Gedichten

Pentaal

In mijn vingers

ligt reizend en doelloos losgeslagen
boven het witte egaal
een teveel aan taal

Ik leg mijn oor op het papier
of ik kom er aan de solventen en de lijmen ruiken
waarop amper kan een woord ontluiken
dat mij kan doen proeven van de inkt

die ontoereikend toeslaat
in een achterbuurt van mijn geweten
omdat ik zo graag wil weten
wat schrijven is

is schrijven

astraal, in donkerte immigrerend
een schijnlicht schijnen
soms inktarmoedig achterblijven

soms ook op steen of houten kruisje
een naam neerschrijven


11-07-2001

Morgen vergaat je daglicht
men zal modder op je ogen gooien
waar ik zal willen omarmen
zal een bloem op je buik liggen

weet dat

Ik zal vragen achter regen
die straten en huizen doet blinken
en met zijn grijze lucht niets mooier zal maken
zo hoef jij schoonheid geen vaarwel te zeggen

In een hoek staat je koffer klaar
van kersenhout met zachte kussens
in bordeauxrood en fruitzoet
voel je al zwemmen in het engelenbloed.

Ongeveer 2058

We ontvingen net een brief van de administratie.
Ze zeggen dat de putten leeg moeten.
Die van de hele rij en de jouwe,
want jullie gaten zijn verrouwen.

Voor ons hoef je niets vrezen,
het missen wordt steeds minder.
Het gebeurt nog wel, bij lange natte dagen
dat wij moeder om je gedichten vragen.

Maar anders…

We verliezen al goed onze weg naar jou
en we hebben je schoenen en kleren al weggedaan.
Want die zolder en die kelder moesten maar eens leeg
nu moeder er steeds vaker over spreekt om je achterna te gaan.