Recensie van Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee - Edwin de Groot

Een krachtig, aards geluid

Edwin de Groot
Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 978906265985
€ 16,50
63 blz.

In mijn kleine Italiaanse woonplaats (400 inwoners) bestaat een ‘internationale’ bibliotheek, die tot stand is gekomen doordat een organisatie ‘INTRA’ zich inspant om boeken die dreigen vernietigd te worden, te redden. Ze worden georganiseerd in een dertigtal thematisch georganiseerde bibliotheken. Daar mijn Etruskische stadje ooit een ‘kolonie’ van 40 Nederlandse gezinnen had, mochten alle boeken in enige vreemde taal bij ons geordend worden. Daaronder is één Fries boek, een geromantiseerde biografie van renaissancedichter Gysbert Japicx uit Bolsward door Pieter Terpstra: ‘De dei is fôroun’, een boek dat, zover ik weet, hier nooit gelezen is noch uitgeleend, maar door mij al vele malen getoond is aan nieuwsgierige journalisten en televisieploegen. Bijna elke bezoeker wil het even zien. Men begrijpt er niets van dat in Nederland een taal wordt gesproken, die oeroud is, en die ik niet begrijp: ik kan zelfs geen stukje voorlezen om de klank te laten horen.

Waarom schrijf ik dit? Na een recensie waarin ik mocht schrijven over een Surinaams dichter die o.a. in Sranantongo schreef, vind ik het fascinerend om nu de eerste bundel in het Nederlands van een Friese dichter te recenseren, overigens geen oorspronkelijke gedichten maar een vertaling van een eerdere Friese bundel. Het betreft hier de bundel: Sels in Tibetaan belânet op it lêst yn see, in het Nederlands Zelfs een Tibetaan belandt uiteindelijk in zee, naar het gelijknamige mystieke gedicht (pag.22), waarin de dichter een zondag beschrijft langs een (Friese?) dijk, waarbij ‘de ziel wordt uitgelaten’ en een mantelmeeuw die is gevallen bij de vuilstort weer verteert en ‘alles wat zij bezit / wordt weer zee’.

De dichter presenteert zich uitdrukkelijk als bewoner van Friesland, o.a. in het gedicht op pag. 40 ‘Hoog op zolder’. Citaat: ‘ik gelijk het nuchtere land waar ik uit ontsproten ben’. In zijn woordkeus zit een grote authenticiteit, die verwijst naar het vlakke Friese land. Hij presenteert zich ook duidelijk als kwetsbare dichter, al of niet belaagd door analyserende critici. Ik geef dit gedicht weer, zowel in het Fries als in het Nederlands; een gedicht in twee talen publiceren geeft een meerwaarde. Het zal wel een bewuste keuze zijn van dichter en uitgever om alleen in het Nederlands te publiceren, maar de bundel had nog rijker geweest als ook de Friese teksten weergegeven waren.

WYNSMYT

Dichters binne hege skoatige skepsels
Dy’t mei houtenklazerige krunen
as folfallen seilen de wyn fange

Mei net oan te ûntkommen it lotgefal
dwers oer it paad smiten te wurden
sa ta keninkriken ferfalle oan kordate kappers
mei bilen en kachels

De fynfielende fingers teannen en ynhouten
yn in flok en in sucht as foechsume blokjes
optaaste kreas en gelyk
mei-al is de treast skriel en symbolyk-
de tatiding fan in soarte fan termyk

Uit: Sels in Tibetaan belânet op it lêst in see (2016)
(met dank aan Hermien van der Meer die het gedicht voor mij overtypte en opzond)

Of in het Nederlands:

Windworp

Dichters zijn grote hoge schepsels
die met voelbaar klunzige kruinen
als volle ruisende zeilen de wind vangen

met onontkoombaar het lotgeval
dwars over het pad geworpen te worden
zo tot koninkrijken vervallen aan kordate
kappers met bijlen en kachels

de fijnvoelende vingers, tenen en binnenwerk
in een vloek en een zucht tot ordentelijke blokjes
gekloofd, gepast, gestapeld in kubiek met
– al is de troost schraal en symboliek –
de aanzegging van een soort van thermiek

De verwijzing naar de ‘kordate kappers’ die met ‘bijlen en kachels’ komen verwijst, mijns inziens, naar het werk van de recensent. Kappers knippen het kapsel kort en deze doen het bovendien nog met bijlen. Ik gaf als kordate criticus wat warmte door het prachtige Fries te citeren.
Ook inhoudelijk verwijst veel poëzie naar Friesland. Het vierluik: ‘Er was eens een vrouw met een gitzwart doodstil hart’, waarmee de bundel begint, verwijst in zijn ondertitel naar een ruig landschap ‘Ondergaan in De Deelen’, een moeraslandschap in de buurt van Heerenveen, waar ooit turfstekers hun harde werk verrichtten. De dichter spreekt het gebied toe: de turfstekers die ‘voor nipt / een appel en een ei het donkere merg / diep uit je botten zwoegden’. Of in het gedicht ‘De langste dag’ waarin hij beschrijft hoe toeristische vrouwen, staande op de voorplecht van de boot geld gooien in het klompje van de brugwachter. Een herinnering aan zijn oom Jan in: ‘Het loopvermogen van een onopgeloste kwestie’ doet hem aan koeien melken denken wat hij deed als ‘menneke van zes’ aan de oevers van het IJsselmeer, waarna hij in de keuken tussen Vapona vliegenstrips een ‘melksnor’ krijgt en, heel aards, zich herinnert ‘als ik echte stront ruik / stop voor een stonde / alle klokken, vergezicht / ballonnen, rauwe melk proeven’.
Toch is de dichter geen enge provincialist, hij schrijft over de Ardennen, vaak laadt hij zijn gedichten met een filosofie, hij schrijft over Poolse vrienden, over Alpe d’Huez en geeft een variatie op een gedicht van Emily Dickinson (pag.43), waarin prachtige regels voorkomen: ’Klief de prikklokklokkende doodbidder / open, dan vind je de gebeten grijze / muizen één voor één, als vitrinefabeldiertjes / gewikkeld in zilveren kwijl’.
De dichter komt mij voor als iemand die dicht bij de natuur leeft, hij schrijft over zijn huisdieren, over vogels, over andere dieren, over de sfeer in het lage land. De poëzie is stevig, vaak forse beeldspraken, onderwerpen die aards zijn, dicht bij het gras en het water, dicht bij de bloemen.

Samenvattend: een authentiek geluid in beeldend Nederlands, waardoorheen ‘it Heitelân’ verbeeld en verklankt wordt: aardse poëzie van grote kracht, mede door de soms heel bijzondere woordkeus, vaak met neologismen die eveneens iets authentieks hebben. De bundel getuigt ook van de hoge kwaliteit van de Friese poëzie, een bijzonder stukje literatuur in ons Nederlandse taalgebied. Alleen daarom al is deze ‘cross over’ van belang. Van harte aanbevolen.

***

Edwin de Groot (1963) werd geboren in Heerenveen. Hij dicht zowel in het Nederlands als het Fries en is redacteur van het Friese literaire online tijdschrift ‘ensafh’. De hierboven gerecenseerde bundel was zijn vierde Friestalige. Hij publiceerde in diverse tijdschriften en won verschillende prijzen, o.a. viermaal de Rely Jorritsmaprijs. Hij droeg bij aan de hommagebundel voor Rogi Wieg, de dichter die zo aan het leven leed, met het gedicht ‘In een kring van menselijke warmte’.

Gedichten

Edwin de Groot (1963)

Het is de schuld van C.O. Jellema. Zijn gedicht ‘Tijdverdrijf’ is ooit bij mij binnengekomen zoals de eerste keer dat ik ‘Red Mij Niet’ van Maarten van Roozendaal hoorde. BAM. Het is een cliché, maar ik kwam thuis. Het dichten werd allengs een belangrijker deel van mijn leven.

Sankofa

 i. droom van bruine overhemden

 Ik lig op mijn rug in het gras en hoor niks
 de leeuweriken gestikt de klapeksters
 die hun prooien aan het prikkeldraad spietsten
 zijn achter de argelozen aan

 tussen de kruinen van de treurbomen drijft een vogel
 zo groen als het loof van een zomereik zijn hoofd
 zijn blik naar achteren gericht een ei op zijn rug

 ik blijf muisstil als een kievitsjong
 vergras ik verroer ik niets maar toch
 draait hij bij en zijgt naast mij neer

–bang om gezien te worden klinkt het lijmig
 denk nou niet dat verschuilen troost biedt

 hij schudt zijn hoofd veert een beetje in
 klaar om weer op de wieken te gaan
 en tsjilpt nog iets over zwart wit ziende blind
 en sprakeloos tussen schapen ten ondergaan

 

 ii. Ik heb geplant

 De oude buurvrouw kwam schuifelend bij het tuinhek
 met de vraag of het prikkeldraad in het gat van de heg
–dat de ooien met hun lammeren er niet door kunnen–
ook vervangen kon worden
 voor iets anders

 het deed haar zo aan de oorlog denken
 dat prikkeldraad dan

–de schapen niet?
–nee, die niet

Ellen Lanckman (1975)

Poëzie is voor mij een deur naar iets waarvan ik niet wist dat ik het in me had. Soms is het niet meer dan een bitterzoete oprisping van gewaarwordingen uitgebraakt in een tastbare taal.

(Bijna) vrouw

 In mijn meisje ligt
 een vrouw, opgeborgen
 tussen schouderbladen.

 Ze huist in haar knie-
 holtes, houdt zich schuil
 onder de oksels en

 kantelt zich
 langzaam naar buiten.

Weerspiegeling

 Hoe dichter ze komt
 bij mijn jaren,
 hoe vaker ik mezelf herken
 in haar bewegingen.

 We schuiven tegelijkertijd
 een mok naar ons toe,
 al is mijn koffie nog haar melk.

 Net als ik leest ze
 uren weg onder het dakraam
 waar dezelfde maan binnen gluurt.

 En de manier waarop ze haar haren
 over de schouders schudt,
 confronteert mij

 met de tijd die kantelt
 van proefdruk naar heruitgave
 van een verloren gewaande jeugd.