Gedichten

Uit de reeks ‘doolittle’

(vier)

het zwart in onze kleding loopt over in avondlucht
of steekt af tegen schoolhekjes.
we leunen tegen muren als chirurgen,
op het punt een geniale metafoor te verzinnen
voor de falende organen van uw dochter.

je ziet me staan met volle handen, tussen
gezichtsuitdrukkingen in.
ik weet niet hoe ik in een ruimte moet bewegen
die al bijna vastligt.
Mike noemt mijn halfvoltooide pose: ‘juist vet.’

de achtergrond is maar een paar straten verwijderd
van de vorige generatie: man haat alles na zich.

als een draadje kwijl op een borstkas, kiestoon,
drogen we op:

dochters die niet opnemen – dromen van een ritme
dat een schotwond achterlaat
– Mikes wijsvinger gericht op, bijna tegen z’n gezicht.

Uit de reeks: ‘paul is dood [PÆRƗˈDOƱLIƏ]’

(twee)

ik wil aan een tafel komen te zitten
waar iedereen ophoudt te praten, even maar,
het hoeft niet lang, een knikje, zo lang,

iemand die de tijd neemt
om samen te vatten wat tot dan toe van belang leek

en waar we omheen proberen te sluipen,
niet zoals door de garderobe, de jaszakken,
maar zoals blinden de weg naar buiten gewezen wordt.

Uit de reeks: ‘Wijk’

in Wijk ––

het portiek was een droom, Mike. we stonden er niet.

ik hoor metaal in mijn rechter-, de hoeven in mijn linkeroor.
ik zie de laatste tijd een stip, Mike, klein en zwart
en midden in mijn blikveld. ik heb hem overal,
op alle muren van het huis gezet.

het heeft geen zin om de stippen te verbinden.

Recensie van Wijk - Jonathan Griffioen

Een prachtig debuut

Jonathan Griffioen
Wijk
Uitgever: Lebowski
2015
ISBN 9789048829460
€ 17,50
79 blz.

Wijk, de titel van de debuutbundel van Jonathan Griffioen, is een verkorting van Wijk bij Duurstede. Die locatie is exemplarisch: het zou net zo goed kunnen gaan om andere provincieplaatsen waar voor jongeren weinig is te doen. Of om stadswijken als Amsterdam-Noord en het Kanaleneiland in Utrecht.
De gedichten hebben iets van filmscènes. Voorin staat de ‘Cast: (ik), Mike, Erik, Herman, moeder en vader en Arie Verrips [de populaire weerman van RTV-Utrecht] als zichzelf’. Met dat laatste zegt Griffioen iets aardigs: de anderen zijn blijkbaar niet zichzelf. Je zou in die regel een disclaimer kunnen zien zoals die in romans of verhalenbundels nog wel eens voorkomt: ‘iedere overeenkomst met bestaande personen is toevallig’.
Ik denk echter dat er iets interessanters aan de hand is: Griffioen zegt op een originele, maar onnadrukkelijke manier dat de werkelijkheid buiten en binnen het gedicht niet naadloos op elkaar aansluiten. Een goed gedicht stelt eisen waaraan datgene wat echt is gebeurd ondergeschikt is en daarom moet je onbruikbare elementen weglaten (de ‘zinloze feiten’, zoals Reve die noemde), bruikbare zo nodig aandikken of fictieve elementen toevoegen.
In een van de gedichten spelen jongens met een ouijabord, een spel waarin antwoorden moeten verschijnen op gestelde vragen. Het lijkt wel of de toekomstige dichter aan het woord komt die vertelt over de werkwijze die hij zal toepassen:

we hebben lakens van huis meegenomen,
een gat voor ons hoofd ingeknipt,
we zijn onder de brug bij de sluizen,
rond het ouijabord neergeknield,
rond het glas –

I-K B-E-N H-E-T
J-O-N-G-S-T-E W-O-O-R-D

I-K B-E-N
D-E V-L-E-E-S-G-E-W-O-R-D-E-N
H-E-R-S-C-H-R-I-J-V-I-N-G.

I-K M-A-A-K
H-A-N-D-E-N O-N-V-R-U-C-H-T-B-A-A-R.

I-K V-E-R-W-A-C-H-T
V-A-N J-U-L-L-I-E N-I-E-T-S

V-A-N J-U-L-L-I-E
M-A-G N-I-E-T-S V-E-R-W-A-C-H-T W-O-R-D-E-N

I-K B-E-N H-E-T

I-K

onder onze adem neuriën we het liedje
dat we van de vinkenlijnen leerden.

‘Geitenkop (drie)’

De gedichten bestaan uit fragmenten uit het leven van de ik-verteller en zijn vrienden. Ze hangen wat rond, vervelen zich, gebruiken drugs, roken weed van twijfelachtige kwaliteit en geven zich soms over aan licht criminele activiteiten. Ze leven in een desolate omgeving, een flatwijk waar moeders ‘als bloembakken’ over de balkons leunen, waar ‘bibberende swastika’s’ op muurtjes en garagedeuren zijn gekalkt en flats voor een halve finale oranje worden geschilderd.
De gedichten bevatten verwijzingen naar bands als Pixies – de eerste afdeling heet ‘Doolittle’, naar hun tweede album – en Mayhem, waarvan de zanger een toeschouwer verwondde met een schapenkop die hij de zaal in smeet. Een sfeer van verzet, die je ook vond bij punk en, op een literaire manier, de ‘Angry Young Men’. De ik-verteller doet denken aan de wrokkige James Dean in Rebel Without a Cause. Hij is op zoek naar zijn identiteit: ‘je ziet me staan met volle handen, tussen / gezichtsuitdrukkingen in. / ik weet niet hoe ik in een ruimte moet bewegen / die al bijna vastligt. / Mike noemt mijn halfvoltooide pose: ‘juist vet.’’ Die zoektocht speelt door de hele bundel heen.

Toch is het geen sombere bundel. Griffioen heeft een aanstekelijke aandacht voor de vorm – zie het ‘programma’ in het bovenstaande gedicht, zijn readymades, ‘gewone gedichten’, de variaties in opbouw, zijn beeldspraak. Hij is in staat met heel simpele middelen een maximaal effect te bereiken. Neem ‘Perpetuum mobile, (vier)’. Er staan veel punten in: daar spreekt verbetenheid uit, geslotenheid ook. Maar dan de laatste regel: juist waar je een punt zou verwachten, ontbreekt hij. Mooi: de dichter suggereert dat het uitzichtloze leven doorloopt.

we zitten op een voor 60% verbrand parkbankje
(gemeente Wijk wil het niet vervangen). het komt nog.
op nieuwjaarsdag ziet Wijk zwart van de plunderingen.
Mikes open bomberjack likt aan de rugleuning.

in zijn binnenzak – 128 mb mp3-speler, haarlakwiet,
1, 2 vloeitjes, handjevol shag, tig pakjes,
afspraak: zilveren alfa, bioscoop, achterzijde station.

de klittenbandsluiting heeft een ezelsoortje vol kruim

Ook inhoudelijk is het geen sombere bundel, eerder weemoedig. De ik- verteller beschrijft de jongens met genegenheid – achteraf. Je proeft de weemoed over wat voorbij is. Maar die weemoed is in evenwicht met de humor, die uitstekend past bij deze jongens. Zo is er een dealer die met haarlak verzwaarde weed verkoopt – in het bovenstaande gedicht waren Mike en de ‘ik’ daarmee kennelijk ook bedonderd. De dichter: ‘wie haarlak op wiet spuit, wordt geboren / met een boevenmasker op. / wie haarlak op wiet spuit, wordt door de vroedvrouw / aan een voetje omhoog gehouden: // ‘zal ik het verdrinken?’’ Of: ‘we leunen tegen muren als chirurgen, / op het punt een geniale metafoor te verzinnen / voor de falende organen van uw dochter.’

Wijk is een bijzonder debuut. Jacqueline Bel citeert in Bloed en rozen, de onlangs verschenen literatuurgeschiedenis 1900 – 1915 (ook aanbevelingswaardig), de criteria die J.C. Bloem belangrijk vond bij de beoordeling van een bundel: ‘levensgevoel, de woordkeus, het gebruik van beelden en de poëtische vormgeving’. Als je ‘levensgevoel’ vervangt door: ‘de overtuigende weergave van een levensgevoel’ dan zie je dat Wijk ook in dat opzicht een goede bundel is. Een tip voor de C. Buddingh’-prijs.

***

Jonathan Griffioen (1987) was finalist van Write Now! 2012 en stond in de halve finale van de NK Poetry Slam 2015.

Gedichten

Jelmer van Lenteren (1987)
Winnaar jaarfinale van de U-slam in Utrecht

DINGEN DIE JE KUNT LEREN VAN EEN KOFFIECAFÉ:

Buiten is het koud maar binnen weer te heet. Hipsterness
gaat aan zichzelf tenonder. Werken aan een hoge tafel is kut,
bovendien is naar voren hangen om je poëzie te lezen slecht
voor het blijven staan van je kruk. Koffie wordt heter geschonken
dan noodzakelijk maar koelt sneller af dan je wilt. Vrouwen van zestig
willen tatoeages. Moeders van schreeuwende koters lachen hun kind
de verdoemenis in. Koffiecafépersoneelmeisjes zijn lief.

Max Greyson (1988)
Winnaar Poetry Slam Maastricht

Uitgelekt

wat had je in gedachten voor mij

waarom word ik je opgelegd
brak je mijn botten voor het plezier

met je sobere glimlach
je verborgen agenda
je warme rug

ik ben afhankelijk
omdat wij vergankelijk zijn

ik heb iets in gedachten voor jou

je haar afknippen
je blinddoeken en leugens inspreken
mijn initialen in je schaambeen krassen

laat maar

ik lek wel uit
op papier, kom hier
zodat ik je kus

Jonathan Griffioen (1987)
Tweede bij de Festina Lente Poëzieslag

Mijn gezicht zit vol gaten van kleine kogels
door een klein wapen (van enige afstand) afgevuurd.

Ze vormen een patroon van letters
zoals in de schriften die ik op zolder tegenkwam

en voor de spiegel naast mijn wangen hield.
In de stad zit een museum waar ze je betalen

om urenlang in een expositiezaal op je buik te liggen
in kleine groepen, blauw, naakt en vol spierverslappers.

Het publiek heeft objecten meegekregen,
ze mogen van ons een persoonlijk canvas maken.

Door het wielvormige bovenraam schijnt de zon
in mijn ogen en alles onder mijn kin jeukt of gloeit op.

Ik hoor achter mij iemand zeggen dat het net linoleum lijkt,
hij zuigt het laatste beetje frisdrank door een rietje op.
Ik heb de neiging om het geluid met ontstoken longen te vergelijken

of nee, het ceremoniële leeglopen van het oude zwembad,
waar we feesten hielden met fusten en gebroken neuzen,

bang voor wat er zonder mij gebeurt,
voor wat ik morgen van zolder op mijn rug terugvind.

Nathalie van Meurs (1986)
Winnaar jaarfinale van Podiumvlees in Tilburg

een man die spijkers sloeg
in hutten van hooi
paarden die dravend
land omploegden

gras tussen treinrails en
een meisje met een tas
het gaf niet

de achterbank van jouw auto
waar we aten en sliepen
en sloten tijdelijk
tot we weer iets nodig hadden

alles stil, waar we stonden
minder rauw, als vlees
in namiddagzon

Sannemaj Betten (1995)
Tweede in jaarfinale van de U-slam in Utrecht

schoon

ik schaaf de schaamte van mijn huid
laat het bij de kaas in de koelkast

ik knip het zwart uit mijn ogen
laat het drogen aan de waslijn

ik snij mijn pinken in plakjes
prop ze in het stopcontact

ik rasp het rood van mijn gezicht
doe het met de deksel dicht

zeef de leegte uit mijn haren
bleek het spuug uit mijn keel

ik sluit het bloed op dat
uit mijn lichaam kruipt

ik ben heel schoon
ik ben heel
kapot


Coen Cornelis (1988)
Komt uit voor de NoorderZlam in Groningen

Aasgier van de kosmos

Verlaten botten, vertedert vlees
In splinters, vergeten gereten
Langgerekte gedachten als schaduwen
Die blijven schuiven op kale grond
Huid van zoutvalleidelijke vlakte
Een droge boom, geknakte nek
Handen die hun bladeren allang
Allang nog nog langer kwijt kwijt
Als takken, bloot, verkoolde kootjes
Gerimpelde palmhand, puntend naar
Vergeelde oogschijven, als gaten
Die zuchten slaken, de laatste
Botjes afschrapen, tot
Stof, tot stof, tot wind
Schroeit, in leegtes
Knoeit, damp dag
Zwaai, breek af
Wacht, waai
Verschraal
Straf

Gedichten

In Wijk bij Duurstede

Trapten we zachte ballen
tegen blinde muren. Graffiti
maskeert moeizaam recht
en grauw niet. Alles is doorzichtig.
Alle sporen gaan hier dood.

In dit loodrechte huizenveld
vallen kinderen van bladderende
fietsen af, schreeuwen moeders
van witte balkons met bloembakken
aan de balustrade dat het etenstijd is.

We rookten paracetamol.
Gooiden stenen naar reigers omdat ze
clichématig langs de waterkant stonden
en lieten blaren verrijzen met aanstekers
en bussen deodorant.

Het ouijabord ging mee naar de sluizen,
maar de geesten die hier dwalen, hadden
nooit iets boeiends te vertellen.

Hier in Wijk bij Duurstede
maakten wij van meisjes knellende ritsen
met tongen van ijzer en borsten vol sokken.

Was het eigenlijk al lang tijd
om op te groeien, maar bleven wij
toch slap hangen in portieken.

Utrecht noir

Het vuur in mij is
geleend van toevallige
passanten.

Gehaast tasten zij
hun zakken af en kijken
weg bij het aanreiken.
Het is een code voor:

schiet op.

Ik bedank in knikvorm
en haast me
aangestoken de straat in

waar muurlantaarns plaats
maken voor reclameborden en
meisjes steegjes ingesleurd worden

door hun blaas. Mocht ik lucifers
in huis hebben, speel ik heel de
nacht piano.

Nintendo

Er werd een boomhut uit de takken geslagen
omdat de buurvrouw graag naakt in de tuin lag.
De buurman wees op het alleenrecht rond zijn vinger.
Het rook naar vis en sloten en bier uit de haven.

Er zit geen raam in, probeerde ik nog in de hoop
dat volwassenen geen gaten in planken konden zien.
Alle spijkers gingen in potten die ik niet mocht dragen.

Je bestuurde de teevee met je vingers.
Ze geurden naar hars, zweet en limonade.
Er werden niet alleen takken geslagen,
ik ademde, onverhoopt, op de Nintendo.