Recensie van Het gedicht gebeurt nu
1979-2009
- Eva Gerlach

Hoe wij ons vorm ontlenen

Eva Gerlach
Het gedicht gebeurt nu
1979-2009

Uitgever: De Arbeiderspers
2010
ISBN 9789029571753
€ 19,90
477 blz.

Wie herinnert zich nog 28 augustus 2008; de dag dat Obama voor een uitzinnig democratisch congres zijn ‘acceptance speech’ uitsprak? Lang geleden alweer. Het toen nog hoopvol gestemde ‘Yes we can’ legt het af tegen de politieke realiteit van werkeloosheidscijfers en koopkrachtdaling. Toch moest ik eraan terugdenken toen ik de nieuwste bloemlezing Het gedicht gebeurt nu van Eva Gerlach in handen kreeg.

Niet de speech van Obama, maar de interactie met zijn publiek na afloop is wat me zo is bijgebleven. Waar de presidentskandidaat in een eindeloos ‘Thank you’ – 32 keer volgens officieuze tellingen! – voor alle lof bedankte, ontbreekt bij dichteres Gerlach elk woord in die richting. Een ongeschreven code? Je zou het haast denken als je de gemiddelde poëziebijeenkomst als maatstaf neemt. Die lichte hoofdknik onder het al wegebbend applaus richting stoel, veel verder komt het niet.

Ook na dertig jaar dichterschap en ettelijke literaire prijzen – waaronder in 2000 de P.C. Hooft-prijs voor haar gehele oeuvre – begint Gerlach haar vuistdikke overzichtsbundel rechttoe-rechtaan, met de inhoudsopgave. Ik zou zeggen: lees er geen diskwalificatie in voor het belang van de lezer, of zelfs maar onachtzaamheid. Het is de dichter ten voeten uit. Bovendien, de titel is zonder al te veel omwegen op te vatten als een geste. Ga maar na, als het gedicht nu gebeurt, plaatst dit de lezer in het scheppende middelpunt. Alsof Gerlach wil zeggen: ‘Jij bent het die mijn woorden tot aanschijn roept en daarmee het gedicht tot leven’. Laat dus de taal het werk maar doen, want:

Hoe lang kun je doorgaan te zeggen
hoe het was en dat het er was
zonder te zeggen

dat het vertelde zich opneemt en wegvliegt over
de sloot en de vorm van de wereld
neemt toe
(…)
 

Zo beschrijft Gerlach hoe het vertelde verzelfstandigt, een plek inneemt en de uiterlijke en innerlijke wereld vorm verleent. Of nog een stap verder; een vorm schept waaraan wij op onze beurt onszelf ontlenen. De geciteerde dichtregels komen uit ‘Is wat je ziet’, opgenomen in de bundel Wat zoekraakt (1994). Even verderop in dezelfde bundel klinkt het minstens zo indrukwekkende slot van ‘Over beweging’ als volgt:

Er is een bewegen dat is
verplaatsing en een bewegen
dat plaats is waar het oog

niet op is ingericht, er is een wereld van treinen
en een van als je daar net uitkomt, kijkt,
even is alles hetzelfde.

Ja, om aan te komen waar Gerlach je wil brengen, is herlezen hier en daar geboden. Dat geldt zeker waar ze zich waagt aan het vangen van een gemoedstoestand, zoals die je in een flits kan bespringen bij het verlaten van een trein. En je voelt; deze plek kent voor mij geen geheimen, ik val ermee samen, al is het misschien maar heel even.
Merk ook op de vrijheid van stijl en versvorm. Voor zover Gerlach aan een traditie schatplichtig is – en wie is dat niet –, dan is het die van de Vijftigers waarmee ze een voorkeur voor onconventionele schema’s deelt. Hoe weinig opgelegd de vorm, hoe ogenschijnlijk ongerijmd, op willekeur is ze niet te betrappen. En soms mag het dan opeens zelfs weer ouderwets rijmen, en ook dat is vrijheid. Zoals die dag op het strand met haar ouders en zusje, wachtend op een rode zonsondergang in het gedicht dat ‘Zon’ heet. Terwijl Gerlach telegrafisch noteert:

(…)
‘dat de zon in de zee zakt dat is niet echt zo volgens mij,
het is de zee die voor de zon langs vaart’.

Rende gauw terug, op haar rug
kletste haar natte zanderige paardenstaart,
het water spatte om haar sprietige benen,
toen ik eindelijk weer naar de zon keek, was die verdwenen.
 

Het gedicht gebeurt nu bevat een weerslag van wat Margaret Dijkstra (1948) onder haar pseudoniem Eva Gerlach tussen 1979 en 2009 deed verschijnen. Met nadruk op dat laatste, want ze blijkt iemand die strak regisseert wat er van haar werk naar buiten mag. En ook nadien blijft ze schaven en vallen er gedichten af die wat haar betreft niet houdbaar bleken. Het toont de dichteres als een meedogenloos criticaster van zichzelf. Iemand bij wie ook de kritiek van buitenaf gevoelige snaren kan raken. Interessant in dat kader is de brief die Herman de Coninck op 6 september 1990 aan Gerlach schrijft (opgenomen in de briefverzameling Een aangename postumiteit). Hierin spreekt hij zijn lof uit over ‘De dorpelen en de gesloten vensters’ dat in poeziëtijdschrift Tirade verscheen.

Want dat ik van je heb gehouden, dat staat vast.
De rest niet – of je bestond
en als, wat dan voor kleur ogen, de ene keer groen
dan weer grijs, eens schoot er een zwerm
zwaluwen uit omhoog. Wat voor. Van die snelle,
die niet kunnen lopen, vrijen gebeurt in de lucht.
Hoe ging het. Je werd
ziek of zo, meegenomen, er was veel te doen,
ik kreeg geloof ik een nieuw kind en vergat je
(…)
 

Dit gedicht is gesteld in de voor Gerlach zo typerende grammatica waarbij ze in gesprek met zichzelf van de hak op de tak lijkt te springen, maar dan voor de vuist weg een eenheid weet te smeden in een vorm die een autonome betekenis krijgt. ‘Een onontkoombaar gedicht’, oordeelt De Coninck in zijn brief, maar er blijkt iets aan dit compliment voorafgegaan. Over een manuscript dat hij eerder van Gerlach ontving, schrijft hij: ‘Ik heb het al 25 keer betreurd dat ik die gedichten toen niet blindelings heb gepubliceerd.’ En even verderop: ‘Ik vermoed dat jij uiteindelijk toch geconcludeerd hebt dat ik de gedichten niet goed genoeg vond’, zo zoekt de beroemde Vlaming naar een verklaring voor het feit dat het sindsdien stil is gebleven. Het moet uiteindelijk goed gekomen zijn tussen de twee. Als De Coninck in 1997 plotseling overlijdt, draagt Gerlach een gedicht aan hem op (‘In de verte’, Niets bestendiger, 1998).

Het poëtisch genie van Gerlach is overal te vinden. Zeker ook waar ze zich laat inspireren door fotografie en beeldende kunst, een duidelijke lijn in haar loopbaan. Alles is werkelijk hier (1997) is in zijn geheel op foto’s geïnspireerd. Maar ook tien jaar eerder al volgt ze deze aanpak, bijvoorbeeld met een ode aan de Hongaarse fotograaf Andre Kertész in het gedicht ‘Landende duif, New York 1960’. Is ergens het moment waarop de fotograaf tot zijn beeld besluit, zo tastbaar gemaakt?

Hij heeft gewacht, de vogel kwam terug
en vloog uiteindelijk in de baan van licht.

Boven de wandelaars spant hij een brug
van sluitertijd (…)

Als Gerlachs bedoeling hier was de foto te completeren, dan ze schiet haar doel voorbij. Ze maakt immers elk beeld overbodig, want in deze taal krijgt alles al gestalte.

Bijzonder aan een bloemlezing met een bereik van drie decennia is dat zij zich leent voor een analyse van de groei en ontwikkeling die de dichter doormaakt. Wat valt dan op? Toon, stemgeluid en techniek lijken eigenlijk nergens drastisch te veranderen. Weinig verandert er ook aan de thematiek; beweging en stilstand, leven en dood, rennen, vliegen, ….. er wordt veel bewogen, en minstens zoveel gewacht. Het persoonlijke, de binnenkamer is keer op keer wat Gerlach drijft. In de bundel Dochter poogt ze in 25 korte titelloze gedichten van acht regels haar nog jonge meisjeskind naar zich toe te schrijven. Het is dan 1984, een jaar na de geboorte: ‘Mijn kind laat mij met buitenlucht alleen / zij blijft op afstand sinds ze uit me viel’, om het openingsgedicht af te sluiten met het bijna wanhopig: ‘hoe steel ik haar, / hoe krijg ik haar ontvreemd’. Dit is poëzie die de doelgerichtheid van een jaarrekening heeft en toch diep doordrongen is van echt leven. En er is zoveel van, 477 pagina’s lang!

Een schitterend uitgegeven bundel, en voor geen geld bovendien (€ 19,90) dankzij een subsidie uit het P.C. Hooft-fonds. Alleen dat gekwelde portret op de achterzijde had Gerlach bespaard mogen blijven. Het lijkt ingegeven door het verzoek van de uitgever ‘een recente pasfoto bij te sluiten’. Maar ach, wat deze dichteres van zichzelf laat zien, zijn haar gedichten. Het is de plek waar ze vermoedelijk het liefste verblijft. Daar gebeurt zij. En wij met haar.

Recensie van Omdat er iets ontbrak - Theo Monkhorst

Verlangen naar een ‘coming out’

Theo Monkhorst
Omdat er iets ontbrak
Uitgever: De Witte Uitgeverij
2010
ISBN 9789461079992
€ 10,00
60 blz.

Zo’n Herman Koch; scoort in 2009 een hit met Het diner en brengt met Ideale schoonzoon dit najaar alweer zijn volgende roman uit. Het is een productie die ontzag inboezemt, jaloers maakt misschien, nog los van de kwaliteit of houdbaarheid. Ook het poëtische literaire landschap kent in Nederland zijn veelschrijvers. Mark Boog gooit in dat opzicht hoge ogen met zes dichtbundels en vier romans sinds zijn debuut in 2000. Hetzelfde geldt voor dichters als Arjan Duinker of Eva Gerlach die al jaren een moyenne halen waar uitgever én liefhebber hun vingers bij aflikken. Van de laatste verschijnt overigens nog dit jaar de bloemlezing Het gedicht gebeurt nu met een weerslag van dertig jaar dichterschap. Iets om naar uit te kijken.

En toch, goed beschouwd is er veel te zeggen voor schrijvers met een beperkt oeuvre. Zij lopen minder het risico dat hun kunst langzaamaan het gezicht van een kunstje krijgt of anderszins aan eigen succes ten onder gaat. Zeker als een vroege dood de oorzaak van de bescheiden productie is, kan dat de roem alleen maar ten goede komen. De enige held is toch een dode held, niet waar?

Theo Monkhorst leeft en een veelschrijver is hij zeker niet. In vier decennia gaf hij twee dichtbundels uit en nu volgt bij de Witte Uitgeverij in de serie ‘verse voeten’ zijn derde bundel. “Mijn coming out als schrijver”, zegt de geboren Hagenaar er zelf over in een interview van voorjaar 2010. Zijn uitgever heeft er voor de zekerheid aan toegevoegd dat het een selectie betreft van de laatste tien jaar. Wel een kleine tegenvaller, want liever krijg je toch het beste van zo’n tijdvak voorgeschoteld. Maar vooruit, het zal de formulering zijn.
En het is waar, de titel Omdat er iets ontbrak brengt je onmiddellijk met twee voeten daar waar je wilt zijn; in de klei waar de schrijver spit en zwoegt totdat ‘het’ aanschijn krijgt. Als hij hier vervolgens ontdekt dat er heel wat ontbreekt en dit als leitmotiv op de kaft laat zetten, dan voel je dat er mogelijk muziek tussen die kaften schuilgaat. Immers, waar de afwezigheid tegenwoordigheid krijgt, is poëtisch leven mogelijk. Volmaaktheid vuurt nu eenmaal maar weinigen aan tot schrijven, het verlangen ernaar des te meer. Zo is de titel op zich al een belofte van het landschap dat de dichter belooft te ontvouwen.
De vier secties van de bundel tellen samen een veertigtal gedichten. Om het gelijk maar te verklappen, in de derde sectie getiteld ‘Zoeken in wit’ zijn de beste te vinden. Deze veelal korte verzen draagt Monkhorst met een in memoriam op aan ‘H.O.’, naar ik aanneem een geliefde. Het openingsgedicht krijgt daardoor meteen een extra lading die ook beklijven wil:

Verbond

Zij had de schoonheid van papier
waarop men schrijven kan
zo wit was zij, haar huid, haar kleren.

Hij schreef op haar: u hoort van mij
en deed daarmee de levende belofte
voortaan voor haar zichzelf te zijn.

Wat hier in de eerste regels begint met een tedere aanraking, zoals van de schrijvende hand het papier, krijgt een mooi vervolg in het contrast tussen de erotische zintuiglijkheid van ‘hij schreef op haar’ en het zakelijke, goed getimede ‘u hoort van mij’. Door de keuze van de dichter om de twee korte strofen elk met een hoofdpersoon te beginnen, Zij en Hij, krijgt het gedicht daarnaast meer intimiteit, alsof je getuige bent van een dialoog tussen twee geliefden. In de slotregel vinden deze gesprekspartners elkaar in wat je toch mag lezen als bron en bestemming van de liefde zelf; ‘voor elkaar zichzelf te zijn’. Een raak gedicht dus met een happy end zonder sentiment. Helaas blijkt het al snel een hoogtepunt in een verder tamelijk vlak landschap.

Bij de meeste gedichten begint het probleem al in de openingsregel waar Monkhorst grossiert in observaties die je moeilijk met iets anders dan schouderophalen kunt begroeten. "De schommel hangt", "De ochtendzon is koud", nee, zoiets maak je niet meer goed. Ook weinig functionele enjambementen werken niet mee. "In Rome staan de deuren/en de ramen open (…)". So what. Dit is een beschrijving die zichzelf op geen enkele manier overstijgt en eerder de deur onmiddellijk dichtgooit dan de lezer uitnodigend naar binnen trekt. Het typeert het dichterschap dat uit deze bundel naar voren komt.

Inderdaad, in de wereld van Monkhorst ontbreekt nogal wat, meestal te veel om er als lezer meer dan een poëtische intentie in te zien. Deze dichter, die droomt van een ‘coming out’, weet uit de ervaring van het onvolledige en onvolmaakte niet datgene te putten om in zijn poëzie het omhulsel van woorden een inwendig lichaam te geven, met een hart dat verlangt, zoals je van een beetje schepper mag verwachten.

***
Van Theo Monkhorst (1938) verscheen in 1960 City of Glass (uitg. André Deroubaix, Doornik) en in 2000 Poging tot benadering (uitg. BZZToH).
Verder publiceerde hij de korte roman in briefvorm Brieven aan mijn liefste (uitg. Synthese, 2006) en het toneelstuk King Dik, nar en koning (De Witte Uitgeverij, 2010) dat als openbare lezing in het Spuitheater is opgevoerd met o.a. Anne Wil Blankers en Boris van der Ham. Verder zal nog dit jaar de roman Vuil bloed bij De Witte Uitgeverij verschijnen en begin volgend jaar de roman Uit liefde stommeling.
Theo Monkhorst was columnist van de Haagse Courant en is medeoprichter van de website www.haagsecolumnisten.nl.

Meewerken aan Meander

Maarten Hamelink

Lichtzinnig

Geen woord mijn liefste, ook lichtzinnig niet,
want welke regels hebben zwaartepunten
uit duizend monden aan het wankelen gebracht

geen woord, mijn liefste, durf te spreken
het tegen woorden op te nemen

wij blijven,
schijnen,
lijken
voor te komen

in elk verhaal dat ooit bedacht, totdat
dat hele koor, in elke taal de waarheid zingt
zullen wij blijven liegen dat het barst

Recensie van Hartenbeest - Fleur Bourgonje

Noodzakelijke woorden tegen vernietiging

Fleur Bourgonje
Hartenbeest
Uitgever: De Arbeiderspers
2009
ISBN 9789029571289
€ 10,- (Als set met de roman Verdwijnpunt 25 euro)
65 blz.

Op de bibliografie van Fleur Bourgonje prijkt een aanzienlijke reeks romans, verhalenbundels en novelles. Sla ik de gegevens op haar eigen site erop na, dan kom ik tot een totaal van 24 uitgaven in een krappe 25 jaar. Dat maakt van 2010 overigens meteen haar jubileum als schrijfster, want haar eerste roman Spoorloos zag in 1985 de drukpers. Kennelijk hebben we hier te maken met iemand wiens werklust en literaire inspiratie niet snel zijn uitgeput. 

Opvallend is wel dat ik zelf pas medio 2004 met Bourgonje kennismaakte. Het was door een radio-interview naar aanleiding van haar toen net verschenen roman Nevelpaarden. Achteraf verbazend dat ik deze schrijfster tot dan toe had misgelopen. Wat me minder verbaast, is dat ze naast proza een duidelijke voorkeur voor poëzie aan de dag blijkt te leggen. Het past naadloos in wat ik me van die eerste ‘ontmoeting’ herinner. De vorm van haar taal, de klanksoort van haar stem, ze hadden een onmiskenbaar poëtische uitdrukkingskracht. En die stem blijkt ook nu niet uitverteld.

Dit jaar verschenen bij de Arbeiderspers vrijwel gelijktijdig de roman Verdwijnpunt en de dichtbundel Hartenbeest, genoemd naar een Zuid-Afrikaanse antilope die van Bourgonje een rol krijgt toebedeeld als boodschapper tussen de wereld van de doden en de levenden. In het titelgedicht staat dit zo:

Stel je bent binnen bereik in dit landschap
je lijkt een van de wijs gebracht dier. Kom
kan ik zeggen, de dood is elders
daar hoor je niet, ik had je hier
(…)

De dichter pakt hier een draad op en houdt die in haar bundel overtuigend vast, zonder een kunstmatig opgelegde thematiek. Opgesteld in het grensgebied van wat is en wat was, schept Bourgonje de ruimte om tijdsverschillen te overbruggen, of daar op zijn minst een poging toe te doen. Ze doet dat met de kracht van herhaling als in een refrein, maar steeds in andere bewoordingen. Bladzij na bladzij gaat ze de strijd met de tijd aan zonder dat het ergens sleets wordt. Haar poëtische experiment krijgt daarmee een sterk bezwerende toon. In het openingsgedicht ‘Sjamaan’ schrijft ze:

(…)
buiten mijzelf mengt mijn hand dood met leven
hecht, brengt samenhang aan
brengt in almaar dwingender ritme op gang

de verstarde karavaan
van mijn nachten
 

Dat dwingende ritme is in Hartenbeest meer dan een luchtledige bewering. Als lezer word je deze kadans gewaar als een bijna fysieke beweging, aangevuurd door het hoefgetrappel van de antilope. En er komt nog een element bij, want wie tijd zegt, zegt verdwijnen en juist wat verdween, bewijst de tijd op zijn scherpst. Bourgonje pakt die paradox stevig bij de horens en voegt er bovendien een politiek-historische dimensie aan toe. In het kielzog van Julio P., die recent wereldnieuws werd omdat hij een van de nachtpiloten geweest zou zijn die ‘staatsgevaarlijke’ Argentijnen boven de oceaan afwierpen, dicht ze:

(…) hier kan van alles
gebeuren zonder dat iemand het wil, drijft aan
wat overboord is gegooid. Een onooglijke krab
wrong zich met zijn scharen
de hitte in

De stijl van Hartenbeest is die van een bedachtzaam onderzoek. Met als belangwekkende kern de vraag of en hoe je in taal kunt herroepen wat de geschiedenis vernietigd heeft. De vernietiger is hier het fascistische regime waar Bourgonje de nodige ervaring mee opdeed. Eerst met het Chili van na Allende, later in Argentinië waar ze sociale psychologie studeerde, en na de staatsgreep daar in Venezuela waar ze onderzoek deed naar het verband tussen armoede en prostitutie.
Zo beschouwd wil de dichter een verbond sluiten met noodzakelijke woorden. Niet om de pijn weg te masseren, maar juist om die tot aanschijn te roepen en te verweven met het bestaan. Dit krijgt zijn meest pregnante uitdrukking in de cyclus ‘Vrouw in het wit’ waar een bedrieglijke ideologie schaamteloos het leven van mensen binnendringt om hun geliefden te stelen.

Verdwijnen is bewijs van tijd. Een uur
verstrijkt, dag, eeuwigheid, uitmondend
in wat vergeten lijkt. Bedrog. Je raakt
iets of iemand kwijt, zoekt verwoed
in stapels onwaarschijnlijkheid, haalt
overhoop, kamt uit, weigert te slapen

Een hele generatie dwaze moeders die je hier nachtenlang hoort weeklagen. Maar ook voor hen brengt het Hartenbeest van Bourgonje een boodschap mee, zo blijkt uit het vervolg van dit gedicht.

Want in de slaap verschijnt steeds wat verloren werd
zonder het aan te kunnen raken, de deur
die door verstand is dichtgegaan
gaat langzaam open

De poëzie wordt hier tot instrument om voorbij de werkelijkheid het werkelijke weer in te lijven, maar dan zonder dat het instrumentele poëzie oplevert of verwordt tot vals pathos. Bourgonje bedient zich van de taal als medium, als middelaar, zoals het hartenbeest dat de doden en de levenden in zijn ijle vlucht briefjes bezorgt “dat alles goed gaat” en “hopelijk ook met jou”.

Of het wat uithaalt, of je in reine kunt komen met wat de tijd je nalaat? Voor de dichter blijft het na zestig bladzijden onderzoek ambivalent. In haar eigen woorden: ‘Beitel maar raak, herinnering haalt niet terug’, maar ze kan het niet laten, want: ‘Je schrijft nog tegen het vergeten in’.

Recensie van Buurtkinderen - Arjen Duinker

Bokkende klinkers in de straat

Arjen Duinker
Buurtkinderen
Uitgever: Querido
2009
ISBN 9789021435381
€ 21,95
214 blz.


Buurtkinderen
is de nieuwste bundel van Arjen Duinker, en met meer dan 200 pagina’s (!) is het een hele dikke. Bij een dergelijke zwaarlijvigheid verwacht je eerder een verzameld werk of bloemlezing in handen te hebben, maar daar is geen sprake van. Kennelijk houdt deze dichter er een stevige productie op na – zijn vorige bundel En dat? Oneindig verscheen een krappe drie jaar terug – , al kan een te grove zeef bij de selectie natuurlijk ook de oorzaak zijn van de Duinker waarmee uitgever Querido nu op de proppen komt. Het maakt hoe dan ook nieuwsgierig naar of en hoe de dichter zijn ‘buurtkinderen’ tot leven wekt. Een uitermate geslaagde omslag met speelse typografie wakkert die nieuwsgierigheid nog extra aan.

Deze bundel telt acht secties die titelloos zijn en dus niets over hun eigenlijke inhoud prijsgeven. Dat is jammer, want daardoor heeft de groepering weinig meerwaarde. Een heel groot gebrek is het niet. Veel gedichten van Duinker hebben de helderheid van een stratenplan. Ze kennen zogezegd hun eigen ordening en verdwalen doe je er dan ook niet snel. Maar snel gaat het wel. Elke versregel is een weg die uitmondt in een andere. Snelle bochten en afslagen wisselen elkaar af. En al gebeurt dat in een hoog tempo, Duinker stuurt zijn ‘weggebruikers’ zelden het bos in. Dat is hoofdzakelijk te danken aan de concreetheid van zijn beelden. ‘De lippen van de wereld volgen de trottoirs’ is er zo één. De tastbare, makkelijk te pakken beeldtaal maakt dat je doorleest en zo als het ware door de regels getrokken wordt, benieuwd naar wat achter de volgende bocht opdoemt, en de volgende.

Hoe zeg ik dit precies en goed,
Op enig moment begreep iemand
Dat licht niet in water ontstaat,
Maar dat je voor het maken van licht
Wel veel naar water moet kijken,
Hij gaf de voorkeur aan mooi water
Dat geen voorzetsels nodig heeft,
Water dat een bloem is, een hand,
Een paar schoenen, een mol,
Er waren nog meer dingen
Die hij meende te begrijpen
Maar die hadden niet zoveel
Met licht te maken.

Dit gedicht ‘Fabriek’ geeft me die sensatie van voortgetrokken worden. Hoe de gedachten ook van de hak op de tak mogen springen, ik wil met Duinker mee naar de volgende afslag. Dat is geheel de verdienste van de schrijver, en het is meteen een wonderlijk gegeven van deze poëzie. Te meer omdat de gedichten maar weinig van hun inhoud prijsgeven. Hoewel Duinker volop experimenteert doet hij dat zonder leesbaarheid en toegankelijkheid op te offeren.

Vaak, heel vaak, is de taal het eigenlijke onderwerp. Dat is geen toevalligheid. Duinker hanteert zijn medium als een zelfstandige grootheid die eerst en vooral naar zichzelf verwijst. Of zoals hij in de cyclus ‘Sailor’s home’ schrijft: ‘De woorden op de helften van de tong / Worden zelfstandiger en onafhankelijker! / Ze beginnen elkaar toe te roepen / Ambitieus onder een oneindige hemel! / Ze doen hun best, schokkend en transparant, / Om sterren uit speeksel te destilleren.’ Een paar zinnen verder zet Duinker die emancipatie van de taal nog verder door: ‘Nu zijn de woorden niet meer van de tong / Maar is de tong eigendom van de woorden’.

Is dat tegelijk ook wat Duinker als dichter drijft, doorschijnend te worden, de woorden door te geven en daarbij zelf zo min mogelijk in de weg te staan?

In ‘Twee voorstellen’ stelt hij:

De woorden die het onderzoek mogelijk maken,
En blauw en rood onmogelijk,
Stilletjes vervangen door hun tegendelen.
In de wereld luistert de lucht nauw.
Resultaten beweren niets
En de wolken brengen water
En de wind kust de stenen.

Weer een hoofdrol voor de taal. Dit is beredeneerde poëzie, maar allerminst voorspelbaar. Dat komt met name doordat niet de rede, maar de talige associatie en intuïtie van de dichter de boventoon voeren. Argumenten zijn voor Duinker in de eerste plaats bouwstenen die ten dienste staan van de taal, van het spel; materiaal van klinkers en lettergrepen om niet de betekenis maar het woord zelf tot aanschijn te roepen en het bestaan ervan legitimeren. Dat blijkt ook uit het vervolg van hetzelfde gedicht.

Minstens de helft van de gedachten
Aanvullen met nachtelijk lawaai.
Rondom de laboratoria
Jaagt het geluk
Op de staarten van de dingen.
Laat de ramen hun mond houden
En laat de stoelen willekeurig dromen.
In elk sieraad verschuilt zich een stap
Richting kalmte

Vooral de slotzinnen zijn typerend voor hoe Duinker ‘het doet’. Hij dicht hier zijn objecten leven en levende eigenschappen toe, zodat ze onderdeel worden van een animistische wereld waarin elk woord deel krijgt aan het geheim te bestaan. Ze geven niet alleen gestalte aan het geheim, maar zijn tegelijkertijd het geheim zelf. Het is gematerialiseerde taal. En dat daarin veel mogelijk is bewijst deze dichter onder andere met ‘Sowieso’. In een wonderlijke, humoristische dialoog laat hij zijn gesprekspartners objecten ‘opperen’. Nadat de ‘ik’-figuur recepties, manchetknopen, handschoenen en autosleutels oppert, is het de beurt aan de ander.

(…)
De ander zei:
Ik wil iets opperen
Met redeneringen en terrassen
En weerzin en sowieso en opzet.

De aarde smaakt naar vanille,
Spoken smaken naar de wind
En de taal smaakt naar ons.

Hier spat het plezier toch vanaf! Het is alsof je de dichter ziet wijzen naar de woorden voor hem op papier, alsof hij zegt: kijk ze buitelen, hoor ze lachen, luister naar hoe ze ruzie maken en met elkaar spelen. Het zijn de buurtkinderen die als bokkende klinkers en joelende medeklinkers de straat waarin Duinker woont, woord voor woord tot leven wekken. ‘Sowieso’ is hierin zeker geen uitzondering en dat maakt dat je geen moment valt over de hoeveelheid die je in deze bundel krijgt voorgeschoteld. Taal als een minstens zo tastbare werkelijkheid als die tastbare werkelijkheid zelf, dat is wat Buurtkinderen te bieden heeft.

Een kanttekening is te plaatsen bij de typografie in het binnenwerk van deze uitgave. Duinker kiest ervoor elke regel te beginnen met een hoofdletter. Bovendien grijpt hij ook nog eens irritant vaak naar het uitroepteken op zijn toetsenbord. Dat geeft een nogal schreeuwerig karakter aan poëzie die van zichzelf al meer dan genoeg gewicht heeft. Ik had het graag achterwege gelaten. Maar het zijn hoe dan ook details.
Duinker krijgt het in deze hele dikke bundel voor elkaar om als een alchemist de taal te materialiseren en soms zelfs in regelrecht edelmetaal te veranderen. Goud of zilver is dan nog een smaakkwestie.