Niels Hav – gedichten

Als ik blind word

Liefde maakt blind –
en elke dag als de blinde
hier voorbij komt trippelen met zijn stok,
valt het verkeer een kwart seconde volkomen stil,
terwijl Gods engelen opstijgen en neerdalen –
en de oogarts zijn kliniek sluit.

Liefde maakt blind,
maar seks is onschuldig: aan mijn ogen mankeert niets,
ik zie alles.

Daarom mislukken al mijn liefdesgedichten.
Met gesloten ogen fluister ik in de telefoon,
en buiten voor het station staat de blinde
als een heilige evangelist
en neuriet in de regen
– gehandicapt door de liefde.

Pas verliefden kussen elkaars vingertoppen,
dat weet ik best.

*

Når jeg bliver blind

Kærlighed gør blind –
og hver eneste dag når den blinde
kommer trippende her forbi med sin stok,
går trafikken fuldstændig i stå et kvart sekund,
mens Guds engle stiger op og ned –
og øjenlægen lukker sin klinik.

Kærlighed gør blind,
men sex er harmløst: Mit syn fejler intet,
jeg kan se alt.

Det er derfor mine kærlighedsdigte er så mislykkede.
Med lukkede øjne hvisker jeg i telefonen,
og uden for stationen står den blinde
som en hellig evangelist
og nynner i regnen
– invalideret af kærlighed.

De nyforelskede kysser hinandens fingerspidser,
det ved jeg godt.

**

Bezoek van mijn vader

Mijn overleden vader komt op bezoek
en gaat weer in zijn stoel zitten, die ik kreeg.
Zo, Niels! zegt hij.
Hij is bruin en sterk, zijn haar glimt als zwarte lak.
Vroeger versleepte hij andermans grafstenen
met stalen stang en kruiwagen, ik hielp hem.
Nu heeft hij zijn eigen steen versleept.
Hoe gaat het? zegt hij.
Ik vertel hem alles, al mijn plannen,
de mislukte pogingen. Aan het prikbord
hangen zeventien rekeningen. Gooi ze weg,
zegt hij, ze komen wel weer!
Hij lacht.
Jarenlang was ik hard voor mezelf,
zegt hij, ik lag wakker en piekerde
hoe een fatsoenlijk mens te worden.
Dat is belangrijk!

Ik bied hem een sigaret aan,
maar hij is gestopt met roken.
Buiten zet de zon daken en schoorstenen in brand.
Vuilnismannen maken lawaai en roepen naar elkaar
beneden in de straat. Mijn vader staat op,
loopt naar het raam en kijkt naar hen.
Ze hebben het druk, zegt hij, zo hoort het ook.
Doe iets!

*

Besøg af min far

Min døde Far kommer på besøg
og sætter sig i sin stol, den jeg fik.
Nå Niels! siger han.
Han er brun og stærk, hans hår skinner som sort lak.
Engang flyttede han rundt på andres gravsten
med stålstang og sækkevogn, jeg hjalp ham.
Nu har han flyttet sin egen
selv. Hvordan går det? siger han.
Jeg fortæller ham det hele,
mine planer, alle de mislykkede forsøg.
Inde på opslagstavlen hænger der sytten regninger.
Smid dem væk,
siger han, de skal nok komme igen!
Han smiler.
I mange år var jeg på nakken af mig selv,
siger han, jeg lå vågen og spekulerede
for at blive et ordentligt menneske,
dét er vigtigt!

Jeg byder ham en cigaret,
men han er holdt op med at ryge nu.
Udenfor tænder solen ild i alle tage og skorsten,
skraldemændene larmer og råber til hinanden
nede i gaden. Min Far rejser sig,
går hen til vinduet og ser ned på dem.
De har travlt, siger han, sådan skal det være.
Bestil noget!

**

Laat me je borsten zien

Als ik honger heb, denk ik aan je borsten,
die ik nooit te zien kreeg,
en aan je Russische blik in het voorbijgaan,
terwijl je passief en rusteloos rondkijkt in het café
als een van de drie melancholieke zusters van Tsjechov,
die de hele tijd thee drinken, terwijl ze praten
over naar Moskou reizen.

O, laten we gaan dansen vannacht
in een nachtcafé in Moskou.

Zo ingewikkeld is het bestaan geworden.
En dan speel je ook nog piano en woon je met uitzicht
op een kerkhof, waar de winterzon
de hele middag staat na te denken
tussen de grafstenen.

O, laten we gaan dansen vannacht
in een nachtcafé in Moskou.

Als ik honger heb, denk ik aan je borsten,
je Russische mond, het gelige licht in je keuken,
dat ik ook nooit te zien kreeg,
en aan je kuise polsen als je brood snijdt
en langzaam opeet terwijl je uit staat te kijken
over het kerkhof en afwezig luistert
naar een wilde symfonie van Rachmaninov.

O, laten we gaan dansen vannacht
in een nachtcafé in Moskou.

Maar hij die aarzelt verdoet zijn tijd: ik
wil je borsten zien! Tsjechov dronk champagne op zijn doodsbed en Rachmaninov stierf in de VS;
dat zwarte gat wacht ons allemaal. Dus kom
zoals je bent, laten we naar Moskou gaan!
O, ik wil dansen met jou vannacht
in een nachtcafé in Moskou.

*

Vis mig dine bryster

Når jeg er sulten, tænker jeg på dine bryster,
som jeg aldrig fik set,
og på dit russiske blik i forbifarten,
mens du passiv og rastløs kigger rundt i lokalet
som af de tre melankolske søstre hos Tjekhov,
der hele tiden drikker te, mens de taler
om at rejse til Moskva.

Åh, lad os danse sammen i nat
på en natcafé i Moskva.

Så indviklet er tilværelsen efterhånden.
Og så spiller du endda piano og bor med udsigt
over en kirkegård, hvor vintersolen står
og spekulerer hele eftermiddagen
mellem gravstederne.

Åh, lad os danse sammen i nat
på en natcafé i Moskva.

Når jeg er sulten, tænker jeg på dine bryster,
din russiske mund, det gullige lys i dit køkken,
som jeg heller aldrig fik set,
og på dine kyske håndled, når du skærer
brød af og langsomt spiser og imens står og ser
ud over kirkegården og åndsfraværende lytter
til en vild symfoni af Rakhmaninov.

Åh, lad os danse sammen i nat
på en natcafé i Moskva.

Men den der tøver spilder sin tid: Jeg
vil se dine bryster! Tjekhov drak champagne
på dødslejet, og Rakhmaninov omkom i USA;
det sorte hul venter os alle. Så kom bare
som du går og står, lad os tage til Moskva!
Åh, jeg vil danse med dig i nat
på en natcafé i Moskva.

**

Bekentenis

De winter is zo wreed,
daarom heeft hij te allen tijde de voorkeur
boven de hysterische zonsondergangen van de zomer,
waar niemand zich tegen kan wapenen.
Net zoals vrouwen op zaterdagavond altijd de voorkeur geven aan die ellendige schooier, verminkt door het leven,
boven die lieve vent die zijn oor leende
aan hun gehuilde bekentenissen.
Ik begrijp ze heel goed: alleen moeders
en gekken kunnen dat gesnotter verdragen –
net zoals ieder normaal mens
zomerzondagen haat; vooral bij zonsondergang.

*

Betroelse

Vinteren er så brutal,
derfor er den til hver en tid at foretrække
frem for sommerens hysteriske solnedgange,
som ingen kan gardere sig imod.
Ligesom kvinderne lørdag aften altid foretrækker
en led stodder, skamferet af tilværelsen,
frem for den søde fyr der lagde øre
til deres hulkende betroelser.
Jeg forstår dem udmærket: Kun mødre
og åndssvage kan klare det snot –
ligesom alle normale hader
sommersøndage; især ved solnedgang.

**

Mijn fantastische pen

Ik schrijf het liefst
met een gebruikte balpen gevonden op straat,
of een reclamepen, het liefst van de elektricien,
het tankstation of de bank.
Niet alleen omdat ze goedkoop zijn (gratis),
maar ik stel me voor dat zulk schrijfgerei
mijn geschrijf verbindt met de industrie,
het zweet van vaklui, directiekantoren
en de mystiek van het bestaan.

Eens schreef ik sierlijke gedichten met een vulpen
– zuivere lyriek over helemaal niets –
maar tegenwoordig wil ik stront op papier,
tranen en snot.

Poëzie is niet voor watjes!
Een gedicht moet net zo eerlijk zijn als de aandelenindex
– een mengsel van feiten en pure bluf.
Waar ben je uiteindelijk te goed voor?
Niet zoveel.

Daarom houd ik een oogje op de obligatierente
en andere serieuze papieren. De aandelenbeurs
is deel van de werkelijkheid – net als gedichten.
En daarom ben ik zo blij met deze balpen
van de spaarbank, die ik vond op een inktzwarte nacht
voor een gesloten kruidenierswinkel. Hij ruikt
zwakjes naar hondenpis en schrijft fantastisch.

*

Min fantastiske pen

Jeg skriver helst
med en brugt kuglepen fundet på gaden,
eller en reklamepen, gerne fra el-installatøren,
tankstationen eller banken.
Ikke kun fordi de er billige (gratis),
men jeg forestiller mig ar sådan noget skrivegrej
vil fusionere min skrift med industrien,
specialarbejdernes sved, direktionskontorerne
og hele tilværelsens mystik.

Engang skrev jeg sirlige digte med fyldepen
– ren lyrik om det rene ingenting –
men i dag vil jeg godt have lort på papiret,
gråd og snot.

Poesi er ikke for tøsedrenge!
Et digt må være lige så ærligt som aktieindekset
– en blanding af realiteter og regulært bluff.
Hvad er man efterhånden for fin til?
Ikke ret meget.

Derfor holder jeg øje med obligationsrenten
og de seriøse papirer. Fondsbørsen
hører med til virkeligheden – ligesom digte gør.
Og derfor er jeg så glad for den her kuglepen
fra Bikuben, som jeg fandt en blæksort nat
foran en lukket kiosk. Den lugter
svagt af hundepis og skriver fantastisk.

**

Onverwacht geluk

Mijn gedichten zijn nog steeds net zo lelijk
als bushokjes langs verlaten weggedeelten
ver weg van de hoofdwegen,
waar schoolkinderen en gepensioneerden
staan te wachten op de bus.

Ze verfraaien niet
en de mensen pissen er tegen,
nu ze er toch zijn. Ze worden armzalig
gedecoreerd met anonieme vloeken
en nieuwe strijdkreten. Hier hangen de vertrektijden.

In mei staat iemand buiten te luisteren
naar de zangleeuwerik die de wachttijd verzoet
met zijn frivole concert
over de zoete zomerwind
en dauwdiamanten.

Maar als de melancholieke vampiers van de winter
vrij rondzwerven in de verlatenheid,
en een kus in de voorsteden zeldzamer is
dan een UFO, willen mijn lelijke bushokjes
graag samen met jou staan wachten –

Tot de bus komt. Ook ik verlang
wanhopig naar het vinden van dat ene enigmatische
woord dat vrijmaakt wie ik ben –
een mysterie van onverwacht geluk
midden in de winterse vertrektijden.

*

Uventet lykke

Mine digte er stadig lige så grimme
som læskurene på øde strækninger
langt væk fra hovedvejene,
hvor skolebørn og pensionister
står og venter på bussen.

De pynter ikke,
og folk pisser på dem,
nu de er her. De bliver nødtørftigt
dekoreret med anonyme forbandelser
og nye slagord. Her hænger køreplanen.

I maj står nogen udenfor og lytter
til sanglærken, som forsøder ventetiden
med sin frivole koncert
om Somrens Zephyrpust
og Morgendiamanter.

Men når vinterens melankolske vampyrer
strejfer frit omkring i ødemarken,
og et kys i forstæderne er sjældnere
end en UFO, vil mine grimme læskure
gerne stå og vente sammen med dig –

Til bussen kommer. Også jeg længes
desperat efter at finde dét enigmatiske
ord som forløser den man er –
et mysterium af uventet lykke
midt i vinterkøreplanen.

**

Ter verdediging van de dichters

Wat moeten we met de dichters?
Zij hebben het slecht,
ze zijn zo hartverscheurend in hun zwarte kleding,
blauwbevroren door inwendige poolstormen.

De poëzie is een verschrikkelijke pest,
de zieken lopen jammerend rond,
hun geschreeuw verpest de atmosfeer als uitstoot
van mentale atoomcentrales. Het is zo psychisch.
De poëzie is een tiran;
zij houdt de mensen ’s nachts wakker en verpest huwelijken,
zij verjaagt de mannen naar verlaten zomerhuisjes midden in de winter,
daar zitten ze gekweld met oorwarmers en sjaals.
Een vreselijke foltering.

Poëzie is een plaag,
erger dan gonorroe – een afschuwelijke pest.
Denk aan de dichters, ze hebben het moeilijk,
heb medelijden met hen!
Ze zijn hysterisch als een hoogzwangere tweelingmoeder,
ze knarsetanden in hun slaap, eten modder
en gras. Ze staan urenlang buiten in de storm
geplaagd door onbegrijpelijke metaforen.
Elke dag is voor hen een hoogtijdag.

O, wees barmhartig voor de dichters,
ze zijn doof en blind,
help hen in het verkeer, waar ze rond strompelen
met hun onzichtbare handicap: ze herinneren zich
van alles. Af en toe blijft er een staan
luisteren naar een verre sirene.
Heb geduld met hen.

Poëten zijn als geestesgestoorde kinderen
van huis verjaagd door de hele familie.
Bid voor hen;
ze zijn ongelukkig geboren –
hun moeders hebben om hen gehuild,
doktershulp en rechtsbijstand gezocht,
totdat ze het maar opgaven
om hun eigen verstand niet te verliezen.
O, huil om de poëten!

Voor hen is er geen redding.
Besmet met lyriek als stiekeme melaatsen
zitten ze opgesloten in hun eigen fantasie –
een onaangenaam getto, vol demonen
en kwaadaardige spoken.

Wanneer je op een mooie zonnige zomerdag
een arme dichter uit een portiek
ziet wankelen, bleek
als een lijk en ontsiert door speculaties –
ga hem dan helpen!
Bind zijn veters, neem hem mee
naar het park en zet hem op een bank
in de zon. Zing wat voor hem,
geef hem een ijsje en vertel hem een sprookje;
hij heeft het zo slecht.
Hij is helemaal kapot van de poëzie.

*

Til digternes forsvar

Hvad skal vi gøre med digterne?
Dem er det synd for,
de er så hjerteskærende i deres sorte tøj
blåfrosne af indvendige polarstorme.

Poesien er en frygtelig pest,
de smittede går rundt og jamrer sig,
deres skrig forgifter atmosfæren som udslip
fra mentale atomkraftværker. Det er så psykisk.
Poesien er en tyran;
den holder folk vågne om natten og ødelægger ægteskaberne,
den driver mænd ud i øde sommerhuse midt om vinteren,
der sidder de forpinte med høreværn og halstørklæder.

Poesi er en plage,
værre end gonoré – en grusom pestilens.
Men tænk på digterne, de har det hårdt,
bær over med dem!
De er hysteriske som højgravide tvillingemødre,
de skærer tænder i søvne, spiser jord
og græs. De står i timevis udenfor i blæsten
plaget af ufattelige metaforer.
Hver dag er en højtid for dem.

Åh, hav barmhjertighed med digterne,
de ere døve og blinde,
hjælp dem i trafikken, hvor de vakler rundt
med deres usynlige handicap: De husker
alt muligt. Af og til standser en af dem op
og lytter efter en fjern udrykning.
Vis hensyn.

Poeterne er som sindssyge børn
jaget hjemmefra af den samlede familie.
Bed for dem;
de er født ulykkelige –
deres mødre har grædt over dem,
søgt lægehjælp og juridisk bistand, indtil de bare gav op
for at frelse deres egen forstand.
Åh, græd over poeterne!

Dem er der ingen redning for.
Befængt med lyrik som hemmeligt spedalske
er de spærret inde i deres egen fantasi –
en uhyggelig ghette, fyldt med dæmoner
og ondskabsfulde spøgelser.

Når du på en klar sommerdag med strålende sol
ser en stakkels digter
komme vaklende ud fra en opgang, bleg
som en dødning og vansiret af spekulationer –
så gå hen og hjælp ham!
Bind hans snørebånd, tag ham med
over i parken og sæt ham på en bænk
i solen. Syng lidt for ham,
giv ham en is og fortæl ham et eventyr;
han er så ked af det.
Han er helt ødelagt af poesi.

Vertaling: Jan Baptist