Gedichten

door Babette Groos (1998)
Babette Groos (1998) is van oktober 2017 tot oktober 2019 Jonge Dichter des Vaderlands en won eerder Doe Maar Dicht Maar. Ze stond op het Wintertuinfestival in Nijmegen, hoopt volgend jaar haar (erg verlate) HAVO diploma te halen en heeft twee ratten.
 

(IK WORD NOG STEEDS MISSELIJK ALS IK ERAAN DENK)

ik word wakker en hij                      ligt naast me
het is niet alsof ik het wilde, maar
                                       dat is blijkbaar moeilijk te geloven
mijn tante zegt dat hij niet onaantrekkelijk is, maar dat
                                                                                               verandert
                           wanneer je zijn handen op je lichaam hebt gehad
                                                                                 (ik word nog steeds misselijk als ik eraan denk)
mijn moeder leert me om boosheid in verdriet om te zetten, maar
                                         ik kan dit alleen maar omzetten in gal achterin mijn mond
en ik kan nog steeds voelen hoe hij                   me                      aanraakt
ik voel het nog steeds                          overal
gloria wilt me niet alleen met hem laten
                                                      maar dat ben ik al
                                                                                              elke keer dat ik mijn ogen sluit
en mijn handen stoppen                       niet                   met                    trillen
                                         hij woont zesentachtig-punt-drie kilometer verderop en toch is hij altijd
                            ergens in mijn bed
                            ergens in mijn hoofd
             het gaat goed zolang ik er niet over nadenk
                                                                                    (maar, ik denk er altijd over na, snap je?)
             kijk, ik heb geprobeerd het weg te wassen
                          maar ik krijg hem gewoon niet onder mijn huid vandaan

AUTO

in mijn oorlogslichaam heb jij
je hand op mijn dijbeen en ik
slaap in de auto

op deze slagveld-rit bepalen we niet
waar we heengaan, alleen
weg van deze godvergeten
plek

achter ons laten we een
brandende stad; de
vlammen hoog. zijn wij de
zachtheid niet meer waard? we
proberen de duisternis uit
onze mond te houden

ik zie bloed als
zand; aderen een
zandloper-horloge,
tijd gespreid als een meisje op
mooie lakens en

geen van ons weet iets
van gevaar. is ze dood of
aan het wachten

we vouwen doodskisten met onze
vingers, maken van onze palmen
een rustplaats en
tussen onze ribben,
altijd een moeder, wachtend ons
te vertellen een jas aan te doen

ik slaap nog steeds. ik ben er
nog steeds. in deze versie van
de waarheid ben ik alleen maar
tanden en geen tong. ik verkoop
de huid voordat ik het hert
schiet, lik mijn lippen voordat
ik eet, praat over liefde alsof ik het
gezien heb

opnieuw, bloed als zand,
zandloper-horloge, hand op mijn
dijbeen.
je zegt dat we nergens heen-
gaan maar we zijn
wel
op weg