Gedichten

08:00

Deze ochtend:
de wolken neuriën naast de toon
een licht gezoem trekt door de lucht
de tram buigt meewarig met de straten mee.

Wij gaan ervoor! roepen pendelaars
in koor ze marcheren door de gangen
van de stad Wij gaan ervoor!
scanderen de kinderen ze overstijgen de bel
en gillen de tram rijdt er eentje omver
maar ze zijn toch met genoeg sust een vrouw.

Een hond staat in een hoek te janken
maar ook bij haar is het haar eigen schuld.

Deze ochtend schrijf ik de krant
opnieuw met inkt en vloeipapier.

Het nieuwe nieuws gaat als volgt:

Het huis staat nog altijd recht tegenover
ons brandde het ook gisteren niet een kat
liep slaperig voorbij een auto de
inbrekers bleven vandaag langer
liggen er werd toch geen kind gedood hoor
mijn hart klopte vandaag alleen maar in de maat.

Voorplein (Sint-Gillis)

op het voorplein trekt een hond een vrouw
langgerekte spieren, met een vrij hand houdt ze haar hoed

lauwe, klotsende mensen aan tafels
liters van taal, sturende onderarmen
teken met je tongpunt de contouren van een verhaal

een meisje met een vlecht vraagt me of
mijn leven ook zo traag verloopt, dat gevoel

de auto’s zingen te luid, ze draaien dolle overuren
we zijn winnaars, gespreide vlaggen zonder rimpels
zakdoeken als paspoorten
opbollend geluk

een evenwijdige heeft honger in ritme

de klokken tikken weg en zetten in beweging:

de nacht heeft koorts, in bakstenen
verschijnen kleine barsten waaruit warme wind,
een zuchtende man met zakken, gehijg van een
magere kat vijf hoog op een balkon

in de verte botsen echo’s van spaanse vrouwen
broches met parels schikken hun zweet

de bochten van hun s verbergen heimwee naar een spel,
het vergeten van een straat, een bed,
een vergezicht.

Een echte wijk heeft hoeren en verkopers van apennoten (J. Prévert)

ik zucht om de dingen te bedekken
de zon draagt lederen laarzen, weigert zich naakt op te stellen
met breekbare nagels omzwachtel ik de straten
maandverband tegen de scheuren van een gevel
waar mozaïekstenen een hart vormen
dit is geen hart maar een tekening van

achter de muren zijn we blind
overvolle zwembaden zonder geluid
ik ga op mijn lichtst de trappen op, in de gang
leg ik mijn duim op het oog van een deur
trek mijn buik toch naar binnen

leg ik mijn duim op het oog van een man
haal het uit zijn kas, het verrast als een
krakende walnoot onder mijn hak

ik doe alsof ik bel alsof ik iets doe

zijn wij geen vrouwen van nu
zijn wij niet bang voor kiezelsporen in knieën gedrukt
kunnen wij niet tegen het licht van natte tanden
strelen we zacht de letters in onze tassen
hoeveel monden passen ons

ondertussen op het bonkende ritme van een wassende onderbuik
staren de rondtollende onderbroeken achter glas me beschuldigend aan