Poëzie Kort 2016 / 8

Erik Jan Harmens & Ilja Leonard Pfeijffer, Duetten

Door Hans Puper

Wat doen we met die man die lacht in het publiek,
omdat hij elke dichter liefheeft als komiek
en poëzie beschouwt als heerlijk cabaret
dat ook nog eens bij vlagen aan het denken zet?

Deze verzuchting van Pfeijffer aan het begin van het vijfentwintigste duet laat precies zien wat er mis is aan de mailwisseling met zijn mededichter Erik Jan Harmens. Zij presenteren zich wel degelijk als cabaretiers en dringen de lezer de rol van buitenstaander op. En die buitenstaande moet genieten: het gaat immers om twee grote dichters. Hun brille wordt nog eens benadrukt in de verantwoording: ‘Ze hebben nooit enig overleg gevoerd. Zelfs over het plan om gezamenlijk iets te schrijven bestond geen overeenstemming, totdat het begon. De duetten ontstonden, in de vorm en volgorde zoals ze in dit boek zijn afgedrukt, strofe voor strofe, door middel van uitwisseling van e-mails zonder enig commentaar. Achteraf is niets herschreven.’ Samen doen ze denken aan een schizofrene Bilderdijk, die beweerde dat zijn verzen door God zelf kant en klaar werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met ganzenveer en papier. Achteraf bleek dat zijn manuscripten vol doorhalingen zaten, maar dat terzijde.

In een ver verleden kende ik leraren Nederlands die elkaar probeerden te overtreffen met ‘puntige kwatrijnen.’ Ze hadden dat afgekeken van de helderste ster in hun universum, Simon Vestdijk. Een enkele keer schreef een van hen een sonnet waaruit een onvervulbaar verlangen sprak naar een mooie, jonge collega of een femme fatale uit de examenklas die binnen enkele maanden uit hun blikveld zou verdwijnen. Hun gedichten zaten vol allusies op bewonderde Nederlandstalige dichters. In wezen doen Harmens en Pfeijffer hetzelfde als deze brave, plichtsgetrouwe onderwijsmannen. ‘[I]k ben een gelukszoeker in het diepst van mijn bananenrepubliek’, schrijft Harmens bijvoorbeeld en Pfeijffer zou Pfeijffer niet zijn als hij niet naar twee voorgangers tegelijk verwees: ‘Ik dans een rare negerdans uit Mozambique.’ (Je ziet hier eindrijm, maar dat is toeval. De regels komen uit verschillende duetten).
De ene leraar-dichter was beter dan de andere en dat is ook hier het geval. Hoe goed Harmens ook is, de souplesse en wendbaarheid van Pfeijffer liggen buiten zijn bereik. Pfeijffer schrijft paarsgewijs rijmende alexandrijnen die heel natuurlijk aandoen, iets wat wonderwel past bij deze vruchtbare gedachtewisseling tussen heren van stand. De gedichten van Harmens zijn vrijer van vorm, maar over het algemeen wat stroever en een enkele keer gezocht. Dat laatste geldt overigens niet voor zijn antwoord op de eerder geciteerde strofe:

ik ben wie hij ziet in zijn binnenspiegel
hij ruikt wat ik had op mijn brood
objects in mirror are closer than they appear
eerst lachte hij maar nu niet meer

De rol van bewonderende lezer bevalt mij niet. Misschien moeten ze zich toch maar weer richten op die man die lacht in het publiek en de ‘leesclubdames in de zaal, / die als de poëzie gedaan is allemaal / een leuke foto met de dichters willen maken’. De mannen gaan weliswaar zwaar gebukt onder hun voorstellingen, maar lijden is goed voor de poëzie en cabaret voor de portemonnee.

***
Erik Jan Harmens en Ilja Leonard Pfeijffer (2016). Duetten. Lebowski, 80 blz. € 17,50

 

 

Patrick Conrad, De Cadillac van Mallarmé

Door Lennert Ras

De Cadillac van Mallarmé bestaat uit collages van Conrad (schrijver, plastisch kunstenaar en filmmaker), die een ode zijn aan Conrads surrealistische en dadaïstische voorgangers. Het zijn prikkelende tot de verbeelding sprekende afbeeldingen. Bij de collages schreef hij gedichten, die daarnaast zijn afgedrukt. Seksualiteit en schoonheid spelen een grote rol in de bundel. Mannen hangen zich in groten getale op als zij worden afgewezen door een prachtige vrouw. (p. 21). De vrouw van lichtekooi tot kuise dame en woekerplant, die zich aan haar dankbare slachtoffer vastzuigt (p.49). Maar niet alleen de vrouwelijke schoonheid komt voorbij, ook de mannelijke. De bundel zet aan het denken. Bijvoorbeeld vanwege de tegenstelling: ‘Na verloop van tijd hoopte niemand meer oud te worden, maar wilde niemand jong sterven’ (p.9). De bundel staat vol met verwijzingen naar de kunstwereld, maar ook naar bijvoorbeeld de muziek- en filmwereld, hetgeen de indruk geeft dat de schrijver zeer belezen is. Verbittering komt voorbij en onbeantwoorde liefde. Vooral de combinatie van de absurdistische afbeeldingen met de uit het leven gegrepen thematiek in de verzen laten je na het lezen achter met een zoete verwarring, die ergens toch wel aangenaam is.

***
Patrick Conrad (2016). De Cadillac van Mallarmé. Uitgeverij Vrijdag, 65 blz. €22,50

 

 
Anouk Smies, Wie heeft een middelpunt nodig

Door Hans Puper

De gedichten van Anouk Smies zijn tegelijkertijd open en moeilijk toegankelijk. Maar hoe weinig grip je ook krijgt, je leest toch door. Haar taalgebruik is helder, haar beeldspraak prikkelend: ‘De gevoelswereld / is een peertje, flame, 40 watt / De rauwe adem / van de wereld plukt lukraak / aan zijn perzikzak’. Regels maken nieuwsgierig: ‘Soms verlang je het ergste / om het één na ergste dood te slaan’, soms moet je erom lachen: ‘Pijn die gezellig is gemaakt / noemt men kunst’ (Let op dat ‘men’: het niet de dichter die dat vindt) of: ‘Er is een compromis / dat ik door zou willen drukken’.
Je komt niet verder dan vermoedens over een wereld achter de gedichten. Dat is geen tekortkoming, integendeel: ze zet je verbeelding aan het werk. Neem een gedicht als ‘Houdini’, de legendarische boeienkoning:

Toen ik alle opties voor
originaliteit had uitgeput
kwam het geniale idee
in me op
dat alles wat fonkelde aan jou
sleets was en verlopen

Dat ik aan je lippen hing
die nooit mijn naam genoten
Je excuses aanlijmbaar waren
als osmose

Waarmee je me het sterkste
aan je navel verbond
ondanks wat je niet beloofde
was je fameuze onderwater-truc

waarin je deed of ik niet bestond
En ik je geloofde

Waar gaat dit over? Over een dochter die zich door haar moeder verwaarloosd voelt, de meest uiteenlopende verklaringen heeft gezocht voor haar gedrag en nu inziet hoe het werkelijk zit? Dat het (schijnbaar) losmaken van banden de meest geraffineerde manier is om een kind aan je te binden? Mogelijk. Die ‘je’ kan ook een geliefde zijn: dat beeld voor de hechte verbinding, de navel, kun je ruimer nemen. Maar kan het gedicht ook gaan over de relatie van de dichter met haar poëzie? In dat geval heeft ze gepoogd op de meest originele manieren haar vorm te vinden, maar achteraf ingezien dat ze zich toch slechts op platgetreden paden heeft begeven. Iets eigens hadden de gedichten kennelijk niet. En die ‘fameuze onderwater-truc’ waarin de dichter wordt ontkend en daarin gelooft: is dat een verwijzing naar hermetische poëzie waarachter de dichter verdwijnt?
Ik weet het niet. Dit gedicht is zelf een Houdini, want het weet zich voortdurend uit je greep te bevrijden.

Ik kwam bij de herlezing van ‘Houdini’ op de relatie dichter – poëzie omdat Smies in verschillende gedichten woorden laat terugkomen die ze in verband lijkt te brengen met dichten: ‘reuk’, ‘neus’, ‘(be)tasten’, ‘navel’, ‘gezicht’, ‘strottenhoofd’. Een voorbeeld:

‘Zo schuif ik dagelijks
dia’s ineen
tot ik een houdpaar uitzicht zie
dat ik palpeer en doorklief

Uit de trilling die ontstaat
restaureer ik een vorm
die wel iets van een gezicht wegheeft’

(Uit: ‘Opties’)

Anouk Smies verdient meer bekendheid.

***
Anouk Smies (2016). Wie heeft een middelpunt nodig. Uitgeverij Opwenteling, 64 blz. €14,50

 


Daniël Dee, Mond vol demonen

Door Hans Puper

Wie zo’n tachtig pagina’s wil vullen met humoristische gedichten, moet van goeden huize komen. Daniël Dee probeert het met gedichten over seks, drank en rock & roll, met als overkoepelend thema het lijden aan het leven. Ik wijs dat niet af, dat gevoel is ook mij niet vreemd. Ik heb een ander bezwaar. Of de gedichten zijn gebaseerd op een ruig leven of dat het zich voornamelijk afspeelt in de verbeelding, maakt mij niet uit. Het gaat om de overtuigingskracht die uit de gedichten spreekt, de suggestie dat zelfspot en humor middelen zijn om het leven leefbaar te houden en daar ontbreekt het in de meeste gedichten aan. Er lijkt dan een man aan het woord te zijn die de bink uithangt met stoere en lollige uitspraken: ‘[I]k kom graag op de zolder waar die cactus staat / ik kan er lekker werken of aan de kleine generaal snokken op internetporno / – dat is vast zielig, maar dan is iedereen zielig / dan moet je maar vaker met mij –‘. (Uit: ‘Een prettig gesprek’). En wat te denken van de geinige verwijzingen en woordspelingen in ‘hitchhiker met Hitchcock-suspense? ‘[T]achtig dagen jouw lichaam rond / in en uit in en uit van voor naar achteren / happend naar lucht hompen hoppend viel Spass / op de toppen van jouw twin towers tweelingbergen / jodelend komen ein Tiroler Bursche ( … ) en we gaan nog niet naar huis / nog lange niet / nog lange niet’.
Een enkel gedicht geloofwaardiger, omdat niet ondanks, maar juist door de humor de wanhoop voelbaar is. De eerste drie strofen van ‘Die middag opgesloten op het hoge balkon’:

‘de deur viel dicht en in het slot
natuurlijk was het guur
de dwanggedachte te springen
maar niet willen springen
hoeveel ingewanden zullen er dan niet op de tegels tot moes slaan

overwegen om een ruit in te tikken
maar die niet intikken
want dan zouden de mensen kunnen zien dat ik in paniek ben
wat is daar erg aan?
ik ben in paniek
ik ben altijd in paniek
behalve als ik drink

de katers verergeren de paniek
gewoon doorheen drinken

In contrast met dit alles staat het gezinsleven. ‘Na het bezoek aan mijn behandelend arts’ is een romantisch ‘als-ik-sterf-gaat-aan-mij-niets-verloren’-gedicht. De laatste regels ogen heel serieus: ‘onvervangbaar is alleen mijn vermogen tot het liefhebben van mijn vrouw / samen met mijn vermogen tot het liefhebben van mijn kinderen.’ Deze regels durft hij echter niet zonder ironisch commentaar te presenteren, al zijn ze ongetwijfeld zeer gemeend. Collega-dichters zouden hem op de sentimentaliteit ervan hebben gewezen, maar: ‘uit pure koppigheid laat ik die regels toch staan – lekker puh’.

Ik hoop dat Dee in zijn volgende bundels meer diepte en durf toont. Zijn gedichten zullen daar beter van worden.

***
Daniël Dee (2016). Mond vol demonen. Uitgeverij Passage, 89 blz. € 19,90

 

 

 

 

Recensie van Ik noem dit poëzie. Verzamelde gedichten - Erik Jan Harmens

Een dichter in de traditie van de Romantiek

Erik Jan Harmens
Ik noem dit poëzie. Verzamelde gedichten
Uitgever: Lebowski
2016
ISBN 9789048832095
€ 19,99
283 blz.

Enige maanden geleden verschenen de verzamelde gedichten van Erik Jan Harmens: Ik noem dit poëzie. Niet alleen zijn vier bundels zijn hierin opgenomen, maar ook de ‘Early works’ – gedichten die in literaire tijdschriften en bloemlezingen verschenen – en de ‘Financieele gedichten’, opgenomen in ‘Rotterdam’, 2012. De bundel Echte mannen scheiden niet (2012) ontbreekt. Begrijpelijk, want die schreef hij samen met Rick de Leeuw.

In een ronkend voorwoord schrijft Frank Tazelaar (van De Wintertuin) dat Harmens het woord ‘ik’ zijn ‘primitieve kracht’ heeft teruggegeven. Even later: ‘Ik denk dat Erik Jan Harmens in z’n eentje verantwoordelijk is voor de emancipatie van het vrije gebruik van Ik in de Nederlandse poëzie. Dat is geen kleine verdienste. In deze wereld waar ontworteling en onechtheid de maat slaan, is Ik zeggen activistisch, een daad van verzet. Wie Ik zegt is er echt. Wie Ik zegt bekent kleur.’ Onzinnig. Die emancipatie begon in de vroege Romantiek en met zijn lijden aan het leven heeft Harmens zich in die traditie geplaatst. Bovendien is de ‘ik’ in zijn poëzie niet Harmens in de eerste persoon, maar een dichter-ik. Om een goed gedicht te maken moet Harmens de klei van zijn autobiografische werkelijkheid boetseren. Ook hier niets nieuws onder de zon, dus.

Zoals bekend is hij, zeker in zijn eerste bundels, de slamdichter bij uitstek: zijn gedichten kunnen een opzwepend ritme hebben, ze staan bol van energie:

nu moet ik terug naar m’n bloedjes
m’n bloedjes m’n bloedjes m’n bloedjes
en de holle rug van bimbo kat
railroad bum railroad bum
pikkieneessiemoraal hij meurt maar hij mag
en fokt me alleen als ik glimlach niet hinnik om een tot
    bockworst vermalen grap

(uit ‘ik zie ons ook niet snel kruislings plassen’, Underperformer (2005))

Hij weet hoe hij zijn publiek aan het lachen moet maken: ‘liever jouw hand in m’n broek dan m’n eigen hand in m’n broek / liever mijn eigen hand in m’n broek dan géén hand in m’n broek’ , schrijft hij in ‘Redial’. Maar zijn humor heeft meestal iets ongemakkelijks. Hetzelfde gedicht eindigt met de regels: ‘áls ik val val ik goed zo met m’n tanden op de stoep / want anders kun je net zo goed op je poten blijven staan.’
Van poetry slammer wordt hij een dichter die je in de eerste plaats geconcentreerd moet lezen, met name in de bundel Open mond (2013): die gedichten zijn korter, inhoudelijk lastiger en vragen van een eventueel publiek daarom een andere aandacht dan zijn eerdere gedichten. Dat wil niet zeggen dat zijn slam poetry altijd even eenvoudig is, al zal het publiek daar vanwege de swing beslist niet mee zitten.

De invloed van Bukowski is onmiskenbaar (in een enkel vroeg gedicht ook qua vorm): het overleven in een barre wereld, dronkenschap, een ruig leven, vrouwen. Daar hoort een dit-is-niet-voor-watjes-humor bij: ‘ik vond je trouwjurk mooi maar ik had er een string / onder gedragen of gewoon lekker in je blote pruim’. Of: ‘ik krijg nog steeds niet echt een harde van je / maar ik doog je je mag blijven.’

Veel van zijn werk wordt gekenmerkt door in cynisme verpakte wanhoop, het besef aan geen enkele verwachting te kunnen voldoen, het leven in een onleefbare wereld en een soms wat puberale bravoure. Zie bijvoorbeeld het volgende gedicht uit Underperformer (p. 106):

als de zon voorspelbaar en al vaker gezien gaap ondergaat
en de plaat met vogelgeluiden wordt verruild voor the best of
    kikkers en sprinkhanen

en jij met je knieën opgetrokken en je handen voor je gezicht
alsof je je jet met de schietstoel verlaten hebt zonder werkelijk
    geldige reden
alsof je niet wil zien wat ik voor je heb meegenomen en ik heb
    niets voor je meegenomen
je rammelt met een rammelaar
maar je hebt helemaal geen kinderen
en iedereen wil je toch alleen maar in je reet neuken
    dus je krijgt ook helemaal geen kinderen

maar vaak slaap je ook niet
dan dool je als een opwindrobot door het huis
en stoot mijn whisky’s om

en altijd de twintig jaar op notenhout gerijpte
nooit de jameson

Je zou kunnen kiezen voor een schijnwereld door jezelf anders voor te doen dan je bent, maar dat lost niets op. In de eerste ‘Serial prayer’, een serie van vijf prozagedichten uit Gospels en psalmen (2008) schrijft hij:

‘vraag me niet wie ik ben want dan moet ik zeggen wie ik ben en dan zal ik zeggen ik ben die en die en dan zul je me glazig aankijken en dan zal ik verder uitweiden en meer informatie geven net zolang tot je het snapt en dan zul je weten wie ik ben en dan zul je wensen dat je het niet geweten had en je zult me vragend aankijken en ik zal mijn plicht doen en zeggen dat het een grote grap was en ik zal je een totaal ander verhaal vertellen van wie ik ben en wat ik doe en waar ik voor sta en waar ik in geloof en waar ik een afkeer van heb en nu zul je op je knieën klappen van plezier ( … )’

Deze keuze leidt vervolgens tot oppervlakkige, stomvervelende social talk waarin echt contact onderbreekt. Overtuigend vind ik dit gedicht overigens niet; ondanks de ironie zou je het kunnen zien als een demonstratie van slachtofferschap.

Zonder tekort te willen doen aan zijn eerdere bundels: Open mond vind ik het best. De thematiek verschilt weinig van zijn voorgaande bundels: de verwerking van een scheiding, die soms onherroepelijk lijkt en soms een sprankje hoop geeft op een hereniging. De vorm is echter soberder dan in voorgaande bundels, waardoor er meer spanning op de inhoud komt te staan. Indrukwekkend vind ik het gedicht met de beginregel ‘er ligt een enge man onder mijn bed’, waarin de dichter een tot mislukken gedoemde poging doet een existentiële angst te bezweren door te doen of er niets aan de hand is:

er ligt een enge man onder mijn bed
om ‘m niet uit te dagen doe ik of ik slaap

en of ik wakker word als de wekker gaat
sta op ga naar het park alsof er niks aan de hand is

als ik thuiskom maak ik de geluiden die ik normaal ook zou
    maken
als ik al geluiden zou maken

dan doe ik of ik ga slapen en bonkt het in het donker in mijn
    oren
even blink ik maar het blijft niet als een tl-balk die zakt in teer
    licht ik op en dan al niet meer

Tot nu toe is het lijden aan het leven een constante in Harmens werk en in die zin is hij ‘echt’, zoals Tazelaar in zijn voorwoord opmerkt. De vorm verandert echter: van ‘meer van hetzelfde’ is geen sprake. Ik ben benieuwd naar zijn volgende bundel.

Recensie van Ik ben een bijl - Erik Jan Harmens

En Harmens vond dat het goed was

Erik Jan Harmens
Ik ben een bijl
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar ,Nijgh & Van Ditmar
2009
ISBN 9789038891071
€ 17,50
144 blz.

Het is een heel gedonder, een bloemlezing recenseren. De gedichten die er in staan zijn namelijk altijd te verschillend om in een stukje van zeshonderd woorden over één recensentenkam te scheren. Maar eigenlijk is het ook wel weer makkelijk. Want voor ieder gedicht dat er in staat staan er een paar duizend niet in, dus een lijstje van wat ontbreekt is gauw gemaakt. Zo ook bij Ik ben een bijl, samengesteld en ingeleid door Erik Jan Harmens. Guus Middag gaf in NRC Handelsblad een goede aftrap. Hij wond zich op over het criterium dat de dichters in Harmens’ bloemlezing na 2000 gedebuteerd moeten zijn. Het stak hem dat daardoor Atze van Wieren wel was opgenomen en onder andere Nachoem Wijnberg, Ingmar Heytze, Ruben van Gogh, Peter Ghyssaert, Peter Verhelst en Erik Menkveld niet. Van de dichters die wel aan het criterium voldeden miste hij er ook een hoop: Philip Hoorne, Willem Thies, Vrouwkje Tuinman, Victor Schiferli, Maarten Inghels, Ester Naomi Perquin, Hanz Mirck, David Troch, enzovoort. Willem Thies wist er daar op Poëzierapport nog een paar aan toe te voegen, waaronder Adriaan Jaeggi (aan wie de bundel overigens wel is opgedragen), Erik Solvanger, Martijn Benders en Edwin Fagel. Zelf heb ik ook een recensentenego en ondanks het vele voor mijn voeten weggemaaide gras kan ik als ontbrekende dichters nog Norbert de Beule, Geert Buelens en Hedwig Selles noemen.

Allemaal gezwets natuurlijk; ik bedoel, dat zijn stuk voor stuk dichters waar weinig mis mee is, maar als wij die dan zo graag in een bundel bij elkaar willen zien, dan moeten we ons eigen boekje maar maken. Een mening is tenslotte, zo sprak eens een groot dichter, net een kontgat: iedereen heeft er een.

Om de aandacht wat af te leiden van de grote mate van willekeur – of persoonlijke voorkeur – die de selectie van het werk voor dit soort bloemlezingen kenmerkt, voorziet de samensteller de bundel meestal van een soort van manifest waarin hij, uiteraard in zo vaag mogelijke termen, uitlegt waarom hij de gedichten heeft gekozen die hij heeft gekozen. En het voorwoord van Ik ben een bijl is in het genre een juweeltje. Of eigenlijk lijkt het bij nader inzien meer op een parodie op het genre. In willekeurig bij elkaar gezette kreten en in een krakkemikkige stijl stelt Harmens allerlei eisen aan gedichten die even abstract als onmogelijk zijn. ‘Ik wil poëzie die wordt afgewezen maar als een onder water gedrukte voetbal met een buts komt bovendrijven.’ Wat betekent dat in vredesnaam? Maar goed, voor de goede verstaander is de laatste eis die hij stelt de belangrijkste: ‘Ik wil de dichters wier poëzie u aantreft in dit boek.’
En dat is het. Alle gedichten die in dit boek staan, staan daar om één enkele reden: omdat Erik Jan Harmens ze er in wilde hebben. En dus heeft het geen enkele zin om je af te vragen waarom de bundel, na al het bombast, anticlimactisch opent met een paar wat brave gedichten van Maria Barnas, waarom er überhaupt, ondanks al die ronkende eisen, zo veel brave gedichten in staan, waarom Harmens ruimte heeft verspild aan die afgrijselijke zooi van Ilja Leonard Pfeiffer, waarom hij uit de prachtige debuutbundel van Lucas Hirsch nou juist het mindere gedicht ‘In leegte’ selecteerde, wat Lammert Voos, Eus en Alex van Warmerdam in dit boek te zoeken hebben of waarom er van Ramsey Nasr per se een gedicht van vijftien pagina’s in moest. Het is zo omdat Harmens het zo wilde. En het is goed.

Vaak is het zelfs erg goed. Zo komen we bijvoorbeeld ‘De dagelijkse taken…’ tegen van Mark Boog.

De dagelijkse taken

De dagelijkse taken: het oprichten van het standbeeld
dat ik ben geworden, het bedekken van het lijf, drinken
van koffie, het ontmantelen van de plannen van gisteren,

het enzovoort. Het nogmaals opschorten van ongeloof.

Ik geef me over aan je onthutsende aanwezigheid, je
ogen. Dat ze me zien is nog het vreemdste, dat ze

leven zijn en vol van tijd. De morgen bloeit onwetend
in je spiegel. Ik weet niet precies waarin je gelooft.

Volgt het handwerk van elke dag, het met almaar groter
vakmanschap vervaardigen van redenen en van excuses,

volgt de avond, dan de dood, die we ontwijken in ons
haveloze bed, die we bedriegen door heel stil te liggen.

Als dat een bijl is, doe mij er dan nog maar een paar. Verdere hoogtepunten zijn een grote selectie gedichten van de fantastische Saskia de Jong, ‘Billboard’ van Alexis de Roode, Nederlands enige echte jonge geëngageerde dichter, en werk van Ellen Deckwitz, Pim te Bokkel en Eva Cox.

Het voorwoord van deze bundel moeten we maar opvatten als een plaagstoot van een recensent aan zijn collega’s. Die hapten dan ook massaal. De verstandige lezer zal dat verder worst zijn. Hij leest geen voorwoorden, hij bladert door bloemlezingen en ontdekt van allerlei moois. En in dit boek is genoeg te ontdekken. Trouwens, bij Meander zijn we ook een bloemlezing aan het samenstellen. Deze komt als het goed is in januari uit en het manuscript is zo goed als klaar. Er moet alleen nog een voorwoord geschreven worden.