Robert Hass – gedichten

Vertaling: H.C. Ten Berge

GEVLEUGELD EN BIJTEND DONKER

Een zin met ‘gevlekte schaduw’ erin.
Iets onzegbaars
dat stiekem als een lijster
uit de ochtendstilte gutst.

De andere man, de officier, die uien bracht
en wijn en zakken meel,
de majoor met de opgezwollen knie,
wilde na afloop een intelligent gesprek.
Omdat ze geen keus had, voorzag ze ook daarin.

Potsdamer Platz, mei 1945.

Toen de eerste klaar was wrikte hij haar mond open.
Bashō vertelde Rensetsu sensationele stof te vermijden.
Indien de verschrikking van de wereld de waarheid behelsde,
zei hij, zou er niemand zijn om het te zeggen
en niemand om het tegen te zeggen.
Ik denk dat hij de beschrijving van het lichtelijk opgewonden
zwermen van insecten bij een waterval aanbeval.

Wrikte haar mond open en spuugde erin.
Wij geven deze dingen blijkbaar door
omdat we zijn wat we ons kunnen voorstellen.

Iets onzegbaars in de ochtendstilte.
De geest die hongert naar gelijkenissen. ‘Gevoelige hemel,’ enz.,
buigt het spoor van de zwaluw om in de lucht.

SEPTEMBER, INVERNESS

De Baai van Tomales is egaal blauw in de nazomerse hitte.
Dit is de tijd wanneer trekkers door het Inverness-gebergte
Op hun tenen staan om rijpe bosbessen te plukken
Waar de herten niet bij kunnen. Dit is het seizoen van stiltes –
Zilverreigers jagen in getijdensleuven, een lint
Van snippen fladdert over slikken, wit,
Niet wit. Een mistvlaag vervliegt in de baai.
Dit is het moment waarop je een glimp van zaligheid
Uit je ooghoek opvangt, terwijl je langs rijdt
Om boodschappen te doen, en de wind opsteekt,
En het watervlak er krachtig tegenin schittert.

DE TEPELS VAN MIJN MOEDER

(Fragment)

Ze zijn de bron waar alle ontworteling begint.
Men egaliseerde de hoogstgelegen bergwei in Squaw Valley,
waar de stalpaarden – twee vossen, een wit –
in de mist en de geur van nat gras op zomerochtenden graasden,
en maansopgang de schaduw van de uil op veldmuizen wierp en bosratten
scharrelden in de reuk van salie die de aarde na donker met de hitte
van de dag teruggaf aan de nachtlucht.
En nadat de timmerlui waren gaan spijkeren
en de elektriciens en loodgieters verschenen om nadere bijzonderheden
met de hoofduitvoerder te bespreken, plaatste iemand het groene bord
met bergmadelieven waarop Squaw Valley Meadows stond.
Ze hadden het diepgewortelde kluitgras uitgestoken
en de vochtige naar loogzout ruikende grond opzij geschoven
of met vrachtwagens weggewerkt, en ze stortten beton
en legden een wegdek – lekkere teergeur in de lentezon –

*
‘Hij wilde uit z’n bol gaan,’ zei ze,
‘dus zei ik hem over de tepels van zijn moeder te schrijven.’

*

Roze natuurlijk, zacht, die van een meisje –
ze droeg witte katoenen tenniskleding
in de stijl die Helen Wills populair had gemaakt.
Strakke atletische zwempakken.
Een kleine gestalte, stevig lijf. Op de foto’s
is ze op het strand, staat rechtop,
handen op heupen, grijnzend,
de ogen ook toen al wanhopig.

*

Moeders gaven geen borstvoeding in de jaren veertig.
Ik zag haar nooit naakt. O ja! Toch wel,
eenmaal, maar ik herinner me niets. Ik herinner me
dat ik het niet wilde.

EZRA POUNDS GRONDSTELLING

Schoonheid is seksueel, en seksualiteit
Is de vruchtbaarheid van de aarde en de vruchtbaarheid
Van de aarde is economie. Ofschoon hij op het punt van financiën
Geen aanbeveling voor dichters is,
Dacht ik aan hem in de drukkende hitte
Van nachtelijk Bangkok. Niet ouder dan veertien slentert ze op je af
Buiten het Shangri-la Hotel
En zegt in verstaanbaar Engels,
‘Wat denk je van een feestje, stoere jongen?’

Zo gaat het min of meer in z’n werk:
De Wereldbank regelt het krediet waarna de stuwdam
Driehonderd dorpen onder water zet en de dorpelingen hun weg vinden
Naar de stad waar hun dochters in de bomvolle straten oplossen,
En de grote turbines van de dam, knap gefabriceerd
In Lund of Dresden of Detroit, gefinancierd
Door Lazard Frères in Parijs of de Morgan Bank in New York,
Mogelijk gemaakt door slimme donaties van Bechtel uit San Francisco
Of Halliburton uit Houston aan de plaatselijke politieke elite,
Aangedreven door de kracht van stromend water
Korven van glinsterend zilver zijn geworden,
Die stroomafwaarts dat blauwige flakkerlicht werpen
Over haar jukbeenderen en haar lieftallige huid.

HOGE VENSTERS

De hele dag heb je niet gehuild of geschreeuwd, en had je zin om te slapen. Het verlangen om te slapen leek op het doven van gloeilampen als er een krachtig apparaat aanslaat. Je herkende dat. Zoals het je op school werd uitgelegd dat pus een moedig leger van witte bloedlichaampjes was dat zich op de kwaadaardige indringer wierp en stierf. In een trein door Nederland rijdend merkte je op dat zelfs het afval op de schroothopen netjes werd opgestapeld. Er waren libellen in de velden naast de waterwegen, keurige huisjes, hoge vensters. In Leiden werd het huis van Descartes, in de straat buiten de universiteit, weerspiegeld in de gracht. Er was een tweetal zwanen en een gevoel dat alle mensen op straat, zonder haast of vrees, punctueel hun afspraken zouden nakomen. Zwanen en spiegels. En Descartes. Je kon gemakkelijk vaststellen hoe deze Europese rust een dichter als Mallarmé zou voortbrengen, een burgerlijke kunst als het symbolisme. En je vond de collectieve ordelijkheid niet verachtelijk, de manier waarop het personeel in de winkels de bankbiljetten zorgvuldig in de kassa’s opborg met de afbeelding van de koningin naar boven. In het huis naast dat van Descartes was een joodse hoogleraar in 1937 gestorven. Zijn echtgenote was een Nederlandse vrouw met streng calvinistische overtuigingen die met twee zonen was achtergebleven. Toen de Duitsers in 1940 binnenvielen ging ze naar de rechtbank, waar ze op meinedige wijze verklaarde dat haar kinderen waren verwekt tijdens een onwettige affaire met een niet-jood; en toen ze in 1943 tuberculose kreeg ruilde ze paspoorten met een joodse vriendin, omdat ze toch zou sterven, en nam plaats in de trein naar de kampen. Haar zonen gaven haar een afscheidskus op het perron. Met open ogen. Wat je wakker hield was een gevoel dat alles in de wereld z’n eigen maat heeft, dat het kalm en licht zou zijn als je de juiste maat tussen uitzetten en krimpen ontdekte.

KIND DAT BLOEMEN BENOEMT

Toen oude vrouwtjes in de bossen zwierven
was ik de held op de heuvel
in helder zonlicht.

De honden van de dood vreesden mij.

Geur van wilde venkel,
hoge vliering van zoet fruit in de bovenste takken
van de bloeiende pruim.

Dan word ik omlaag gegooid
in de gruwel van de kindertijd,
in de spiegel en de vettige messen,
de donkere
houtstapel onder de vijgenbomen
in het duister.
Het zijn slechts
de kwaadaardige stemmen, de oude verschrikking
die niets voorstelt, ouders
ruziënd, iemand
dronken.

Ik weet niet hoe we het overleven.
Op deze zonnige ochtend
in mijn leven als volwassene kijk ik
naar één lichte zuivere perzik
op een schilderij van Georgia O’Keeffe.
Zij is een en al volheid in het aanwezige
licht. Een Californische mus wroet in de bladeren
buiten mijn open deur.
Dat doet hij altijd.

Ik voelde me daarnet zo ziek
en koud
dat ik me nauwelijks kon verroeren.