Recensie van Als werden wij ergens ontboden - Miriam Van hee

Het verloren paradijs van de moeiteloosheid

Miriam Van hee
Als werden wij ergens ontboden
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023449843
€ 17,90
57 blz.

Miriam Van hee heeft haar nieuwe bundel Als werden wij ergens ontboden een motto van de Zwitserse schrijver Robert Walser (1878-1956) meegegeven: ‘Je hoeft niet zoveel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Walser was een ingetogen, licht waanzinnige schrijver die zich niet geheel thuis voelde in dit leven. Vanuit dat levensgevoel schreef hij eens over Mozart dat die ons voert ‘naar het verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Misschien is dat wel hetgeen waarnaar niet alleen Walser maar ook Van hee verlangt in de natuurgebieden waar ze ons mee naartoe neemt. Het motto van de bundel verwoordt precies de wijze waarop zij zich in haar poëzie verhoudt tot de werkelijkheid. Met haar personifiërende waarnemingen van de natuur creëert zij haar eigen binnenwereld. Zodoende neemt ze in een glimp het ongewone aan het gewone waar en toont ons de werkelijkheid op een ongeziene wijze.
     Deze nieuwe bundel bestaat uit zes afdelingen. De eerste afdeling, gewijd aan een verblijf op Texel, is titelloos. De overige afdelingen met titel zijn gesitueerd in Estland, Rusland en Frankrijk. De weidsheid, het ingetogen landschap van de noordelijke streken, het verlate Franse berglandschap én de verloren tijd dragen bij aan haar beschrijving van een innerlijke weg naar wat zich moeilijk laat betreden, naar herinneringen en naar dromen. In de schrale landschappen staat het verblijf van het lyrisch subject in het teken van haar zoektocht naar een ‘moederland dat je vergeten bent’. Een herinnering, een droom, een verlangen naar een ‘uitzicht’ dat niets in de weg zou staan, is hetgeen waarop Van hee in veel van haar gedichten uit is. Zo onderkent ze bij eenvoudig tot armoedig levende mensen in het verlate (berg)landschap van ‘le villaret’ een levenshouding waaruit moeiteloosheid en een onveranderlijkheid van de dingen spreekt, zoals zich ‘het licht // en de schaduw over het blauwe graniet’ werpt.
     Tijdens de bezoeken aan natuurgebieden in Europa wijst Van hee op kleine veranderingen, niet alleen in het landschap, in de bewegingen van mens en dier, maar ook in de wolkenformaties. Het is niet spectaculair wat zij opmerkt, maar wel vol aandacht en empathie, en daardoor opmerkelijk bijzonder. In de ‘wandeling op texel’ zijn er tal van momenten waarop de wij er zich over verbaast dat de hooglanders die ‘eruit zien alsof ze nog / de oertijd hebben meegemaakt’, zich niet afvragen dat de natuur is zoals zij is. De wij staan er in het gedicht ‘pinguïns’ even bij stil of deze vogels zich voor de afsprong van de kust vrienden hebben gemaakt, of ze heimwee of verlangen kennen, want ze zullen elkaar nadien nooit meer zien. Mensen zijn voortdurend bezig te ‘gissen naar betekenis’ en met het toekennen van woorden aan wat ze waarnemen en ervaren. Daarmee verschaffen ze zich overzicht en inzicht in wat hen omringt, maar tegelijkertijd nemen ze op die wijze afstand tot hun directe omgeving. Dieren stellen zich daarentegen niet boven of buiten hun leefomgeving, maar gaan er in op. Dit gepersonifieerd uitlichten van een natuurlijke omgeving biedt haar de mogelijkheid om zich het landschap in al zijn verschijningsvormen toe te eigenen.

wandeling op texel

de hooglanders bewegen, wij wandelen, zij lopen
in de weg, wij omzeilen, ze zien eruit alsof ze nog
de oertijd hebben meegemaakt, wij schrijven
onze tijd met verzen vol, over hoe er gras kan
groeien op het zand, we gissen naar betekenis,
zij niet en wij vergissen ons, zij grazen traag, ook

als het regenen begint en het uitzicht minder scherp
wordt, wij keren langs de zee terug waar strandlopers
spelen met de waterlijn, hun tere knietjes zitten
aan de achterkant, ze eten zand en zijn niet bang
van grote meeuwen op de uitkijk, en de wind
die ons huilend doet verlangen raakt ze niet

De tweede afdeling ‘Een maand aan het meer’, bestaande uit drie gedichten, benadrukt nog eens de afwezigheid van de mens in dit berglandschap. Wel zijn er in dit landschap de ‘verre claxons [die] in de vochtige / lucht roepen als eenzame zielen’. Dit verlaten landschap roept het verlangen bij de je op om er een vingerafdruk achter te laten. De dieren ‘lieten zich niet bidden, de woorden evenmin’. De natuur maakt sprakeloos, straalt iets onaantastbaars uit. Het enige levensteken waaruit de jij zou kunnen afleiden dat hij niet onopgemerkt is gebleven, zou gelegen kunnen zijn in ‘een / lila klokje  [dat] trilde na een schouderklopje van de wind’
     De derde afdeling ‘Een kleine vallei’ heeft wandeltochten rond de berg ‘Mont lozère’ tot onderwerp. Het gedicht ‘wolken in bassurels’ is thematisch een veelzeggend gedicht, mede omdat daarin de titel van de bundel is opgenomen. De wandelaars hebben boven zich een ‘dun wolkendek dat niet bewoog’; onder hen snellen andere wolken ‘als laatkomers op de vergadering // als stellen voorbij naar het zuiden’. Ze bevinden zich tussen de wolkenpartijen in. Dit beeld doet mij herinneren aan het beroemde schilderij van Caspar David Friedrich (1774-1840)  ‘Der Wanderer über dem Nebelmeer’. Het geheimzinnig en onheilspellend spel van de wolken, licht en duisternis houdt de wandelaars in zijn ban.  

halverwege rustten we uit, we konden de
luchtlagen zien, hoog boven ons hing een
dun wolkendek dat niet bewoog, daaronder
snelden als laatkomers op de vergadering

stellen voorbij naar het zuiden, waar zij zich
ophoopten in een donkere grot in de lucht,
daarvandaan werd wind naar ons toe
gespeeld, een overschot dat naar believen

huishield in de bomen die ons omringden,
wij hervatten de klim tussen de doornen, maar
die donkere grot kwam ons te na, als werden

wij ergens ontboden, het was nog te vroeg, we
wankelden maar we lieten de aarde niet los
we hielden elkaar stevig vast en weerstonden

Deze tocht lijkt een sublieme ervaring te verwoorden. De aantrekkingskracht die ervan uitgaat, is moeilijk te weerstaan. Met dit ‘wolkenspel’ lijkt iets als een ‘hemelvaart’ op handen te zijn. Hier raakt het lyrisch subject aan het ‘verloren paradijs van de moeiteloosheid’. Het landschap roept herinneringen op aan vroeger tijden, aan mirakels, aan verdwenen gebruiken. Achtergebleven handafdrukken, tekeningen op de wand van grotten zetten de verbeelding bij het lyrisch subject in werking. Het lijkt alsof niet de mensen voor het landschap, maar het landschap voor de mensen zorg draagt: ‘het waakte, traag en vasthoudend, / de man voelt de avond komen met vorst, met // stille tred, lichtvoetig, maar nog even niet’.
     In de vierde afdeling ‘tussen wal en schip’ staan gedichten die teruggrijpen op veelzeggende herinneringen die zich als droomflarden aandienen. Het gevoel van de ik in verschillende levensfasen tussen wal en schip te vallen vindt uitdrukking in de gedichten uit deze afdeling. In het gelijknamige gedicht is de ik met haar ouders op bezoek bij vrienden die, zoals dat in een droom kan gebeuren, hun derde kind verstopten. Een vlucht uit de stad volgt. Op wonderbaarlijke wijze ‘brandde [het kind] zich aan het papier en ik // vermocht het niet te troosten’. In dit droomgedicht klinkt een vergeefsheid, verlatenheid en machteloosheid op: ‘verder fietsen over land, zonder / kwitantie, zonder geld en zonder kind’. De overige gedichten uit deze afdeling raken aan bizarre en onnavolgbare droomfragmenten waarin de ander onbereikbaar blijft, de wetten van de zwaartekracht worden getrotseerd en adembenemende taferelen zich in de verbeelding voltrekken.
     In de vijfde afdeling ‘De weekendtrein naar Volchovstroj’ trekt aan de je ‘het groen voorbij met vlekken / van seringen, een gordijn van berkenstammen / als in droomlandschappen’. In de lente trekken mensen uit de stad in het weekend er op uit nu het langer licht wordt. Van hee weet prachtig de geur van het platteland mee te nemen naar de stad ‘waar in de metro dagenlang / de geur van dille en van opgelegde uien hangt’. Het lieveheersbeestje dat van beneden naar boven en terug over de treinruit kruipt, illustreert deze wekelijkse beweging van de treinreizigers. In het gedicht ‘rijm is het probleem’ speelt rijm en ritme bij het vertalen van Russische teksten een voorname rol, omdat ze in overeenstemming dienen te zijn met ‘het rijm en ritme van / golfslag of hart’. Het heeft te maken met ‘de russische / treinen die wiegend in juni door weelderig / groen met hun wielen de maat slaan’. In dit gedicht is de reis door het Russische landschap de bedding waarbinnen het wachten op het juiste rijmwoord – passend in het juiste ritme – ‘als bergen van afmattend werk’ wordt ervaren.
     In de laatste afdeling ‘lente in käsmu’, ontstaan in het schrijversverblijf te Käsmu in Estland, gaat Van hee een dialoog aan met de wereld om haar heen en ver weg. De dennen en vogels doen haar bewust zijn van haar ziel die zich moet verankeren door het brood te eten. Op een geheel natuurlijke en profane wijze vlecht Van hee hier de eucharistieviering in haar poëzie. De bevreemding is gewekt. Ze maakt daardoor de werkelijkheid in deze cyclus transcendent. De ik spreekt als ware hij een heilige Franciscus tegen de vogels en herinnert zich tijdens Pasen dagen aan het gezinsvolle strand. De ik stuit op vroegere voornemens en ambities: ‘je talen / te kennen, de weg te vinden, naar huis’. Dat betekent vooral jezelf te worden. Het blijkt moeilijk te zijn daadwerkelijk contact te maken met het moederland, maar er is wel ‘een goudvink op het terras’ als teken van verbinding.
     Net zoals de vogels zoekt de ik in haar geïsoleerde positie een ’samenzijn tussen twee eenzaamheden’ door. De versvorm die Van hee in deze cyclus gebruikt, is net zo grillig als de gedachtesprongen die ze maakt. Hoe moeilijk het is de eenzaamheid te verdragen, spat van de pagina’s af. Het ‘kabbelen van de baai’ schenkt voor even gemoedsrust, terwijl ze de ander bij zich wil voelen. Een kuifmees lijkt zich echter bewust van haar aanwezigheid en wijst haar de weg: het bos uit. Hoe moeizaam de contacten met het moederland ook verlopen, in de natuur is voor de ik de weg gelegen, ‘het bos uit’, naar het licht, naar het paradijs van de moeiteloosheid’. Staren uit het raam met uitzicht op de paradijselijke natuur blijft nog altijd de positie die Van hee inneemt om vanuit haar eenzaamheid transcenderende poëzie in zich te voelen opkomen. Deze melancholische poëzie vindt bovenal haar troost in de natuur.

***
Miriam Van hee (1952) is dichteres en slaviste. Haar poëzie is vertaald in tien talen en werd bekroond met de Jan Campert-prijs, de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap en de Herman de Coninckprijs. Haar voorlaatste bundel Ook daar valt het licht (2013) werd genomineerd voor de VSB – Poëzieprijs.

Recensie van Ook daar valt het licht - Miriam Van Hee

Licht valt altijd daar waar je het niet verwacht

Miriam Van Hee
Ook daar valt het licht
Uitgever: De Bezige Bij
2013
ISBN 9789023479017
€ 16,50
48 blz.

Sinds ik begin jaren negentig van de vorige eeuw voor het eerst het werk van Miriam Van hee in handen kreeg, valt het mij op dat haar werk zich is blijven kenmerken door een bewogen rust en een peinzende stilte: een vleugje wind dat opsteekt en gaat liggen als het gedicht weer in de oneindigheid opgaat. Van hee is een dichter van de subtiele beschrijving van veranderingen. Hoe vaker je haar gedichten leest, hoe meer ze prijsgeven. Ze zijn van een ongewone eenvoud en ongedwongen echtheid. Er moet hard aan deze poëzie zijn gewerkt. Nog altijd geen hoofdletters en eindpunten, wel strofebouw. Het gedicht begint dikwijls met een alledaagse opening: ‘beneden ligt het dorp,/’, ‘daar gaat in een bootje mijn vader te water/’, maar soms opent het met woorden die in de droom thuishoren: ’ik wilde mijn droom in een droom vertellen/’, ‘de slaapdronken trein reed tegen de huizen/’. Ze weet op een natuurlijke wijze droom en werkelijkheid te vermengen.

Je treedt in haar nieuwste bundel Ook daar valt het licht een wereld van het ‘sur place’ binnen: waarnemen, over-, door- en inzien. Of je nu in het heden rondwaart, in het verleden of de droom rondkijkt, al die waarnemingen gaan gepaard met een grote intensiteit, overigens zonder enige krampachtigheid, min of meer bij geval in beeld gekomen, maar ze zetten het denken, gewaarworden en voelen van de ik wel sterk in beweging.
De beelden zijn veelal niet spectaculair, maar de gevoelens die ze oproepen zijn verreikend, zoals in het in memoriam gedicht, gewijd aan Rutger Kopland. De ik bevindt zich op de dag van zijn dood in een lege ondergrondse feestzaal met de afmetingen van een kathedraal, sprookjesachtig verlicht.

er groeide niets
alleen taarten van marmer en toortsen van steen
en ik vroeg me af waar je was, hoe kon je geloven
in leegte, wij wilden naar boven terug, waar de wind

ons alle kanten op dreef en wij teweer moesten staan

Van hee weet de leegte van de ondergrondse ruimte hier te verbinden met de dood en de levensbeschouwing van de dichter én haar eigen dichterschap. Een situatie die de ik naar buiten en boven drijft en vervolgens doet zeggen:

ik voelde de steen in mijn jaszak het vocht in mijn keel
het kind gaf geen antwoord en stelde geen vragen
zijn hand voelde zacht en warm in mijn hand, ik wist

dat je nergens meer was, de gedachte dreef
vruchteloos rond in de schemering die uit de dennen
vandaan was gekomen, zich tussen de mensen
bewoog en ons voorzichtig het zwijgen oplegde

Het kind gaf geen antwoord en stelde geen vragen meer. De droomgestalte van het kind herinnert aan Nijhoffs schrijvend en starend kind. De geest van de dichter is overleden. De gedachten die uit de bossage opklinken, leggen de mensen voorzichtig het zwijgen op. Ze wachten op nieuwe dichters als …. Van hee. Een prachtig gedicht over de doorklinkend stem over de dood van dichters heen.

De bundel bestaat uit vier afdelingen, ongelijk van omvang. De eerste afdeling is niet van een titel voorzien, de andere drie wel. Titels functioneren meestal als leidraad voor de thematiek van de afdeling. Dat lijkt me ook hier het geval. Hoewel de eerste afdeling geen titel heeft, vind ik de titel van het eerste gedicht ‘sur place’ wel als zodanig functioneren. Deze eerste afdeling werpt licht vanaf een vaste plek op een ik die leven en dood op afstand en van nabij beziet. Zijn waarneming is avontuurlijk en noopt ertoe het onzekere te verkiezen boven het zekere, en daarbij op jezelf te vertrouwen door alles wat in je blikveld komt.
Van hee kiest nogal eens een perspectief van bovenaf bezien:

beneden ligt het dorp, het lijkt
alsof het alles heeft,

Een dorp in de zon gehuld, luiken dicht, op de achtergrond een eikenwoud waar de wind doorwaait,

vlekken

licht bewegen op de aarden weg
het is een wonder, zo bewoonbaar
als de wereld is,

Alles schijnt er te zijn omwille van zichzelf, zoals ‘de wingerd schaduw geeft/ zonder bedoeling,/’. Die verstilde atmosfeer hangt er in de hele bundel. Het waarnemend ik schijnt er zo nu en dan buiten te staan, zoals je ook buiten de wereld van een plaatjesboek kunt staan. Dat ontneemt de ik niet zijn persoonlijkheid, maar biedt hem juist door deze optimale afstand de kans nog scherper in te zoemen op wat hem in het oog springt. De wij zijn door ‘de autorit’ te midden van de besneeuwde bergen met in de verte de

witte, lichtende
stippen, voor ons die niet buiten
geruststelling kunnen, dat we

heen zullen gaan, en terug

De leegte van het landschap mist zijn uitwerking niet op de ik, maar hij is gelukkig ingebed in de geruststelling van de terugkeer.
Ook in het gedicht ‘uitzicht uit het vliegtuig’ kent de ik die optimale afstand tot het onderliggend landschap. De ik ziet daarvan wel het geheel maar eigenlijk daardoor de delen minder. Er heerst

een grote afwezigheid […]
over alles, maar ook een voorlopigheid waarin
alleen onze schaduw beweegt, door, ongehinderd en

eenzaam vliegen wij over

Het vliegtuig werpt een bewegende schaduw, biedt zicht op het landschap, zijn voorlopigheid en benadrukt de eenzaamheid van de ik boven dit landschap hangend. Dit soort waarnemingen levert enige vervreemding op die een levenswijze melancholie oproept. Het levert vooral besef op van wat in beeld komt, besef van de tijdelijkheid van genot, vrees, verdriet, afscheid. Voor Van hee lijkt dit een vorm van ‘levensbeschouwing’ te zijn. Stemmingen kunnen eveneens snel wisselen, zoals die van de wandelaars in de bergen die een bergrug bedwongen hebben:

alles wordt

vastgelegd, op onze gezichten dat wij
overwinnaars zijn, […] een soort
van geluk maar na de foto veranderen wij
van gedachten

Dit werpt een ander licht op de zaak.
Van hee heeft prachtige metaforen rondgestrooid in haar bundel, zoals ‘een stralende hemel woog op het land//’ of ‘ in de koffie trillen/ de rimpels van een ontwakend verdriet//’. De waarnemer moet ook onder barre omstandigheden alert blijven. In het gedicht ‘de aardbeving’ is er na de ontzetting nog altijd het moment waarop ‘ons […] de esdoorn/ op[viel], zijn bladeren toonden hun buitenkant/’. Tijdens een eenvoudig ontbijt in een hotel wuiven de palmen mee met het trillen van de rimpels in de koffie. Die zichtbare bewegingen aan de oppervlakte resoneren mee met een innerlijk diepgelegen onzichtbaar ‘ontwakend verdriet’.
Van hee grijpt terug op jeugdherinneringen, op zoek naar ‘een plek waar wij vroeger/ al waren,/’, vermengd met een tocht door de bergen in het gedicht ‘eens zover’. Uitkijken op een rots over het door licht beschenen landschap, wachtend op een dier, terugdenkend aan wat was, toen we verdwaald waren. Maar als het nu

eens zo ver is, laten wij de onzekere weg voor
de zekere nemen, niet omzien, er zal altijd
iets zijn wat we herkennen, de meegaande

grond

Hier refereert Van hee niet alleen aan het zonlicht, maar ook aan een innerlijke zekerheid die op kan lichten in de meest onzekere momenten wanneer wij afscheid moeten nemen van het leven. In het gedicht ‘germaine is dood’ valt het licht op de grafsteen van een oude vrouw, maar haar dood is omgeven door een dorp ‘vol leven, de/ geuren van pijnbomen/’.

De tweede afdeling ’het nulpunt’ opent met een getuige wiens haren in de lucht vlogen en die tegen zijn bed praatte, ‘hij bad dat het/ hem mooie dromen zou geven,/’. Terwijl hij dat ziet viel er sneeuw en bleef hij erin liggen. Het gaf aan dat landschap ‘iets lichts, aan de dennen/ iets groots, aan de woorden gewicht//’. Er rijdt in het gedicht ‘de treinreis’ een slaapdronken trein in de richting van het oosten. Hij rijdt zelfs een ziekenhuis binnen. Een jongen aan wie de reizigers zorg gaven, speelt schaak met zijn bewakers. Ze nemen hem mee, kaarten worden gecontroleerd:

het was een droom die ik mij nog herinner,
mijn angst werd bezworen, de schaduwen

schoven met ons naar het oosten

Dit bedreigende droombeeld vol schaduwen eindigt met de oproep aan de jongen niet te talmen de sprong naar het licht te maken, te vluchten. De treinreis naar het oosten draagt een actuele en een historisch beladen gebeurtenis in zich. Op weg naar een nulpunt van het onuitsprekelijke. Diezelfde dreiging zit ook in het gedicht ‘dukla revisited’. Rijdend door het voorgebergte op zoek naar het helse voorgeborchte van het Poolse platteland. Daar zoekt de ik

een sleutel
tot beschrijving, niet van alles wat verdwenen was
maar van een kleine poolse stad die overal kan zijn

Wat verdwenen is, laat zich moeilijk onder de woorden te brengen. Het verdwenen spoorwegstation, op foto te zien, bergt de waanzin in zich:

het geluid
van de tijd, ging niemand schreeuwen
werd niemand waanzinnig of sprong

Wat er nu nog wel in het licht te zien is, is een ooievaarsnest. Ook de twee kanten van de stad ‘perm’ verraden ‘het duurzaam verbond/ van schrikdraad’ achter ‘haar zondagse adem’. Van hee weet de ontzetting over wat er in het duistere verleden in die gebieden is gebeurd ontdekkend, doodgewoon, maar met een intense betrokkenheid in het licht te zetten. Ernstige maar ‘lichtgevende’ poëzie.

In de korte derde afdeling ‘Brieven uit het noorden’, geschreven voor de verjaardag van Leonard Nolens, schrijft de ik in deel 1 aan de dichter vanuit een zonnig oord aan de zee.

Het
licht maakt het landschap transparant, en
onszelf, het verleden lijkt onbestemd als
de toekomst,

In verte liggen heuvels als ‘een vergankelijk koninkrijk’. Nolens heeft moeite zijn huis uit te komen. De ik gunt hem in haar gedicht een blik in haar ‘lichtgevende’ wereld. In deel 2 is er van alles wat aan lente herinnert. De ik herinnert zich een raam dat leegte verbeeldt, uit een film waarin het slecht met de spelers afloopt. Dat biedt je de mogelijkheid even een kijkje te nemen

aan de andere kant
van de rivier maar je hoeft niet te blijven, de

wind en de wuivende witte gordijnen zijn hier

Waarom zou je van de plaats komen!? Gaat het niet meer om het je kunnen voorstellen van de dingen dan om er daadwerkelijk present bij te zijn!?

In de laatste afdeling ‘station gent-dampoort’ laat Van hee haar licht vallen op plekken uit het begin van haar leven. Vanaf de ‘dampoort’ neemt ze de oude stad in ogenschouw, maar de ‘antwoorden bleven/ verborgen in [haar] steen/’. Er lichten allerlei plekken uit haar jonge jaren op: ‘we brengen er plekken in thuis, die ons// ’s nachts als daglicht voor ogen staan/’. Voortdurend borrelt het verlangen op naar een

vertrekpunt, je wilde het land in,
je hield van beginnen, niet van deze toestand,
gedoemd te verdwijnen, die bleef

Er vliegen hier en daar wat vogels door deze poëzie, als tekenen van vertrek, ruimte, licht en een toekomst die wacht, ‘van/ welke dingen droomt hij vannacht//’. Op de watersportbaan keert in de droom van de ik de overleden vader nog eenmaal terug die zijn aardse plicht op het water vervulde. Zoals in het gedicht ‘in de voorstad’ wordt alles gezien:

het was de langste

dag van het jaar, geen land en geen stad
maar ook hier viel het licht waarin alles moest
worden gezien,

Met alles wat er in een mensenleven kan gebeuren aan lief en leed, gaat het er Van hee om dat ‘het volstond om te zeggen, […], wat een/ zeldzame avond, wat een prachtige stad//’. Het is zoals het in het gedicht ‘avondspits’ staat:

dan valt je blik op gevels die ’s avonds

het licht in zich opnemen en er niets voor
teruggeven, misschien in de lente, […] een poort naar

het leven, verlangen had altijd de smaak van
de straat,

Het licht valt altijd daar waar je het niet verwacht.

******
Miriam Van hee (1952) is dichteres, vertaalster en slaviste. Voor haar poëziedebuut Het karige maal (1978) kreeg zij de Oostvlaamse prijs voor Letterkunde. Daarna verschenen de bundels Binnenkamers en andere gedichten (1980), Ingesneeuwd (1984), Winterhard (1988, Jan Campertprijs), Reisgeld (1992, Dirk Martensprijs), Achter de bergen (1996, Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poëzie van de Vlaamse Gemeenschap), Het verband tussen de dagen (1998, een selectie uit haar bundels) en De bramenpluk (2002). Haar meest recente bundel Buitenland (2007) werd bekroond met de Herman De Coninckprijs.

Recensie van In plaas van die stilte - Miriam Van hee

En mag my woorde nie faal nie

Miriam Van hee
In plaas van die stilte
Uitgever: Protea Boekhuis
2012
ISBN 9781869195434
€ ±12,50 (R140,-)
128 blz.

De Zuid-Afrikaanse dichter Daniel Hugo (1955) is niet alleen de auteur van een flink aantal eigen poëziebundels, dit jaar verscheen met Hanekraai zijn veertiende, hij vertaalde ook gedichten van Gerrit Komrij (Die elektries gelaaide hand, 2005), Herman de Coninck (Die lenige liefde, 2009) en Rutger Kopland (Onder die appelboom, 2010). Hij doet daarmee voor de bekendmaking van Nederlandstalige poëzie in Zuid-Afrika goed werk, want eigentijdse bundels uit de Lage Landen komen er niet of nauwelijks in de handel, simpelweg omdat Nederlands er niet (meer) gelezen wordt. Net zo min trouwens als te onzent het Afrikaans, en dat is dus in dubbel opzicht jammer.
Uit de eerdere vertalingen bleek al dat Hugo een verstandige voorkeur heeft voor toegankelijke poëzie en daarom is de keuze voor Miriam Van hee een logische voortzetting van de serie die hij heeft opgezet, ook al omdat zij in Zuid-Afrika niet helemaal onbekend is: zij trad er enkele jaren geleden o.a. op in Stellenbos.

Met 55 gedichten biedt de tweetalige uitgave In plaas van die stilte een mooi overzicht van Van hee’s poëzie. Hugo koos uit alle acht bundels, waarbij hij het accent legde op achter de bergen en de bramenpluk. Met de vertaling had hij het relatief makkelijk, omdat Van hee in haar vrije verzen zeer spaarzaam gebruik maakt van poëtische middelen en daarbij een idioom hanteert dat dicht bij de gewone spreektaal ligt. Eigenlijk was zijn belangrijkste opdracht zo letterlijk mogelijk te vertalen, omdat dat de beste garantie gaf de voor haar poëzie zo kenmerkende combinatie van subtiliteit en intensiteit te bewaren. Van hee is de meesteres van de onnadrukkelijke suggestie en een vertaler dient dat het best door die niet zelf met vertaalvondsten te willen overtreffen.
Hugo begint met een gedicht dat én voor Van hee én voor de vertaler bijna programmatisch is, ‘vanavond’, uit het karige maal (1978):

vanavond

Vanavond kom ik je halen
ook al zullen mijn woorden, zelfs
mijn gebaren, ook dit keer er nauwelijks
in slagen de grenzen te verleggen

      Vanaand kom ek jou haal
      ook al sal my woorde, selfs
      my gebare, ook hierdie keer skaars
      daarin slaag om die grense te verlê

[…]

En mochten mijn woorden niet falen
vanavond niet.

      En mag my woorde nie faal nie
      nie vanaand nie.

[…]

Iets moeten wij overhouden
van het vroegere lichte heen
en weer lopen ‘s ochtends
onder de verbaasde bomen.

      Iets moet ons tog oorhou
      van ons vroeëre ligte heen
      en weer geloop soggens
      onder die verbaasde bome.

In Hugo’s bloemlezing valt uitstekend de ontwikkeling te volgen die Miriam Van hee als dichteres heeft doorgemaakt. De eerste bundels bevatten veel stemmingspoëzie rond emoties van verlies, weemoed, verlangen en onzekerheid en dat in een sfeer van stilte, afwachting en leegheid. Regelmatig zijn er regels die aan de wereld van Lodeizen doen denken: een vraagloze vraag als ‘waar lig je nu en luister’, of aarzelende constateringen als ‘langzaam glijden hier de uren’, ‘een stilte/ onoverkomelijk/ als tussen heel oude bergen’. Er lijkt haast sprake van een soort zielsverwantschap.
Vanaf winterhard (1988) wordt de toon anders. Het zachte, het breek- en kwetsbare maakt plaats voor een grotere beschouwelijkheid, ingegeven door een andere blik: ‘zoals ze in de etalages/ achterdochtig naar zichzelf kijkt/ en zich voorstelt hoe anderen/ haar zien […]’ (‘soos wat sy in die winkelvensters/ agterdogtig na haarself kyk/ en haar voorstel hoe ander/ haar sien […]’).
De poëzie wordt opener, minder op zichzelf gericht, de buitenwereld wordt belangrijker en in toenemende mate als metafoor geïncorporeerd. De persoonlijke invalshoek blijft, maar die bestaat vooral uit de handreikingen die zij de lezer biedt aan fundamentele levensinzichten te komen, die niet kant en klaar geformuleerd worden, maar waar ze wel de bouwstenen voor aanlevert: ‘en laat, wat onbereikbaar lijkt/ zo blijven, want alles heeft een prijs:’, schrijft zij in het gedicht ‘de bramenpluk’.

Door het mooie overzicht dat In plaas van die stilte biedt is de bloemlezing zeker ook voor Nederlandse lezers interessant. Dat zou nog meer het geval geweest zijn, als de Nederlandse gedichten niet ontsierd zouden worden door talloze slordigheden. Daniel Hugo mag daar dan in zijn eigen nieuwe bundel laconiek over doen – ‘A, wat is ‘n bundel verse sonder/ ‘n setfout of twee?’ (in ‘Heil die leser’, geschreven voor Protea-uitgever Nicol Stassen) -, het is in feite een daad van onfatsoen jegens degene wiens werk vertaald wordt.
Jammer.

***
Miriam Van hee (1952) studeerde Slavische Filologie aan de Rijksuniversiteit in Gent. Zij debuteerde in 1978 met het karige maal en daarna volgden binnenskamers (1980), ingesneeuwd (1984), winterhard (1988), reisgeld (1992), achter de bergen (1996), de bramenpluk (2002) en buitenland (2007).
Haar werk werd eerder vertaald in het Engels, Spaans, Russisch, Frans, Duits, Litouws, Zweeds, Fins en Pools. Maart 2009 had Maarten Gulden voor Meander een interview met haar.
De Zuid-Afrikaanse dichteres en critica Zandra Bezuidenhout wijdde aan Daniel Hugo’s vertaling van de bundel een uitgebreide beschouwing. Zij geeft een mooie analyse van de poëzie van Van hee en gaat uitvoerig in op de vertaalproblematiek.

Gedichten

de piramide van de zon (teotihuacan)

de lucht zal wel ijler geweest zijn
en koeler de wind, de zon had
een andere status, maar evengoed
scheen ze als nu, hard en afstandelijk

het kwam erop aan te zijn voorbereid
de hoogte wenkte en klimmen was
beter dan dalen, de zwaartekracht
leek af te nemen en je zag meer

een soort van verbondenheid, huizen
stoffige wegen waarop zich mensen
bewogen en je zag verder dat deze plek
niet de enige was, deze stad niet en

deze tijd, je hart ging tekeer en je dacht
tevergeefs aan de liefde, het kunnen kiezen,
vrijheid of troost en je voelde een dwaas
verlangen om kennis te maken en toen

dacht je weer aan de vogels, je had ze
toch altijd bijzonder gevonden, om zo
op het laatste moment de vleugels
te spreiden, het ruim aan te doen


brussel, jardin botanique

als je probeert ergens bij te horen
en je daar moe van wordt

iemand vraagt aan zijn tafelgenoten:
wat is transcendent en je kijkt naar alles
wat achterblijft op de borden, buiten
waaien plots bladeren op, het gaat
regenen, denk je, en dat je niet bang bent,
zeg je tegen jezelf, ’s nachts in het
buitenland, dan vraagt iemand jou naar
vergankelijkheid, of je daartegen schrijft
en zoniet, is het dan therapeutisch

je stelt je dan gombomen
voor in de tropen, koerende duiven
in gombomen

Uit: De Bramenpluk, 2002, De Bezige Bij


film

1

ooit was er een film die ik niet begreep
tot ik het einde zag nadat ik uren had
rondgezweefd in een duistere, kleurloze ruimte
en naar gesprekken geluisterd over leegte,
waarheid, vereenzaming onder de volkeren

toen kwam de cameraman bij een huis
met een tuin eromheen, een schommel, een kat
in het gras, eiken en lorken herinner ik me,
een spinsel van licht in het bos, en groen,
ik zie het nog voor me, groen was het einde

na al het grijs en het zwart en het wit
werd het groen uitgevonden, een wonder
van sterfelijkheid, kortstondig en sprakeloos

2

we hadden de boot naar het eiland gemist
de weg kwam niet met de kaart overeen,
we passeerden de lege vakantieverblijven
aan de verkeerde kant van de beek
het galmde van vogels hoog in de bomen
het was een duizelig makende lente

plots ontvouwde zich voor onze ogen
een steppe, een soort azerische vlakte
die op de zee vooruitliep, een lengte,
iets in de verte bewoog, een paard,
traag kwam een wolkendek nader,
was dit het einde al of het begin

onze ogen zochten een tweede paard
en vonden het, liggend, betrekkelijk
dicht bij het eerste, een kleine, donkere
vlek in de tijd en we besloten te wachten
tot ook het tweede zijn staart bewoog
in het zachte, talmende licht van de dag

Uit: Buitenland, 2007, De Bezige Bij