Recensie van De dag kwam kijken - Pieter Grootendorst

De overwinningen van een gedoodverfde loser

Pieter Grootendorst
De dag kwam kijken
Uitgever: Eres
2012
ISBN 9789081314404
€ 12,95
68 blz.

De behoefte om gezien te worden leeft in elk mens. Of gehoord te worden. Of gelezen. Dankzij de waarneming van de ander besta je. Gezien zijn betekent dat je voor iemand de moeite van het bekijken waard was. Het leidt tot onmisbaar zelfbewustzijn.
Het was het gedicht ‘Meng je in mijn leven’ van Pieter Grootendorst dat mij hieraan herinnerde:

Meng je in mijn leven, noodrem,
geef een krachtig signaal af,
lever het bewijs dat ook ik in de trein zit.
“Ik was bijna vergeten”, zal ik zeggen tegen diender
en conducteur, “maar nu mogen jullie mij vragen stellen
en het publiek een nieuw gezicht tonen.”

Meng je in mijn leven, noodrem, laat de machinist weten
dat mijn gedachten niet langer louter passeerbewegingen zijn,
laat de mensen mij doorzoeken.
“Ik was bijna vergeten”, zal ik zeggen tegen forens
en wonderkind, “maar nu zijn jullie in de gelegenheid om mij eens
goed te bekijken.

‘Meng je in mijn leven’ kun je lezen als een wanhoopsdaad, de ultieme poging om maar gezien te worden, van iemand die doorgaans onopvallend zijn eenzame weg door het leven gaat, onzichtbaar bijna om maar niemand te storen, een loser die doorgaans met nog futielere zaken de aandacht trekt:

Knooppunt

Vijf van de zes broeken in mijn kast
gaan door het leven zonder knoop.
Omdat het niet altijd eenvoudig is om mijn gebrek aan
daadkracht te camoufleren,
ben ik de mensen een antwoord schuldig dat luidt:
“Die knoop is mij deze ochtend pas ontglipt,
bij het aankleden, bij het aanknopen van een gesprek
met de dag.” In werkelijkheid heb ik geen herinnering
aan het verlies van de knoop, het gebeurde toen ik speelde
met de gedachte aan een leven zonder huidbedekking
of andere uitvluchten.

Aan het einde van het eerste gedicht ontbreekt bij de laatste regel het aanhalingsteken. Gebeurt zoiets een keer, dan kan een corrector het over het hoofd hebben gezien, maar dat is waarschijnlijk niet het geval. Zo onopvallend als onze hoofdrolspeler door het leven gaat, zo onopvallend bespeelt hij ons met zijn gedichten, die even vaak open eindigen als met een punt. We hoeven niet te lezen wat hier staat, we kunnen er rustig overheen lezen, maar hij heeft aan de noodrem getrokken, al beweert hij alleen maar de vraag aan de noodrem te hebben gesteld om zich in zijn leven te mengen.
Maar kijk nu eens goed naar de dichter: is hij alleen maar een ongevaarlijke gek, die ons een goed gevoel geeft over onszelf, dankbaar dat wij niet zo zijn? Of weet hij hoe hij ons in de kijker zet, zonder huidbedekking of andere uitvluchten over onze arrogantie, ons gevoel van meerderwaardigheid; blind voor onze eigen werkelijkheid. Door de manier waarop de dichter zich in het licht heeft gezet, lijken wij aan het zicht onttrokken, veilig, zolang hij in beeld is. Daarna zijn ook wij weer prooien, die soms voor jager spelen. Hij speelt de oude rol van zondebok.

Crimineel gedrag lijkt de reactie te zijn op het niet gezien zijn van de dader; zijn wraak op diegenen die hem niet wilden zien. Het is alsof hij zegt: mij niet zien kost je wat, maakt je armer, zet je voor gek.
Wanneer je de sleutel tot de gedichten gevonden hebt, ga je ze anders lezen.
Een paar titels:

Naam gezocht – Niemand mag weten hoe ik leef – Liefdevolle bedreiging – Een vrouw die op mijn zwager lijkt – Wie zal mij zeggen dat ik aan je denk – Vingerafdrukken – Een merel opende mij de ogen.

Wat eerst niemendalletjes leken krijgen een onverwachte ernst, en daarmee diepgang:

Souvenir

Zeg geen nee, niet nu, ontspan me,
laat me zien wie ik ben

De man van je leven is op reis,
hij denkt niet aan ons
Bovendien ben ik een gedicht voor je,
terwijl hij uitsluitend nummerborden leest

Toe, stel onze omhelzing veilig
voordat je kinderen wakker worden,
je verwaarloosde jurkje zich bedenkt

De hele bundel gaat over de omslachtigheid waarmee we ons een plaats in het leven proberen te veroveren, hoe we aan de opgelegde regels proberen te ontsnappen, desnoods in het geheim, voortvluchtig, om desnoods maar even te leven hoe we willen, naar hoe wij ons voelen en wie wij denken te zijn.

De bundel heeft een motto dat op maat gesneden lijkt:

(…)
en onder zijn oppervlakte
zit paniek, een licht
te verstorene, die voelbaar wordt
en opspeelt al bij het geluid
van sussende woorden

(Elly de Waard, ‘Portret van een dichter.’)

Hoe dekt dit motto tot het laatste gedicht de bundel:

      Raak me eens aan

   – Raak me eens aan.
   – Waarom ?
   – Omdat ik moe ben.
   – Moe? Waarvan?
   – Van de afstand tussen mensen, van de opgewektheid die je in
het dagelijks leven voor moet wenden om niet uit de toon te
vallen, van het luisteren naar gedachten die een eigen leven
leiden…
   – Wat moet jij moe zijn.
   – Dat zeg ik toch.
   – Zal ik je aanraken.
   – Graag.

De dag kwam kijken heet de bundel van Pieter Grootendorst, en heeft als ondertitel: Kleine gedichten. Ook hier lijkt hij de machtsstrijd uit de weg te gaan, de confrontatie met Grote gedichten van Grote dichters te vermijden.
Maar waar hij heimelijk op hoopte is gelukt: hij is gezien, gehoord, gelezen.

***
Pieter Grootendorst (1969) studeerde Algemene Letteren in Utrecht. Hij debuteerde in 2008 met De stad was prachtig. Zijn werk wordt uitgegeven door Eres.

Gedichten

Vader, vandaag

In de schuur brandt nog licht.
Je repareert onze geduldige fietsen,
bewoont de avond.
Probeer je ons te leren kennen?

Je denkt misschien dat ik slaap
zoals onbereikbare zonen slapen,
maar nee, ik maak een tekening van je afwezigheid:

een kwart eeuw geleden
rukten de hulpdiensten uit
om je thuis te brengen.

Niemand mag weten hoe ik leef

Ik pas op je huis als jij met vakantie bent,
geef de dieren water, lig in een bed
dat nooit buiten komt.

Terwijl ik voedingsmiddelen tot leven wek
in de kelder, vragen oproep in de tuin,
maak jij met ontbloot bovenlijf,
op een plek waar ik nooit zal komen,
de balans op.

Ik pas op je huis als jij op vakantie bent,
maar je moet me één ding beloven:
dat je niet eerder thuiskomt dan afgesproken,
want niemand mag zien hoe ik leef.

Van horen zeggen

Ik heb gehoord dat je met een handlezer
over het dier ging

Ik heb gehoord dat je een boek hebt uitgekozen
om voor te lezen aan de vermiste opvarenden

Ik heb gehoord dat je op tijd thuis bent
om mijn opvoeding ter hand te nemen

Ik heb gehoord dat je mijn naam wilde wijzigen
toen ik nog dieper sliep dan gewoonlijk

Recensie van De stad was prachtig - Pieter Grootendorst

Ongerijmdheden voor een spotprijs

Pieter Grootendorst
De stad was prachtig
Uitgever: Eres ,Eres ,Eres
2008
ISBN 9789081314411
€ 9,90
70 blz.

Pieter Grootendorst gaf zijn debuut De stad was prachtig een motto mee dat de lezer gemakkelijk op het verkeerde been kan zetten. Omdat in de vier regels die hij van de oude Chinees Meng Jiao (751-814) citeert achtereenvolgens de woorden ‘verdriet’, ‘droefheid’, ‘pijn’, ‘smart’ en ‘tranen’ vallen, verwacht je niet anders dan dat hier de zoveelste tot mislukken gedoemde poging gedaan zal worden persoonlijke smart en wereldleed tezamen ‘in een versje te doen’, om met Karel Bralleput (Simon Carmiggelts alter ego als dichter) te spreken. Niets is echter minder waar. Weliswaar is de centrale ik-figuur iemand die zich duidelijk alleen voelt, en dat misschien ook wel is, maar zijn bevindingen en wederwaardigheden worden in een soort terloopse notities op een heel onbekommerde manier en in een aangename, laconieke toonzetting opgeschreven. Ze zijn vol met de ongerijmdheden van een dwarse logica die duidelijk stoelt op een afwijkende perceptie van de werkelijkheid.

Buiten stond de regen al op me te wachten

Buiten stond de regen al op me te wachten.
We gingen naar de film. Hij had mijn jas al aan.
"Staat je goed", zei ik, "gaan we na afloop
nog iets drinken? We moeten elkaar alleen niet kwijtraken
tussen de mensen. Waar spreken we dan af?
Op zee? Bij het weerstation? Zeg jij ‘t maar
met je stem. Ik hoor overal vragen."

Buiten beklom de regen een filmladder.

Opvallend is hoe vaak het gaat over mislukte relaties (of al mislukt voordat ze relaties konden worden), hoe vaak er sprake is van een zekere mate van depersonalisatie en hoe in de beeldspraak allerlei onverwachte personificaties domineren. In bijna een kwart van de gedichten is de setting die van de trein, tram, bus of het station. In combinatie met de kortheid van de gedichten brengt dat onmiddellijk Pierre Kemp in gedachten. Zou Grootendorst ook een forens zijn?

Grens

Tot de grens hou ik je hand vast.
(Dat mag wel van de conducteur.)

Zie je me al sleutelen
aan onze eerste ontmoeting?

"De trein heeft ons nodig", zeg je,
"ook om in beweging te komen."

Een enkele keer doet Grootendorst in de onderkoelde, ‘kale’ manier waarop hij iets onherstelbaars verwoordt aan de zwartheid van Jan Arends denken:

Kindertijd

We brengen moeder naar je toe,
ontkleden haar, maar je hebt geen zin.

Met het oog op morgen
keer je haar langzaam de rug toe.

Elke avond verongelukt aan tafel
een compleet gezin.

En soms is daar ook de schaduw van Lodeizen:

Feest

Feest, eindig in een handgemeen tussen geliefde,
ik bezoek je niet.

Eindig in een lange zoen, feest,
ik bezoek je niet, maar wacht

tot de ochtend een gedicht schrijft,
mijn hand opgelucht ademhaalt.

Een verrassing, deze bundel, die voor een spotprijs nog mooi werd uitgegeven ook.