Recensie van Ergens slapen de anderen - Marijke Hanegraaf

Het heimelijke visioen van een wandelaar

Marijke Hanegraaf
Ergens slapen de anderen
Uitgever: De Arbeiderspers
2016
ISBN 9789029509930
€ 17,99
84 blz.

In haar vierde bundel Ergens slapen de anderen blijkt Marijke Hanegraaf een scherp waarnemer te zijn die welbewust en zorgvuldig afstand weet te bewaren tot hetgeen ze opmerkt, opdat ze er zo optimaal mogelijk haar poëtisch gewin uit kan halen. Als het gaat om wat er zich in de wereld van de natuur en de natuurwetenschappen afspeelt, probeert ze dat te verbinden met haar ervaring met en visie op het leven. Op meerdere plaatsen in deze bundel raakt Hanegraaf aan een metafysische ervaring in de aardse werkelijkheid. Ze refereert daarmee aan de religieuze atmosfeer van haar jonge jaren, zoals dat onder meer blijkt uit haar bewondering voor de poëzie van Ida Gerhardt in het gedicht ‘Maasbracht’ over het schutten van de schepen. Daarin onderstreept ze dat metafysisch besef: ‘ik weet een plek om licht te zijn / en hoog te springen.’ Ze heeft sterk de behoefte ‘zo dicht mogelijk te raken / aan wat we niet (…) [begrijpen]’. Zij vraagt zich als een kind in dat perspectief verwonderd af: ‘dat ik nog zijn kan.’
      Voor deze wandelaar, fietser en vliegtuigpassagier is in veel van haar verkenningen de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid het vertrekpunt. Wandelen is voor haar een manier om het hoofd leeg te maken voor de woorden: ‘Het woord loopt goed.’ Onder die omstandigheid wordt ze gewaar wat er zich om haar heen gebeurt, in reactie daarop of in samenhang daarmee. Haar bundel is hecht gecomponeerd, terwijl de structuur die ze in de werkelijkheid zoekt aan twijfel onderhevig is. De strofen van twee-, drie- of vierregelige verzen hebben overwegend een regelmatige lengte. Ze buit daarin de werking van het enjambement uit. De bundel is inhoudelijk opgebouwd uit twee omvangrijke afdelingen: ‘Vluchtige patronen’ met het reizen als centraal gegeven en ‘Regels van de natuur’ met als oriëntatie theorieën over ruimte, licht en lucht. Ze probeert in beide afdelingen antwoorden te formuleren op de waargenomen patronen van leven.
     Ik zou Hanegraaf in haar verkenningen van natuur en natuurwetenschap willen typeren als een visionair wandelaar in de werkelijkheid die behept is met een helder besef van het metafysische dat zich onverwacht in haar verbeelding kan voordoen. Dat alles blijkt al direct uit het openingsgedicht, waarin ze een terugreis per vliegtuig als uitgangspunt gebruikt om wat haar als dichter ten diepste beweegt uit te beelden.

Het licht

Hard valt het hoog in de dag. De witheid
ketst van de vleugel recht mijn zere ogen in
die niet aflaten te kijken uit het vliegtuigvenstertje.

In het schelle zie ik wat al bijna niet meer zichtbaar is
hoe ik met mijn hand op een landkaart ene schouder
de route het huisnummer naliep, de resterende tijd

hoe ik bij vreemde vogelzang mijn schoenen uittrok
en voor de deur zette, buiten adem raakte
van iemand die goed is in vertrouwde gebaren.

Dit gedicht bevat veel ingrediënten die eigen zijn aan haar poëzie, naar vorm en inhoud. Veel van haar gedichten zijn regelmatig van versvorm en hebben een anekdotische inslag, maar verlopen gaandeweg naar een pointe die de onderlagen prijsgeeft. Het oogverblindende licht valt hoog in de lucht op de vliegtuigvleugel. Het weerhoudt de ik er niet van door het vliegtuigvenster te blijven kijken. We worden in deze strofe geconfronteerd met een waarnemend ik die hoog verheven in de lucht op terugreis is naar Nederland en zich door het licht weet aangeraakt. Een besef van nietigheid te midden van dit grootse heelal vindt zijn uitdrukking in het verkleinwoord ‘vliegtuigvenstertje’. Als we lang naar iets blijven kijken, gaat het zien dikwijls over in een blind staren. De blik verstart en richt zich naar binnen toe. ‘Wat al bijna niet meer zichtbaar is’, komt dan in beeld. De verbeelding neemt het over. Vervolgens verloopt in vogelvlucht terug uit de bestudering van de kaart, de route naar de mensen bij wie de ik op bezoek is geweest: ‘[bij wie ik] bij vreemde vogelzang mijn schoenen uittrok / (…) buiten adem raakte / van iemand die goed is in vertrouwde gebaren.’ Die laatste versregels bevatten een gedrevenheid en een emotie die raakt aan een vertrouwdheid die de ik voor wezenlijk houdt in het contact tussen mensen. Ze speelt in r. 5-9 met het enjambement en de gelaagdheid in betekenis. Die overgang van zintuiglijke waarneembare werkelijkheid naar de binnenwereld van de verbeelding voltrekt zich dikwijls op vergelijkbare wijze in veel van haar gedichten. Als ze in die laatste wereld is aanbeland, raakt ze aan haar vragen en aarzelend geformuleerde antwoorden. Hier bevindt zich de vertrouwdheid waarnaar ze op zoek is en die ze weer achter zich heeft moeten laten, maar die wel als herinnering voor haar de kern vormt van wat zij wezenlijk acht. Dan ontvouwt, zoals dat ze in het laatste gedicht ‘Ze stapt op het vliegtuig’ uit de bundel zegt, ‘het visioen [zich] heimelijk’.
     Anekdotiek, aardse metafysica, het op zoek zijn naar zingeving, het zoeken naar vertrouwdheid, het lichtspel in de natuur, de nietigheid van de mens, een aandacht voor het ogenschijnlijke onopvallende en onachtzame zijn de elementen die ik kenmerkend acht voor de poëzie van Hanegraaf. Zoals ze een afscheid in ‘Bitterzoet een driekwartsdraai’ zijn gewicht weet te geven: ‘ niet / gejaagd eroverheen gepraat / of nietszeggend tot ziens gezegd’, en dan toch die open vraag aan het einde gesteld: ‘Wie is ze? Heb ik haar al ontmoet?’ Altijd blijft daar die eenzaamheid in de ontmoeting. Hanegraaf bestrijkt een royale bandbreedte in haar beschrijving van ervaring met gevoelens. In ‘Het oog van de duif’ ligt een duif op de drempel van haar huis te sterven. Met die gegevenheid gaat ze aan de gang. Haar empathie met het dier geeft de ik inzicht in hoe te sterven: ‘En nu vertrouwt de duif de dood. / Hij vouwt zijn vleugels om zich heen / doet zichzelf een rouwjas om.’ De oude vrouw die dommelt boven haar schommelvoetenbankje in een kamer van vijf bij vijf, staart haar toekomst tegemoet. In het aardedonker groeit haar verlangen naar de dood: ‘Ergens slapen de anderen.’ De weerspiegeling in het water bij de brug aan de Waalkade is evenzeer zo’n narcistisch moment waarin de ik opgaat in haar eigen gewaarwording. Ze laat zich meevoeren in de stroom van woorden die daar ontspringt: ‘Meeuwen pikken de woorden aan / en scheren over de winterbreedte.’ De reizen over de wereld roept bij de ik telkens weer de vraag op: ‘Hoe werkelijk is deze reis?’ De ik lijkt zich telkens te verliezen in dit soort overwegingen.
     Vooral in haar natuurimpressies kan ze scherp en nauwkeurig met haar metaforen in beeld brengen wat ze beoogt, zoals in het gedicht ‘Nistelrode, Achter de Berg’: ‘De zon valt aan en scherpt de bermen / lijnt de populieren, schrijnt mijn ogen. /’. In die waarnemingen ligt ook de vlucht van de ik uit ‘de haastige stad’ besloten. De rijpere leeftijd van de dichter klinkt door in haar onderwerpkeuze, zoals in het gedicht ‘Project’ waarin ze terugblikt op een woningkeuze die ligt ‘tussen vrees en vreugde’. Ze merkt aan zichzelf dat ze steeds minder vastzit aan ‘hoe ik / eruitzag of in elkaar stak’. Steeds vaker weet ze zich overvallen door ‘wat ooit was’.
     In het tweede deel van de bundel met natuurwetenschappelijke bespiegelingen roepen de regels van de natuur vragen bij de ik op over ‘dit grote, onbeweeglijke / het vlugge aanschouwen dat alom is.’ Wat haar fascineert, is dat de natuurwetenschappers aannames doen die overeenstemmen met de dogma’s van het christelijk geloof: ‘Hoewel het evengoed om iets anders kan gaan / weten ze [=natuurwetenschappers – JR] met zekerheid wat ze moeten geloven’ als het om de higgs gaat. Die alom aanwezige higgs in de luchtledige, lege kamer doet de ik verstrikt raken in het begrijpen van dit fenomeen. Wat gebeurt er als licht en lucht uit een kamer gehaald worden? ‘En wat om hemelswil gebeurt er dan bij de dood?’ Zoals de ik als kind door middel van de catechismus geruststellende antwoorden uit het hoofd moest leren op fundamentele vragen over de zin van het leven, zo ervaart de ik nu dat op dezelfde vragen andere antwoorden mogelijk zijn, mede door de ontwikkeling in de natuurwetenschappen. Het blijft ook nu gissen en het uitspreken van verlangens over wat de werkelijkheid van natuur en natuurwetenschap ons leert over waarom we zijn wie we zijn. Soms heeft de ik ‘geen idee hoe echt / de stenen van mijn huis zijn of in de tuin de floxen.’ Ze weet zich dan zozeer onderdeel van en opgenomen in de elementen die onderdeel van het licht zelf zijn : ‘ben ik vandaag wellicht mezelf, maar ik / kan morgen vragen: was ik dat, gisteren?’. De patronen in de werkelijkheid en de regels van de natuur blijken vervreemdend op haar in te werken. Al met al heeft Hanegraaf een indrukwekkende bundel geschreven waarin de verwondering en het visioen heimelijk werkzaam zijn.

***

In haar vierde bundel Ergens slapen de anderen verkent Marijke Hanegraaf (1946) de wereld in haar uitersten: de weidse ervaringen van geografische afstanden en de subtiele ontdekkingen van de natuurwetenschappen. Zij was enige jaren stadsdichter van Nijmegen en publiceerde eerder drie bundels bij De Arbeiderspers: Veerstraat (genomineerd voor de C. Buddingh-prijs 2002), Proefsteen (2006) en Restruimte (2010).

Gedichten

Een ster, een kind

Schemering zet licht op een hoogwerker
een gave ster en grijpbaar.

In de duisternis ontstaat een oude vraag:
hoort bij de ster een kind?

Zo’n kind gezien
vanuit een hemelsblauwe trein

met care erop jagend langs grijze seinen
door de winter van Europa

met aan de route een versleten hek
ademend in zijn hangslot

zo’n kind dat zwaait
naar het geratel in de avond

een porseleinen pop
tot barstens in de armen.

 


Restruimte

Hij kon ploegen met twee ploegen tegelijk
gaf de paarden een losse hand

liep er een pas achter om ernaar te kijken
liep door lange morgens

door voren als zwaarden over vreemde
en stugge grond. Zo’n vader.

Met de zon op zijn hoogst rusten zoals hij
een uur midden op de dag laten ontstaan

onder een berk die het licht filtert.
Dan, als je wakker wordt traag

overeind komen traag je voeten grond geven
terwijl de wind over je verwachtingen spint

en ‘s avonds thuiskomen bij iemand die zegt
toe ga je wassen, zo kun je niet aan tafel.

Alsof het altijd zo zal blijven zeggen
we krijgen onweer.

 

Kust zee

Ze is de poten van de stoel
de kookkachel gloeit diep in haar
mevrouw rust in de koffiepot
het water zingt haar toe

is haar de zee, het mooiste
ooit gehoord ruist aan
haar kapsel wuift, zee kust.

Te midden van de branding
vergroeit ze traag tot zetelhout.
De oude koffie lang gereed
zingt ze het water toe.

 

Achterland

Ter ere van mijn bezoek brengt de wind stilte.
De lopende banden van de zandwinning wachten.
De kerken rusten in de geest van gisteren.

Onze bus sukkelt naar de rand van het land. Ooh
coming, coming, hurrah, hurrah, verder
in het nieuws een bosbrand en langs de route

bericht na bericht: in het ene dorp
wonen dertig kinderen, in een ander
zijn alle te bouwen huizen verkocht.

We nemen een dijk dwars door het groen.
Ergens stroomt de rivier; meer dan de dijken
schijnen de pijpen van de steenfabrieken signalen.

Als we langs eetcentrum ’t Heuveltje rijden
kijkt iemand op zijn horloge en knikt. Alsof alles
normaal is, het uur, de dag, de dwarse dijken

en ook ruim voldoende: de zon en de bus
die op weg is naar een grens en mij beweegt.
Het beste is om niets te doen

en om ook steeds meer niets te doen.
 

Uit: Restruimte, 2010, De Arbeiderspers