Recensie van Meer hoef dan voet - Marjolijn van Heemstra

Eenheid in verscheidenheid

Marjolijn van Heemstra
Meer hoef dan voet
Uitgever: De Bezige Bij
2014
ISBN 9789023482734
€ 17,50
64 blz.

Meer hoef dan voet is een bundel over het verlangen naar verbondenheid, naar het opheffen van de menselijke eenzaamheid. Oorsprong en einde van het leven zijn onbekend: ‘in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm/ terug naar het begin en een mens zich naar het einde; geen van beide/ is in zicht, alleen dit tijdelijke midden.’
Van Heemstra verbeeldt verhalen ‘van kiem tot kroon’, van de diepzee tot de toekomst in het heelal. Ze zoekt naar verhaal dat het best past bij haar verlangen. ‘Kom ons voorzichtig/ tegemoet’, schrijft ze in haar laatste gedicht (‘Beste Marsbewoner’); en even later verzucht ze: ‘Het wordt tijd/ dat iemand ons vindt.’ De verwantschap met dieren – conform de evolutietheorie – lijkt enigszins te voldoen: ‘Ik leerde hoe in elke stal de eerste mens, het eerste paard elkaar treffen, in/ een oogopslag verwant ( … ) In een oude geur van vacht en leer wist ik me voor het eerst vanwege/ mijn soort geliefd.’

God voldoet niet als verhaal: er is een onverwacht verlangen naar ‘een hand/ die de boel bijeen veegt, omsluit, maar dat klimt/ als een mot naar een lamp,/ als een zacht gebed’ – tot mislukken gedoemd, dus.
De dichter schenkt meer aandacht aan het verhaal over heelal en ruimtevaart. Apollo, de zonnegod, redder in de nood en tevens de raket naar de maan kan uitkomst bieden in de zoektocht naar verwanten. Weliswaar zijn wij ‘wees en de kraamkamers van nieuwe sterren/ liggen ver buiten bereik’, maar er is hoop: er is ‘in onze schoot een machtig/ reservoir aan ruimtevaarders.’

Uiteindelijk zal ook dit verhaal geen soelaas bieden. In ‘Beste Marsbewoner’ schrijft zij: ‘vergeef ons onze verhalen,/ die smal zijn als slootjes / ver van de zee. We zijn veel/ vergeten, waarom alles/ uit elkaar moest en hoe/ (als straks de kracht zich omdraait)/ we de bliksemse zooi/ weer vastgehecht krijgen.’
Blijft over het ‘tijdelijke heden’, ‘het overzichtelijke leed dat leven heet.’
Ze gebruikt in ‘Op een pier in Philipsburg’ het eiland als metafoor voor het heden: ‘Wie op dit eiland woont heeft ooit verloren, cirkelt voor straf/ in steeds het heden.’ In het heden moet je daarom solidair zijn met je medemensen, maar zonder verhalen kun je niet.

Terug naar de prehistorie, de mens als dier. De dichter verbeeldt die in sporen en afdrukken: de slak die zich terugsleept, de zee ‘die de afdruk/ van mijn hiel diep bewaart’ doordat een slipper is achtergebleven, de afdruk die de eerste astronaut op de maan achterliet met zijn laars, diezelfde afdruk op ‘moederschip aarde’, in concreto in het beton van de boulevard van Noordwijk en die lijkt ‘op het fossiel van een// gigantische voorouder// van onze pissebed.’

In het titelgedicht blaft een hond naar de sporen van de dichter. Ik citeer het in zijn geheel, omdat het een beeld geeft van de kwaliteit van Van Heemstra’s dichterschap.

MEER HOEF DAN VOET

De hond verspert mij het pad, stokstijf, zijn tong
een roerloze vis tussen de tanden, zijn grom
een ondergronds geluid, als door lagen korst
gedempt

en ik denk aan de man die zei: We weten niet
waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,
duizend jaren, onttrokken aan het zicht.
We weten niet over welke rand ze tuimelden,
welke zee het laatste exemplaar verzwolg.
Hij noemde de kieuwslak met vijf platte windingen,
de schrikvogel die liever liep dan vloog,
de majorcahaas, het reuzenhert,
niemand weet met zekerheid in welk bos,
welk veld het reuzenhert verdween.

De hond blaft naar mijn sporen,
in de verte zwaait een riem, een mens
die in mij een naaste herkent
maar ik weet wat de hond weet:
er zijn dieren verdwenen
en mijn afdruk is meer hoef
dan voet.

In de eerste strofe introduceert de dichter de hond als een prehistorisch dier. Ze doet dat zeer beeldend: zijn tong is een prooi, een roerloze vis. Zijn grommen doet denken aan een ver verleden, afgedekt door verschillende sedimentlagen. Onvoorstelbaar oud dus. De vorm past daar uitstekend bij: kijk eens naar de keelklanken, de donkere o’s en de alliteraties die het passende ritme ondersteunen. De hónd verspért mij het pád, stókstíjf, zijn tóng ( … ). Dat ‘stokstijf’ is prachtig. Je ziet de hond staan, onverzettelijk.
In de tweede strofe uit de dichter haar fascinatie voor het verleden, de uitgestorven dieren, versterkt door de herhaling ‘We weten niet’. ‘Het reuzenhert’ krijgt de meeste aandacht: ook dat wordt herhaald.
In de derde strofe stelt de dichter zich voor dat ‘zij weet wat de hond weet.’ Ze realiseren zich dat ook zij dieren zijn die kunnen uitsterven. Haar voetafdruk doet denken aan de hoef van het reuzenhert: de dichter identificeert zich met dit prachtige dier dat een indrukwekkend gewei had. (Geweien worden in enkele andere gedichten gebruikt als onderdeel van een vergelijking, wat de eenheid binnen de bundel versterkt). Wat was de oorzaak van die verdwijning? Niemand weet het met zekerheid.
De vrouw met de riem is een vondst. We zijn even terug in het ongevaarlijke heden: het baasje dat haar huisdier uitlaat. Haar riem is een beeld van de veronderstelde menselijke macht over het dier. Zij is geen naaste van de dichter. Die heeft oog voor het tijdverloop en is daarom – pars pro toto – meer hoef dan voet: de mens verscheen pas heel laat in de evolutie.

Ik gaf deze recensie de titel Eenheid in verscheidenheid. De eenheid als zoektocht naar het passende verhaal, de verscheidenheid in de vormenrijkdom. Ze speelt met die vorm. In ‘Noordwijk, the space to be’ vanwege het ruimtevaartcentrum ESA, wordt iedere regel gevolgd door twee witregels. Iedere regel zweeft daarmee in de ruimte. (De titel is overigens ook aardig. Er klinkt een echo in van het vrolijke lied Londen is the place for me).

Van de grens tussen proza en poëzie trekt ze zich weinig aan. Er komen drie prozastukjes in voor van maximaal een bladzijde. Het mooie is, dat ze alle drie op hun eigen wijze toch heel poëtisch aandoen. Een voorbeeld uit ‘Na de beroerte’:

Toen hij viel, is zijn buizerd opgevlogen. Hij ontwaakte als een ander, de gele klauwen blauw van de bloedverdunners, de bek zachtaardig, een grasvogel, pikkend in de broodjes die de verpleging voor hem strooit.

Die bek is overigens eigenaardig, je zou een snavel verwachten.

Een laatste voorbeeld: ze geeft een interview weer met Garry Davis, die tientallen jaren met zijn eigengemaakte wereldpaspoort reisde. Van Heemstra maakte dit interview als voorbereiding op het laatste deel van haar drieluik voor het Ro Theater. Het interview is ingedikt en voelt daarom weer aan als een gedicht. Davis zegt over het gewicht van zijn leven dat afhangt van de hoeveelheid verzet tegen onrecht: ‘- Het gewicht van een hommel ongeveer.’ Is dat een beeld van een hardwerkend mens in dienst van de gemeenschap? Zou kunnen. Die hommel komt nog een enkele keer, soms onder een andere naam – winterbij – en in andere contexten voor in de bundel.

Een andere uitspraak van Davis in het interview: ‘Een volledig mens is een lichaam en een verhaal. Het eerste mag niet zwaarder wegen dan het tweede.’
Van Heemstra laat je daarin geloven, in ieder geval voor de duur van de bundel. Een prestatie.

***
Marjolijn van Heemstra (1981) studeerde godsdienstwetenschappen. Ze debuteerde met de dichtbundel Als Mozes had doorgevraagd (2010), die driemaal werd herdrukt, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. In 2012 volgde haar debuutroman De laatste Aedema. Tevens is zij huisdichter van het ruimtevaartcentrum ESA in Noordwijk.
 

Gedichten

Andre Kuipers

[André Kuipers leest onderstaand gedicht voor op Youtube]

Aan een ruimtevaarder

Voor André Kuipers

Ik ben een cluster dode zonnen, hardgeworden overschot
vol weerstand, zelfs met maximale aanloop
kaatst de lucht mijn sprong nog voor kniehoogte terug
ik drijf alleen op water en zelfs dat maar tijdelijk
de ruimte tussen mijn gespreide armen
vangt geen wind.

Ik ga in zoogdiergang, van zand naar zand
kom niet boven het rumoer van vee
het geroezemoes van zee of ooghoogte
ik moet de satellieten maar geloven;
het kleurig stromend ozonvel
het fijne edelstenen ei.

Ik weet van vacuümgevaren
het netwerk van nevels en cellen
speldenknoppen poorten naar het licht
andersom heb ik de reis al vaak gemaakt
dit nietig sterrenstoffenlijf uitvergroot
tot lege zalen.

Maar jij hebt ontsnappingssnelheid
stapt straks met veren voeten de explosie in
telt jezelf tussen de sterren
zwemt in afwezigheid van grond en getijden
ziet ons voor de vlekken die we zijn

Als jij met niks dan lucht op je rug
in het schijnsel van het eerste moment
wil je richting het duister draaien
en wil je zeggen dat ik er ben

[Marjolijn leest bovenstaand gedicht voor op Youtube]

Voor later

Een schoolplein, struiken, een zandbak
Dicht aaneen, in greppels opgesteld
Ons tweeënveertigarmig wezen;
Gravend, gooiend, hecht als schakels
Hijgend uit één long.
We praten niet, we scheppen
van vliegend zand een berg
tot boven de lokalen gaan we
tot ver buiten onszelf
jagen naar de vlakte van de wolken.

Daar gaat de bel, de moeders zwermen
zwaaiend op hun fietsen aan
wij staan zwijgend bij de greppels
onmetelijk diep, de berg, onvoorstelbaar hoog
hier zijn geen woorden nodig.
De juf schreeuwt om applaus en hoe mooi we samenwerkten
Dat zelfs zij, ze wijst naar mij, mocht meedoen
Ook al smeet ze het zand zo ver over de berg
Dat het in de struiken aan de andere kant terechtkwam.

Niemand herinnert zich dat schoolplein, de zandbak, de berg
Er wordt gezegd dat ik nooit op een school met struiken zat.
Maar van alles wat ik me herinner is dat het scherpste beeld.
Als het niet gebeurd is staat het mij waarschijnlijk nog te wachten.

[Marjolijn leest bovenstaand gedicht voor op Youtube]

Nazomervrienden

Er hing licht in de stad en kou al in de kamers
vaak wisten we het even niet, maakten uren
van beltegoed en zelfonderzoek wees keer op keer
op verlangen naar opnieuw.
Met lege flessen vol sos-berichten stonden we aan zee
gooiden bij gebrek aan stroming het glas tegen de steigers.
We sloegen een meisje in een bar, waren een week van slag
we sloegen de badkamerdeur.

Er kwam een wachtpost: een snackbar met vier ramen.
Midden in de wereld (als het regende in regen en
Één keer, het sneeuwde, midden in de maan)
bakten we patat. Onze ogen op de wind gericht;
wie hij aanwoei, welke streken.
Er hing frituur in ons jas en overschot
aan kaassoufflés. Er was veel wat ongeopend bleef:
het afhaalraam, de biologische cola, de mogelijkheid
dat het allemaal wel meeviel met ons.
Er was veel onbereikbaar. Veel te omhelzen.
Bijvoorbeeld en vooral elkaar.

Waar ik ben

Vandaag wist ik zeker: ik ben het
dit bonzend gewicht, deze brengende
halende benen, gesloten huid
die mij afschermt van buiten
het was de vorm van mijn warmte vanmorgen
die mij liggend tot in detail omarmde
van punt tot punt in ronde lijnen
aanwezig maakte op de plek die ik ben

voor de zekerheid mijd ik braak- en niemandsland
andermans taal en tong
nu ik weet waar ik ben wil ik blijven
slik de deuren in hun slot

dekens en muren afgeschud slaap ik
vannacht tussen vinger en nagel
waar het zacht is als het regent schuil ik
waar ik ben onder een schelhard waterdicht dak.