Interview met Carla Bogaards

Schrijven: een heilig en heerlijk moeten

 

Wanneer bent u begonnen met het schrijven van gedichten?
Op de middelbare school. Met proza natuurlijk al veel eerder.

Hoe heeft uw poëzie zich ontwikkeld sinds uw debuut?
Gestaag, meer verinnerlijkt, zoals het leven loopt. Alsof de enorme massa van het leven gedachten en gevoelens in elkaar drukt. De innigheid van mijn gedichten heeft meer vorm gekregen. De thema’s zijn min of meer hetzelfde gebleven.

Hoe heeft u het ervaren om de Johnny van Doornprijs te winnen?
Het grappige was dat het tussen mij en Remco Campert ging. Ik kende Remco Campert goed en we traden regelmatig samen op. Ook was hij van de Nederlandse dichters sinds lang mijn grote voorbeeld. Ik opperde dat hij die prijs maar moest krijgen. Ik moet altijd glimlachen als ik eraan denk. Ik bedoel, dat het tussen hem en mij ging, was al een eer op zich. Eigenlijk hoefde die prijs niet meer.
Het juryrapport ging niet alleen over de inhoud van mijn gedichten, maar ook over de manier waarop ik ze voorlas. Het voegde iets toe, zei de jury. En dat in een tijd waarin er nog literatoren waren die het niet op prijs stelden dat je ‘mooi’ voorlas. Ik hou van de spanning, de spanning die ik oproep bij het voorlezen. Uiteraard moet een tekst voor zich spreken, maar het publiek heeft betaald om naar dichters te luisteren. Dan geef ik ze waar voor hun geld.

Carla BogaardsLiterair schrijven is een innerlijke behoefte. Wat vindt u van deze uitspraak?
Dat is wat ik altijd zeg tegen studenten, maar dan zonder de restrictie ‘literair’. Ik zou haast denken dat ik ze had verzonnen. Schrijven is een innerlijke behoefte. Je kunt niet anders, het is sterker dan jij. Daarom schrijf ik altijd. Dag en nacht als het ware. Je gedachten en beelden in een vorm gieten, dat is iets heerlijks dat me met vreugde vervult.

Wat vindt u leuk aan het geven van schrijflessen?
Leuk, leuk, dat is zo’n woord. Ik hou van lesgeven, kennis doorgeven. Ik ben een beroepsgek. Streng, dat ook. Talent kan ik mijn studenten niet geven, ik kan wel helpen het talent te ontwikkelen. Dat ze teleurgesteld zijn als het niet in één keer lukt, dat snap ik niet. Echt, ik snap niets van dat bozige en verongelijkte. Ik ben opgevoed met de idee dat alles wat niet goed is, over moet. Gerard Reve beweerde dat hij alles acht keer herschreef. En wat is nou fijner en opwindender dan je gedicht te verbeteren? Overigens is lesgeven problemen oplossen. Als iets niet goed is, zeg ik niet tegen de cursist: ‘Kijk er nog eens naar’. Nee, we gaan samen zoeken naar de oplossing van het probleem. Schrijven is kunst maken, is een probleem oplossen. Net als wetenschap beoefenen. Ik ben er dol op.

Wordt een romanschrijver meer gewaardeerd dan een dichter?
En meer gewaardeerd dan een schrijver van korte verhalen; is dat de volgende vraag? Ik vind dat je dat niet zo kan stellen. Een goed gedicht behelst soms een hele roman. Neem een dichter als Vondel. Ken je het gedicht dat hij schreef bij de dood van de zoon van zijn vriend Vossius? Tja, een roman die een bestseller wordt; dat spreekt het grote publiek aan, al verschilt het per land en cultuur. Maar als ik eerlijk ben: de kwestie boeit me niet.

Van uw laatste roman Roes viel een gratis luisterboek te downloaden. Bent u ook bezig met nieuwe media?
Oh nee, mijn energie heb ik voor het schrijven zelf nodig, en het nadenken. Ik moet heel veel nadenken. Ik zou wel weer een luisterboek willen maken, maar ja, dat is niet echt geavanceerd met nieuwe media bezig zijn, vrees ik.

Wanneer kunnen we uw nieuwe bundel verwachten?
Als het af is. Eh, dat is een flauw antwoord. Nee, serieus. Ik had een dichtbundel af, maar door allerlei omstandigheden werd de publicatie vertraagd. Toen begon ik aan de nieuwe gedichten – lees dit met hoofdletters – en opeens besefte ik dat ik de vorige niet meer wilde uitgeven. Niet omdat ze slechter waren of zo. Ik had er al uit voorgelezen en sommige waren gepubliceerd in bloemlezingen. Een aantal ervan buig ik om tot ‘nieuwe’ gedichten. Je kunt er een lezen in de laatste Zingende Zaag, de Porseleinen Zaag. Deze gedichten… Ze zijn dope.

Waarin onderscheidt uw aankomende bundel zich van de voorgaande?
Niet in thematiek. Misschien worden mijn gedichten wel ‘moeilijker’. In vorm verschillen ze ook. In de bundel Kleine hittegolf in mei ben ik in een aantal gedichten al beziggeweest met een nieuwe vorm. Een kunstenaar moet zich vernieuwen. Dat geldt net zo goed voor een schrijver. Mijn moeder zei: ‘Moeten is dwang en huilen is kindergezang’. Dat schiet me nu te binnen. En toch moet het, een heilig moeten, een heerlijk moeten.

De hokjes van Krijn Peter Hesselink

'Als ik mensen maar weet te raken'

 

Krijn Peter Hesselink was nationaal kampioen Poetry Slam in 2006. Hij publiceerde onder meer in Hollands Maandblad, Tzum en NRC.next en gaf optredens op festivals als Crossing Border, het Tuinfeest en Lowlands. In maart 2008 ontving hij de Hollands Maandblad Schrijversbeurs en verscheen zijn debuutbundel Als geen ander bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Eind 2009 verscheen zijn tweede bundel Stil alarm.

Waarin verschilt Stil alarm van Als geen ander?
Tijdens het schrijven van de gedichten voor Als geen ander was ik voortdurend op zoek naar oorspronkelijke beelden. Had ik zo’n beeld gevonden, dan probeerde ik dat elegant af te wikkelen en klaar was Kees. Voor Stil alarm heb ik geprobeerd het dichter bij mezelf te houden. De bundel is ingetogener, warmer, persoonlijker.

Hoe ben je dichter geworden?
Toen ik een jaar of zestien, zeventien was, ontdekte ik de literatuur. Vasalis was de eerste dichter die me wist te raken. Kort daarna kwam het echte werk: Lucebert, Kouwenaar, Van Ostaijen. In die tijd begon ik ook zelf te dichten, in quasi-diepzinnige orakeltaal. Het spul moet nog altijd ergens bij mijn ouders in een doos liggen. Het is me te dierbaar om het te vernietigen. Maar als ik wist dat ik binnenkort zou komen te overlijden, zou ik het toch door de papierversnipperaar halen. Ik moet er niet aan denken dat het postuum gepubliceerd wordt.
Zo ben ik blijven ploeteren. Toen ik mij in de lente van 2006 plaatste voor het nationale kampioenschap poetry slam, had ik mijn toon nog niet gevonden. Ik schreef gedichten als ‘De knokploeg’, waarvan op www.krijnpeter.nl nog een geluidsopname te horen is. Lange ritmische gedichten, volgeplempt met beelden. Effectief op het podium, maar hopeloos over the top. In augustus van dat jaar werd ik gevraagd voor een science slam. Vier poetryslammers mochten het met eigen werk opnemen tegen vier hooggeleerde heren en dames die mochten putten uit de wereldliteratuur. Wij hadden als extra opdracht een gedicht te schrijven over een object uit het depot van het Utrechtse Universiteitsmuseum. Dat werd in mijn geval het gedicht ‘Een brief aan het object li 158 uit het depot van het Utrechtse Universiteitsmuseum’, opgenomen in mijn debuutbundel. De toon en inhoud van het gedicht was veel aardser en reëler. Zo ben ik toen verder gegaan. Ik had net op tijd mijn stijl gevonden voor het NK Slam in oktober dat jaar.

Je hebt in je jeugd veel op het toneel gestaan. Sta je daarom als podiumdichter te boek?
Net als mijn broer, Sieger Baljon, heb ik in mijn tienerjaren fanatiek toneel gespeeld bij de Vooropleiding Theater Groningen. Daar heb ik veel van geleerd. Niet alleen heb ik er een gevoel voor tekstbehandeling en podiumpresentatie aan overgehouden, er heerste ook een andere sfeer dan bij mij thuis en op school – ik zat op het gymnasium. Het was er minder intellectueel en verstandelijk en meer op emotie en intuïtie gericht. Als podiumdichter heb ik daar ongetwijfeld mijn voordeel mee gedaan.

Je broer is ook dichter. Hoe is dat?
Omdat hij de achternaam van onze moeder hanteert, Baljon, hadden veel mensen eerst niet door dat we broers zijn. Sommigen kenden ons al jaren, onafhankelijk van elkaar, voordat ze daar eindelijk achterkwamen. Heel grappig. Als mensen ons eenmaal samen zien, vindt ongeveer de helft dat we sprekend op elkaar lijken. De andere helft vindt dat we als water en vuur van elkaar verschillen. Dat laatste geldt in ieder geval voor onze poëzie. Siegers werk is veel extraverter. Hij heeft meer talent voor mateloosheid. Die verschillen zijn alleen maar leuk. Momenteel doet hij de mime-academie. Als hij daarmee klaar is, willen we samen een theatervoorstelling gaan maken.

Naast dichter ben je ook singer-songwriter. Wat is het grootste verschil tussen het schrijven van gedichten en liedteksten?
Bij een gedicht probeer je zo geconcentreerd mogelijk te schrijven. Elk woord moet iets toevoegen. Liedteksten zijn losser. Er moet plaats overblijven voor de muziek. En voor de vertolking. Ook moet het lied goed overeind blijven als een luisteraar enkele woorden heeft gemist, omdat zijn of haar aandacht even naar een ander aspect van de muziek uitging.

Yke Schotanus sprak over de literaire emancipatie van de muziek. Hoe denk je zelf over je muziek?
Ik probeer gewoon zo mooi mogelijke muziek te maken. Het maakt me niet uit of het resultaat vervolgens in het hokje literatuur of in het hokje amusement wordt geplaatst. Als ik mensen maar weet te raken.

Je was ook betrokken bij Stichting Wonder. Moet een dichter zich engageren?
Het mooie aan Wonder was – en is – dat we een andere draai aan een maatschappelijke kwestie gaven, waardoor mensen er met frisse ogen naar gingen kijken. Mensen hadden het maar over de kloof tussen burger en bestuur. Dus lanceerden wij de Burgerbuddy, een soort Foster Parents Plan voor politici en ambtenaren. Mensen hadden het maar over dierenwelzijn. Dus lanceerden wij de campagne ‘Seks voor dieren’, omdat we het zo zielig vonden voor al die beesten die in Nederland nooit van de liefde mogen proeven.
In mijn poëzie geef ik ook vaak een andere draai aan de dingen. Het hoeft daarbij niet over politieke of maatschappelijke kwesties te gaan. Nergens voor nodig. Maar het kan natuurlijk wel. Zo staan in mijn debuutbundel twee gedichten met een maatschappelijke strekking: ‘Urk is vol, nu Nederland nog’ en ‘Op het lege kussen naast mij’.

Je bent ook vertaler. Is dat voor jou een creatief proces of een vorm van productie?
Ik herinner me dat er ooit bij een of ander optreden aan de zaal werd gevraagd of poëzie een kunst of een ambacht is. Ingmar Heytze zat in de zaal en hij koos zonder enige twijfel voor ambacht. Ik stak zowel bij ambacht als bij kunst mijn vinger op. Je hebt als dichter vakbekwaamheid nodig om de woorden je wil op te leggen. Maar om iets werkelijk bijzonders neer te kunnen zetten, heb je ook iets nodig dat je – met een ouderwets woord – inspiratie zou kunnen noemen.
Voor vertalen geldt iets vergelijkbaars. Het is natuurlijk een nederig vak. Je staat ten dienste van de oorspronkelijke auteur. Maar hoeveel vakbekwaamheid er ook bij komt kijken, je komt vaak genoeg voor uitdrukkingen te staan waar het Nederlands geen pasklaar equivalent voor heeft en dan kom je er niet zonder creativiteit.

Je wordt vaak bestempeld als een vrolijk of opgewekt iemand. Zie je dit als een voordeel of als een belemmering?
Ik verbaas me er af en toe wel een beetje over. Het is waar dat ik ook in slechte tijden kan blijven lachen. Dat vind ik een goede eigenschap en het is een kant van mijn persoonlijkheid die wellicht ook terugkomt in mijn poëzie. Maar die montere blik waar mensen mij dan van beschuldigen, weerhoudt mij er niet van om ook de donkere kanten van het bestaan onder ogen te zien. Ik heb het idee dat mensen dat wel eens over het hoofd zien en dat is jammer. Zo zijn de gedichten uit de slotafdeling van Stil alarm (‘Nat zand’) voor een belangrijk deel geïnspireerd op een vriend van me die op 37-jarige leeftijd geheel onverwacht in zijn slaap is overleden. Wie in die gedichten alleen maar vrolijke hersenspinsels ziet, heeft wat mij betreft toch echt iets gemist.

Schrijver en schrijfdocent Gerry van der Linden:

'De ziel van een dichter is moeilijk te vangen'

 

Gerry van der Linden debuteerde in 1978 met de bundel De Aantekening bij de Bezige Bij. Inmiddels heeft zij zeven dichtbundels, twee romans en een novelle op haar naam staan. Haar laatste dichtbundel, Glazen Jas, verscheen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Als schrijfdocent aan de Amsterdamse Schrijversvakschool geeft ze poëzieles en schrijftraining, aan andere schrijfinstellingen workshops proza en poezie, soms in combinatie met beeldende kunst.. Ze verblijft regelmatig in het buitenland, waar ze optreedt en lezingen geeft.

Wat gebeurde er destijds met u nadat uw debuutbundel was verschenen?
De Aantekening kreeg flink wat aandacht en goede kritieken. De bundel verscheen in een serie uitgaven van debuterende dichters bij de Bezige Bij, onder wie Jan Blokker jr. en Arie Gelderblom. De bundels hadden min of meer dezelfde omslag, en op de achterkant van mijn bundel prijkte een paginagrote portretfoto. Dat ving de blikken. Ik had tegenstrijdige gevoelens over die publicatie. Ik was trots dat mijn gedichten gebundeld waren en de wereld ingingen, maar het dichten was zo’n deel van mijzelf dat ik mij ook tentoongesteld voelde, naakt. De verwachtingen die men van mij had, benauwden me nogal: ik ging op de bonnefooi naar de USA met enkele vertalingen in het Engels uit de bundel in mijn rugzak. Ik heb daar overigens een heerlijke tijd gehad, ik voelde me lichtvoetig en vrij.

Gerry van der LindenZijn er grote verschillen tussen de literaire wereld van 1978 en nu?
Jazeker. Er waren toen niet zoveel jonge dichteressen, niet zoals nu. Of misschien waren ze er wel, maar manifesteerden ze zich minder. De literaire wereld was een kleine, exclusieve wereld; de Vijftigers hadden nog een stevige vinger in de pap. Ik ontmoette Remco Campert en Bert Schierbeek, die ook bij de Bezige Bij uitgaven. Remco heeft mijn eerste gedichten gepubliceerd in zijn tijdschrift Gedicht (1975) en me later aangespoord om een bundeling te maken. Bert heb ik tot zijn dood goed gekend, ik ging bij hem op bezoek om mijn gedichten te laten keuren. Schrappen was zijn toverwoord. Hij noemde mij een echte dichter. Dat gaf mij zelfvertrouwen, want ik was erg onzeker. Ook nadat ik had gepubliceerd. Als jonge, nogal wereldvreemde dichteres viel ik uit de toon. Men kon mij ook vaak niet plaatsen. Tijdens literaire optredens of evenementen kwam het wel eens voor dat de andere dichters mij op het eerste gezicht bij de organisatie inlijfden en vroegen of ik wist wie wanneer moest optreden en of ik wat te drinken wilde halen, haha.

U heeft Alan Ginsberg ontmoet. Wat heeft u van hem geleerd?
Niet zoveel. Ik had niet eens in de gaten wie hij was. Ik stond met hem op het podium van Savoy Tivoli, een literair café-theater in San Francisco. Ik was onder de indruk van zijn manier van voorlezen, zo heftig en theatraal, en ik vond zijn gedichten erg intrigerend. We hebben even gepraat en wat gedronken. Hij was niet echt in mij geïnteresseerd, maar gaf me wel een compliment over mijn gedichten. Pas later hoorde ik van Laurence Ferlinghetti, de eigenaar van de beroemde City Lights Bookstore, dat hij Alan Ginsberg was.

U heeft workshops gegeven in de Verenigde Staten en in Nederland. Wat is het verschil?
Ik heb onder andere een workshop gegeven aan The Art Institute in San Francisco, die indertijd mensen uit verschillende culturen aantrok. De studenten waren erg gemotiveerd en ontvankelijk voor wat ik ze aanbood. Vaak werd het voorlezen van de gedichten begeleid door muziek die de studenten zelf maakten. Je zou het poetry slam of rap avant-garde kunnen noemen. Ik liet hen ook gedichten in het Nederlands lezen die zij op gevoel en klank vertaalden, heel interessant. Het was natuurlijk een andere tijd. Die van exploratie en creatieve ontwikkeling. Bij workshops hier merkte ik dat de deelnemer meer op de dichter of docent gericht was en dat samenwerking onderling niet altijd vanzelfsprekend was. Het individu stond op de voorgrond.
Tegenwoordig lijkt iedereen meer ambities te hebben. Ik heb het dan vooral over volwassenen. De gemiddelde volwassen deelnemer aan een schrijf- of dichtworkshop wil publiceren. Dat lijkt het doel. Men wil leren hoe te schrijven, zodat een publicatie van eigen poëzie of proza dichterbij komt. Soms lijkt de ambitie om zich kenbaar te maken de innerlijke noodzaak om te schrijven te vervangen. Maar misschien is dat gerelateerd aan de tijd waarin we leven. Natuurlijk praat ik in het algemeen, er zijn ook parels die er opeens uitspringen. Ironisch genoeg zijn het vaak mensen die zo in hun eigen wereld vertoeven dat ze zich niet bewust zijn van hun capaciteiten. Dat vind ik het mooie van lesgeven. Om die bewustwording te prikkelen, zodat het talent zich kan ontwikkelen.

U bent docent aan de schrijversvakschool. Kan iedereen dichter worden?
Nee, je moet aanleg hebben. Je kunt technieken leren en dichtvormen, zoals die van een sonnet of een rondeel, maar wat er niet inzit komt er niet uit. De ziel van een dichter is moeilijk te vangen. Je hebt mensen die geen letter op papier kunnen zetten, maar wel de ziel van een dichter hebben. Er zijn er die kundig kunnen schrijven, maar er niet in slagen om een inhoud, een gelaagdheid aan te brengen in een tekst. Oorspronkelijkheid, een eigen kijk op de wereld, en een subtiel gevoel voor taal zijn essentieel om gedichten te schrijven.

Gaat u bij het schrijven van poëzie en proza anders te werk?
Ja, dat zijn twee verschillende bronnen. Poëzie is verdichting, comprimeren. Het komt voort uit een behoefte om de essentie van wat dan ook te tonen in zo weinig mogelijk woorden. Het klinkt misschien gewichtig, maar poëzie is voor mij concreet in haar abstractie. Met prozaschrijven maak ik een tegengestelde beweging. Ik stel eerst het thema vast en ga er dan woorden voor zoeken, weliswaar zo beeldend mogelijk. Ik ben nu mijn eerste korte verhalenbundel Agfa Click aan het afronden, die bij Nieuw Amsterdam uitkomt. Het zijn echte korte verhalen die op zichzelf staan, maar door het thema en de karakters samenhang vertonen. Ze zijn als flitslichten die een situatie of gebeurtenis in een tragisch-komisch leven, zoals de meeste van ons dat leiden, uitvergroten. Er zit wrange humor in. Korte verhalen schrijven is nieuw voor me, maar ik hou van uitdaging. Een aantal verhalen is al in Hollands Maandblad gepubliceerd.

U zei eens: "Voor mij is poëzie ademhalen en proza de omtrekkende beweging ervan". Kunt u deze uitspraak toelichten?
Poëzie is levenselixer, althans voor mij. Ik schrijf gedichten omdat ze zich aandienen. Ik kan er niet omheen en heb ze nodig, zoals ik moet ademhalen om te kunnen leven. Prozaschrijven raakt aan het levenselixer. Het verhaal biedt de vorm om meerdere kanten van een thema te belichten en is daardoor net zo interessant. Een mooi verhaal dat dezelfde essentie bevat als die van een gedicht, maar zich bedient van meer woorden en beelden, heeft meer ruimte nodig op papier. Dat is de omtrekkende beweging.

U maakt ook een koppeling tussen poëzie en beeldende kunst.
De abstractie in de beeldende kunst zit ook in het gedicht. Het is spreken in beeld, ritme en klank, zoals een schilderij beeld, kleurklank en ritme heeft. Als het goed is, maakt het dezelfde ruimte vrij voor de kijker als voor de lezer van een gedicht. Een ruimte waarin gedacht en gevoeld kan worden.

U heeft een aantal literaire reizen gemaakt. Met welk doel?
Om mijn gedichten voor te lezen, mijn gedachten en ideeën uit te dragen in een ander land met een andere cultuur. De dichtersfestivals in het buitenland vind ik vaak een belevenis: verschillende dichters uit verschillende landen die verschillend werk voorlezen. Fascinerend. Ik heb ook gereisd naar congressen van de internationale schrijversorganisatie Poets Essayists Novelists (PEN). Ik heb er onder andere lezingen gehouden over de moeilijke positie en omstandigheden van schrijvers en journalisten die leven in een land met een totalitair regime. Ik was ook voor drie jaren bestuurslid van het Writers in Prison Committee, onderdeel van PEN.

U organiseert ook een schrijfcursus in Frankrijk. Wat haalt u hier voor uzelf uit?
Een inkomen! Tijdens de zomermaanden zijn er weinig of geen lessen in Nederland en ik heb geen spaarpotje of vermogen achter de hand. Het is van een nood een deugd geworden, want de schrijfcursus in Frankrijk is zowel voor de cursist als voor mij telkens opnieuw een belevenis. De cursist krijgt nieuwe impulsen door de inspirerende omgeving – Bourgogne – en dat vertaalt zich in het schrijven en dichten. De cursus wordt gegeven op een prachtige, rustige plek die iedereen meer ontvankelijk lijkt te maken en waardoor men beter gaat schrijven, lijkt het. Na afloop gaat men vol energie en met nieuwe kennis en ideeën naar huis. Ik ook.

Thomas Möhlmann over Kranen open

Meanderen binnen zinnen

 

Thomas Möhlmann was organisator bij Perdu en medeoprichter van het poëzietijdschrift Zanzibar en de website Literair Nederland. Hij is dichter, beleidsmedewerker poëzie van het Nederlands Letterenfonds en hoofdredacteur van het poëzietijdschrift Awater. Zijn debuut De vloeibare jongen werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Lucy B. & C.W. van der Hoogt-prijs. In het najaar van 2009 verscheen zijn tweede bundel, Kranen open, die genomineerd is voor de Jo Peters Poëzieprijs 2010.

Is het zebrapad in het eerste gedicht een verwijzing naar het omslag van De vloeibare jongen?
Nee, of althans geen bewuste, maar nu je het zegt… Dat kan natuurlijk geen toeval zijn!

Is er een verband tussen de titels De vloeibare jongen en Kranen open?
Dat lijkt me wel. Kranen open is in elk geval zowel een vervolg op als een streep onder De vloeibare jongen.

Wat is het verschil tussen deze bundels?
Ik hoop dat ze op meer dan één punt van elkaar verschillen, maar een belangrijk verschil is volgens mij bijvoorbeeld dat Kranen open een directere bundel is. De vloeibare jongen bouwde een wereld op en bevolkte die met personages, in Kranen open hebben die personages gezelschap gekregen van een duidelijker aanwezige ‘ik’. Ik heb het daar wat uitgebreider over in een interview op lezen.tv.

Veel gedichten beginnen met een hoofdletter en eindigen met een punt. Welk voordeel biedt deze vorm jou?
Ik weet niet zeker of ik jouw vraag goed begrijp, maar volgens mij beginnen de beste zinnen in het algemeen met een hoofdletter en eindigen ze met een punt. Veel van de gedichten zijn inderdaad te lezen als één lange, over regels en strofen verdeelde zin. Ik geloof dat ze daardoor aan vaart en directheid winnen, terwijl het tegelijkertijd mogelijk is om binnen de loop van één zin uitgebreider te meanderen dan in meerdere  kortere zinnen zou kunnen.

De vloeibare jongen begint met een gedicht dat je kunt lezen als een gebruiksaanwijzing. Kunnen we het eerste gedicht van Kranen open op dezelfde wijze lezen?
Ja, allebei de openingsgedichten zijn heel goed als poëticale gedichten te lezen, en inderdaad ook als praktische handleidingen voor het lezen van de bundel die erop volgt, en als beschrijvingen, als waarschuwingen, liefdesverklaringen, levensopvattingen. En als simpele verhaaltjes.

Was het moeilijk om een tweede bundel te schrijven nadat je debuut zo goed was ontvangen?
Nee, niet moeilijker dan wanneer er negatief of lauwtjes op mijn debuut was gereageerd. Ik geloof dat het me er juist eerder van overtuigde dat ik blijkbaar toch niet helemaal gek was, of anders in elk geval niet in mijn eentje.

Hou zou je je eigen stijl typeren?
Liever überhaupt niet, omdat er van zo’n zelftypering nogal een beperktheid en een beperking uitgaat.

Wanneer ben je begonnen met het schrijven van poëzie?
Ik vond het op de basisschool altijd al wel heel leuk om poesiealbumversjes te bedenken. Op de middelbare school begon ik teksten voor bandjes te schrijven, eerst in het Engels, later in het Nederlands, nog wat later zonder gitaar-bas-drum-zang en weer wat later met een soort literaire pretentie. Erg zwartromantisch aanvankelijk, vol met dood, weemoed, weltschmerz, drift en clichés, maar gaandeweg ging het wel ergens op lijken. Maar pas toen ik me echt ging interesseren in andere dichters en ik dankzij hun werk ontdekte dat er nog zoveel méér dan ik dacht al gedaan was, en dat er tegelijk nog zoveel méér dan ik had gedacht nog mogelijk was, pas toen ben ik dingen gaan schrijven die ik nu nog steeds sterk kan vinden.

Ik las in een interview dat je op een elitaire school zat, terwijl je een hanenkam had. Wat is er nog over van de punker in jou?
Een hanenkam in Baarn is toch een relatief soort punk. Van dat relatieve is nog een hoop over.

Wat wil je als hoofdredacteur van Awater bereiken met dit tijdschrift?
Dat een zo groot en breed mogelijke groep – potentieel – in poëzie geïnteresseerden zo goed mogelijk geënthousiasmeerd, geïnformeerd en geprikkeld wordt. Dat is de kern. Vervolgens zijn er nog tamelijk veel ‘subdoelen’, zoals de verschraling van de poëziekritiek in dag- en weekbladen ondervangen, ruimte bieden voor de introductie van dichters uit het buitenland, en voeding leveren voor het aanscherpen van het debat en het denken over poëzie.

Wat maakt Awater uniek?
Binnen Nederland alleen al dat het een papieren tijdschrift is dat zich 100 procent op poëzie richt. Het onderscheidt zich bovendien van veel literaire tijdschriften doordat het meer een magazine dan een chique periodiek is, en dat het weliswaar behoorlijk toegankelijk is en wil zijn, maar tegelijkertijd toch wel degelijk wat vlees op de botten heeft.

Als redacteur van Awater zul je het nodige talent lezen. Van welke dichters verwacht je veel?
Bedoel je van dichters die pas onlangs of nog helemaal niet debuteerden? Van Lieke Marsman bijvoorbeeld, en van Jurre van den Berg, en van Joost Baars. Maar ik verwacht ook nog erg veel van een enorme hoop dichters die al wat meer publiceerden.

Je kunt leven van de poëzie en aanverwante zaken, neem ik aan. Was dit je streven of ben je erin gerold?
Toen ik eenmaal bedacht had dat ik er toch geen planoloog, politicus, acteur, beeldend kunstenaar of professor bij wilde worden, werd het wel een streven om alleen te leven van lezen en schrijven en het opzetten en organiseren van mooie literaire projecten. Ik beschouw het als een groot voorrecht dat dat vooralsnog gelukt is en lukt.

Wat zou je ooit nog willen doen op het gebied van poëzie?
Het belangrijkste is dat ik na de laatste bundel nog een nieuwe bundel zou willen schrijven, en daarna nog een, en daarna nog een, en nog een, enzovoort. Daarnaast zijn er wat dingen die ik nu doe en simpelweg hoop nog lang te kunnen blijven doen, zoals werken voor het Nederlands Letterenfonds, voorheen NLPVF – dat laat zich kort samenvatten als het stimuleren van de aandacht voor en publicatie van Nederlandse poëzie in vertaling in het buitenland. En meewerken aan belangrijke sites als Poetry International Web en Lyrikline, aan zo’n mooi blad als Awater, en poëziebloemlezingen samenstellen, poëzieprogramma’s organiseren. Verder lijkt het me prachtig om met een stel dichters eens een echt sterke avondvullende poëzieshow te maken en daarmee als groep langs theaters te gaan. En volgend jaar hoop ik een gezamenlijk geschreven bundel met bevriend dichter Jan-Willem Anker te publiceren.

Peter M. van der Linden over het aanmaken van stofjes

Boerenlol om een alliteratiemitrailleur

 

Peter M. van der Linden is kunstschilder, zanger, performer, kok en dichter. In 2003 werd hij verkozen tot poezië-performer van het jaar van België. Een jaar later stond hij in de finale NK Poetry Slam. In 2005 debuteerde hij bij uitgeverij Vassallucci met de bundel Ich bin ein star baby. Onlangs verscheen zijn tweede bundel Zendag bij uitgeverij De Contrabas en behaalde hij de tweede plaats op het NK Poetry Slam.

Foto: Ingmar Heytze

 

Hoe ben je dichter geworden?
Als zanger van een band, RAUM, schreef ik Duits- en Engelstalige teksten. Toen de band in 2000 na drie jaar uiteenviel, richtte ik samen met de gitarist Dichtbeideklank op. We deden Nederlandstalige dromerige songs en soundscapes. Tot 2003. Toen ben ik solo verder gegaan en in de poetry slam beland. In 2004 deed ik mee aan het NK Poetry Slam en benaderde uitgeverij Vassallucci mij om een bundel te schrijven. Na mijn debuut heb ik vier jaar verder gewerkt aan filmpjes, muziek en gedichten op papier. Uit dat laatste is Zendag voortgekomen.

Je hebt onlangs nog een tweede prijs behaald op het NK Slam. Je blijft een trouw slammer?
Dat ik een slammer ben, is nogal overtrokken. Ik heb in 2003 en 2004 aan hooguit acht slams meegedaan. En sinds ik dit jaar weer meedoe, zijn het er nog maar drie. Trouwe slammers zijn in mijn optiek Gijs ter Haar, Pom Wolff en ACG Vianen. Die zullen richting honderd slams gaan. Maar wellicht ben ik in 2010 weer meer op slams te zien, want het NK was wel inspirerend.

Is slam meer dan een voorportaal van de ‘echte’ literaire wereld?
Slam staat op zichzelf. Het moet gezien worden als een wedstrijd verbale overtuiging. Als het een wedstrijd pure poëzie voordragen zou zijn, dan zou het de vrijheid en het plezier weghalen van de poetry slam. In Nederland wordt die fout nog steeds vaak gemaakt. Het gaat juist om de expressie en de vrijheid van de taal die een poetry slam de moeite waard maken. Een goed slamgedicht is een goed verhaal, en normaal gesproken luistert iedereen graag naar een goed verhaal.
Als de Nederlandse slam wilt doorgroeien naar een hoger plan, dan zou het Poëziecircus bijvoorbeeld naar een competitie kunnen streven in kleine theaters en de beste slammers en al uitgegeven slammers in de armen moeten sluiten. Simpelweg gezegd: een ‘all star’-slam op tournee. De nieuwe slammers kunnen zich dan via de regionale slams blijven kwalificeren voor het NK, waarna de top drie van het NK weer de ‘all stars’ aanvult. Zo houd je het fris. Wellicht moeten de slammers zelf maar eens een competitie of tour opzetten, want ik weet niet of een Poëziecircus of een Wintertuin ooit nog tot een constructief plan gaat komen voor een slamtournee in kleine theaters of een tv-slam zoals in Duitsland.

Hoe zou je je poëzie omschrijven?
Sterk op beeld gericht met onverwachte wendingen, met trekjes van het absurdisme en toch met genoeg ontroering voor bij de kapper. Zeer sterke poëzie, bedoel ik. Wat het is, mag een ander lezen.

Je gaat op een eigen wijze met taal om. Welk effect probeer je te bereiken?
Stofjes aanmaken. Ik kan intens genieten van een slamgedicht dat van kop tot staart goed in beeld en ritme staat, en dat dat op een optreden eruit komt. Raken kan ook op papier, maar dat ligt weer anders. Daar gebruik ik ook andere middelen voor. Dan moet het wat gelaagder zijn. De komende twee jaar ga ik niet meer voor een bundel schrijven maar weer puur voor het podium. Daar ligt voor mij de meeste stof.

Waarom maak je nieuwe woorden in je gedichten?
De boerenlol om een woord als middelangeafstandsmakreel of alliteratiemitrailleur te verzinnen. Ik verzin ze nog wel, maar gebruik ze steeds minder. Dan is er altijd nog de lol van het weglaten

Wat is het grote verschil tussen de gedichten in de eerste bundel en Zendag?
Ich bin ein star baby was nogal wild en onoverzichtelijk. Zendag is gelaagder, verhalender en opener.

Bij je vorige bundel zat een cd. Waarom nu niet?
Er waren weinig gedichten geschikt om op muziek te zetten, en ik had mijn handen al vol aan de bundel.  Maar voor hetzelfde geld ontstaat er zo weer een cd met duetten met andere dichters nu ik met Zendag klaar ben.

Geweldige inhoudsopgave. Hoe vind je echter het juiste gedicht in Zendag, aangezien veel gedichten dezelfde titel hebben?
De inhoudsopgave is er vanzelf ingeslopen. Daar zit geen diepere gedachte achter. Neem de tijd op, zou ik zeggen.

Is er een groot verschil tussen het uitgeven van een bundel bij Vassallucci en De Contrabas?
Ach, verschil… Uitgeven is uitgeven. Niet het gegriep er omheen. En de gebakken lucht die boven een grachtenpand van een 020- uitgeverij hangt, lijkt dan wel fraai maar stelt nog geen wolk voor. Ik kwam met mijn bundel terecht in een vacuum van Mai Spijkers en Oscar van Gelderen en kwam er dankzij Adriaan Krabbendam gelukkig nog met een hardcover bundel uit. Ik heb veel te danken aan Adriaan Krabbendam.
Uitgeverij De Contrabas doet wat ze moet doen. Boekje maken, distributeren, opsturen naar recensenten en zo veel mogelijk promoten. Veel meer kun je niet doen voor de poëzie. Gelukkig is het geen Heleen van Royen.

Op je website zijn allerlei filmpjes met poëzie te zien. Wat voegen deze volgens jou toe?
Daar kan ik heel ingewikkeld over doen, maar die filmpjes maak ik voornamelijk voor mijn eigen plezier en soms voor het podium. Ik heb dit jaar al enkele malen opgetreden met zelfgemaakte sound– en videoscapes, onder andere op het Folkwoodsfestival in Eindhoven, en dat werkte heel erg goed. Ik ben nu aan een compositie van een kwartier bezig die de Meningenmachine gaat heten. Dat daagt de winter lekker uit.

Hoe kijk je terug op de verkiezingen van de stadsdichter in Dordrecht?
Een minpuntje aan 2009. Het druiste tegen mijn gevoel in om aan die poppenkast deel te nemen, maar ik wilde het wel graag worden. Het had mijn mogelijkheden op organisatorisch vlak kunnen verbreden. Het geeft ook status, waardoor je meer voor je optredens kunt vragen en je meer opdrachten krijgt.
Op de verkiezingsavond zelf waren er veel ouderen en die kozen voor een wat ouder iemand met veilige poëzie. Ik vind dat de uiteindelijke winnares Marieke van Leeuwen zeer geschikt is voor de functie, dus daar heb ik achteraf wel vrede mee. Van de verkiezing zelf heb ik nog wel een weekje slecht geslapen. Zo’n verkiezing raad ik niemand aan. Ik ga voor Dordrecht gewoon door met de organisatie van Bead the Poetry, de verdere ontwikkeling van de literaire website http://078woord.nl en wellicht maar eindelijk een goede all star-slam neerzetten in Dordrecht.

Zie ook www.powets.nl en YouTube