap

Nu we weer in de zandbak staan, ditmaal zonder aftelversjes
en we de spelregels van schaar steen papier zijn vergeten
spannen we onze buikspieren en lachen om het hardst
terwijl we graven naar broertjes, spijkers en een hamer

Ieder afsterven begint bij een uiteinde en kruipt naar binnen
zeg ik omdat elke strijd oneerlijk is
want wie op een dinsdag is geboren, is een leven lang miserabel
en wie ’s zondags, buldert zich een hernia

Stamkroeg

De koffie loopt door, brandt zwarte gaten in mijn kop
ik brouw witte wolken uit gesprekken aan de toog
de ene klaagt zijn tanden bloot, de ander leest de krant
en verzamelt klontjes suiker in zijn broekzakken

Luchtbellen zijn te ondraaglijk om door te slikken
voor Bernard die zich De Tijd laat noemen
zijn grijze haren dwarrelen hem achterna

Naast me zit een meisje dat nooit zichzelf is
zichzelf te worden in een handspiegel
ze is een zenuwachtig spitsuur, sprekend in claxons
haar trillende linkerbeen houdt ons in leven
en als wederdienst luisteren we naar haar schallen
dat met de dag meer en meer op spreken gaat lijken
verdriet verdrinken is moeilijk in een Masala Chai latte

Uit: Max Greyson (2016). Waanzin went niet. Uitgeverij De Arbeiderspers

Gedichten

Jelmer van Lenteren (1987)
Winnaar jaarfinale van de U-slam in Utrecht

DINGEN DIE JE KUNT LEREN VAN EEN KOFFIECAFÉ:

Buiten is het koud maar binnen weer te heet. Hipsterness
gaat aan zichzelf tenonder. Werken aan een hoge tafel is kut,
bovendien is naar voren hangen om je poëzie te lezen slecht
voor het blijven staan van je kruk. Koffie wordt heter geschonken
dan noodzakelijk maar koelt sneller af dan je wilt. Vrouwen van zestig
willen tatoeages. Moeders van schreeuwende koters lachen hun kind
de verdoemenis in. Koffiecafépersoneelmeisjes zijn lief.

Max Greyson (1988)
Winnaar Poetry Slam Maastricht

Uitgelekt

wat had je in gedachten voor mij

waarom word ik je opgelegd
brak je mijn botten voor het plezier

met je sobere glimlach
je verborgen agenda
je warme rug

ik ben afhankelijk
omdat wij vergankelijk zijn

ik heb iets in gedachten voor jou

je haar afknippen
je blinddoeken en leugens inspreken
mijn initialen in je schaambeen krassen

laat maar

ik lek wel uit
op papier, kom hier
zodat ik je kus

Jonathan Griffioen (1987)
Tweede bij de Festina Lente Poëzieslag

Mijn gezicht zit vol gaten van kleine kogels
door een klein wapen (van enige afstand) afgevuurd.

Ze vormen een patroon van letters
zoals in de schriften die ik op zolder tegenkwam

en voor de spiegel naast mijn wangen hield.
In de stad zit een museum waar ze je betalen

om urenlang in een expositiezaal op je buik te liggen
in kleine groepen, blauw, naakt en vol spierverslappers.

Het publiek heeft objecten meegekregen,
ze mogen van ons een persoonlijk canvas maken.

Door het wielvormige bovenraam schijnt de zon
in mijn ogen en alles onder mijn kin jeukt of gloeit op.

Ik hoor achter mij iemand zeggen dat het net linoleum lijkt,
hij zuigt het laatste beetje frisdrank door een rietje op.
Ik heb de neiging om het geluid met ontstoken longen te vergelijken

of nee, het ceremoniële leeglopen van het oude zwembad,
waar we feesten hielden met fusten en gebroken neuzen,

bang voor wat er zonder mij gebeurt,
voor wat ik morgen van zolder op mijn rug terugvind.

Nathalie van Meurs (1986)
Winnaar jaarfinale van Podiumvlees in Tilburg

een man die spijkers sloeg
in hutten van hooi
paarden die dravend
land omploegden

gras tussen treinrails en
een meisje met een tas
het gaf niet

de achterbank van jouw auto
waar we aten en sliepen
en sloten tijdelijk
tot we weer iets nodig hadden

alles stil, waar we stonden
minder rauw, als vlees
in namiddagzon

Sannemaj Betten (1995)
Tweede in jaarfinale van de U-slam in Utrecht

schoon

ik schaaf de schaamte van mijn huid
laat het bij de kaas in de koelkast

ik knip het zwart uit mijn ogen
laat het drogen aan de waslijn

ik snij mijn pinken in plakjes
prop ze in het stopcontact

ik rasp het rood van mijn gezicht
doe het met de deksel dicht

zeef de leegte uit mijn haren
bleek het spuug uit mijn keel

ik sluit het bloed op dat
uit mijn lichaam kruipt

ik ben heel schoon
ik ben heel
kapot


Coen Cornelis (1988)
Komt uit voor de NoorderZlam in Groningen

Aasgier van de kosmos

Verlaten botten, vertedert vlees
In splinters, vergeten gereten
Langgerekte gedachten als schaduwen
Die blijven schuiven op kale grond
Huid van zoutvalleidelijke vlakte
Een droge boom, geknakte nek
Handen die hun bladeren allang
Allang nog nog langer kwijt kwijt
Als takken, bloot, verkoolde kootjes
Gerimpelde palmhand, puntend naar
Vergeelde oogschijven, als gaten
Die zuchten slaken, de laatste
Botjes afschrapen, tot
Stof, tot stof, tot wind
Schroeit, in leegtes
Knoeit, damp dag
Zwaai, breek af
Wacht, waai
Verschraal
Straf