Gedichten

Jolies Heij

onsamenhangend samenzijn

we zijn half, we zijn niet veel
we zijn een deel, niet eens yin en yang
maar apart met de lucht tussen ons in

er is een opening die niet sluit
met een leemte ongedicht
welke hand heeft ons doorkliefd

maar niet gescheiden, deze randen
kunnen snijden en toch zal het vel
niet bloeden uit marmergroen verdriet

want wij dragen elkaar, wij torsen
de ruimte in een wankel evenwicht
wij zien geen gezicht, leven met

elkaars gedachten, enkel dromend
van een zweem van samenzijn
gehouwen uit dit evenbeeld van steen

Tapperij tevens proeflokaal

Zijn testikels ballen zich tot
struisvogeleieren als zij tot het wufte
aroma. Zijn steel draait rond in haar
hand de kelk vouwt zich open

voor boeketten en kruiken. Haar timbre
in zijn lokdoos: het spiegelkabinet
is zijn domein. Daar buigen
en barsten de dames van glas

maar met de karaffen vol venijn.
Hij sust het herenleed doet zijn
voordeel met gepoleerde meisjes-
grieven. Hij die alles overziet

zuipt na sluitingstijd de tap
tot vergiet. De laatste gast geeft zich
uit voor fee likt het gifgroene
droesem uit tepelkloven en lustkuilen.

 

Sanja Simunic

wittebroodsgeluk met vallen en opstaan

vertel eens wat over de cetniks, zegt hij
achter zijn rug nipt een meisje
met geamputeerde arm van haar muntthee

ze vielen mijn stad aan
alles wat het hart had moest dood
zeg ik om hem gerust te stellen

alsof het om een spelletje stratego gaat
met eervolle helden van rang en stand
toen de dagen niet met kippenvel

de wegen bezaaid met spijkers
en kindernekjes als geknakte stelen
in plaats van rozen in de hand

hij vindt mij schattig
zegt dat ik op zijn stiefdochter lijk
en taartjes met me wil eten bij fighi op zondag

ook al is mijn arm niet geamputeerd
en zit er meer vergif in mijn pen
dan stroop om mijn mond

nu moet ik een soortgenoot groeten, zeg ik
al heeft hij het paard laten kreperen
en verdient de rozen niet

Uit: Jolies Heij. Jolita zei
Uitgeverij Heimdall. ISBN 9789491883699

Gedichten

Pieter Seinen
Spraakwaterslam Amsterdam

"Brave burgers"

Vroeger was ik altijd van: “Ik werk niet mee.
Ik ben mezelf en als ik wil kijk ik t.v. tot twee.
Ik doe mijn ding Yo!
en doe niet aan jouw regels mee.
Fuck the system! ik wil mijn hele leven feesten. Jee!”

Ik dacht dat ik wist hoe het moest. Maar ik zat fout.
Mispoes.
Helemaal niks had ik goed.
Het is waar wat ze zeggen; wijsheid komt met de jaren.
En check dit dan: ik was laatst jarig.

Nu ben ik een volwassen man en weet ik dat het anders kan.

Regels zijn heel handig voor het stoppen van trammelant.
Hou je aan de regels
je leven wordt veel beter.
Ze zijn gemaakt door mensen die wat goed voor je is weten.

Oh ja! Check dit verhaal over mijn leven:
Ik werd laatst in een steegje door een zwerver in de nek gebeten.
Superraar!
Hou je aan de regels.

Daan Zeijen
Winnaar Rhythm & Poetry Slam Delft

Ararat

we hadden appelflappen
zelfs beignets meegenomen
en van elk soort dier een paar
of meer. de meesten hadden zo hun
twijfels – wat is nu een vloed precies? –
maar het is gelukt. vrouw of man
maakte ons niet uit, maar omdat
de toekomst nog wel een poos kon
duren, leek het goed het vast
te hebben over kleintjes.
wie wilde graag? wie zeker niet? er mochten
zeven pinguïns mee. ik voelde druppels
op mijn arm, en probeerde niet te denken
dat het nu wel druk zou zijn. onze matras stond
ik graag af, en ik rolde een handdoek op
tot kussen. je stond in de deur als een vraagteken
waarvan de punt al was verdronken.
of er van onze soort niet ook
nog eentje paste, soms.

Jolies Heij
Fluxus Zaans Dichtersfestival

Dichter met bestemming

De hoer in mij wil achter dubbel glas
bij perkamentzacht licht. Je verkoopt
jezelf, zegt hij, zet toch eens dat
pokergezicht af en wentel jezelf uit het

voetlicht. Je schrijft lorren van
gedichten waarmee je flessenhalzen
vult en zeult met vioolkisten uit angst
voor holle echo’s. En toch, hij hoeft maar

met zijn vingers te knippen of de
noodverlichting floept aan. Je verlaat
je kamer, hinkstapdansend over wenteltrappen
voetjewrijvend langs valkuilen, sjoelend

over dubbele bodems, dat dunne ijs van
hinkende verwijten. Spiegels laten de priemen
scherper lijken. Een machteloos nagloeien.
Lasso’s bungelen om doelloze lijven.

Sophie van den Bergh
Winnaar Publieksprijs Leidse Poëzieslag

Gezelschap

Ik dekte de tafel wit op zwart
voor drie vakantievrienden
ze waren Frans
(opscheppen mocht ik niet) mijn
moeder praatte wel soms kort met ze
(gewoon in het Nederlands)

In de auto hadden ze niet gepast
Maar daar waren ze, een beetje bleek
Ze waren klein zeiden niet veel
maar het stond al vast ze zouden blijven

Ze zaten niet graag achterop de fiets
ze speelden geen viool maar ze
vertelden verhalen over Franse grotten
in Franse bergen waar Franse reuzen
langzaam krompen
(over honderd jaar, zei één,
kan niemand ons meer zien)

En ik zag de lege krukken, borden,
ogen wel, het schone bestek
en in gedachten stuurde ik ze terug
naar hun Franse grot in een Franse berg
zag hoe ze
vervlogen in de lucht
uiteenspatten in bloed en brein, voorgoed
verdwijnen als vergeten geleden
ingeteerd en uitgehold
door gisteren verstoten uitgesleten en
Ik wendde me nog even af
Ik hield mijn ogen nog even gesloten

Loren Brouwers
Winnaar DichtSlamRap & gedeeld winnaar Pictura Poetryclash Dordrecht

Ik denk dat we in oorlog zijn

Jij bouwt een tentenkamp in mijn kamer, van dik zeil en stof uit verre landen.
Regenbestendig, licht ontvlambaar. Elke week een kleiner exemplaar
luchtbellen voor één lichaam.

Als we negen waren en in het bed van mijn vader een holle ruimte zouden maken
-opengeklapte paraplu, dekens, een zaklampje in het midden-
dan vroeg ik je weer om je onderbroekje uit te doen, dan lagen we recht naast elkaar
in onze kindertent, omdat we iets wilden
maar niet wisten wat.

Als we drieëntwintig waren, laat mij dan de ruimtes bouwen.
Ik geef je een wereld in een luchtballon
lekkend, zwaar ontvlambaar
warm en groot genoeg voor twee.

Ik denk dat we in oorlog zijn.
Nog drie meter lege vloer waar ik kan liggen.
Nog vijftien dagen tot ik me terugtrek.

Gedichten

Het is niet

Het is niet dat de mussen schuw
onder de daken kruipen, dat je
al meer dan een week geen enkel
gedicht geschreven hebt,

dat de muzen zichzelf bedruipen
dat zijn lippen bij haar oorring
dat een gerookte kipsandwich ligt te
verpieteren omdat je uit pure nijd

iedere kruimel wilt verkwisten
terwijl je onder de stoppelkin
van je buurman door zijn blote
hals verslindt, het is niet dat

je de pijnpunten opzoekt en de vraagtekens
voor lief neemt, een kapot hart
valt te repareren of desnoods op te strijken
met liefdevolle hand, alleen hij mag het

vertrappen zo vaak hij wil
hij mag je gedichten verbranden
van de daken schreeuwen dat jij
het satijn met messen verwondt…

Het is dat jij achter hem aan
en in het voorbijgaan roept
het was mooi wat je zei, maar hij
is allang vertrokken naar een ander land.

Over het IJ

De oude dichter strijkt zijn baard
glad, wind veegt zijn haren over zijn
schedel. De zon ligt zwaar op het
IJ. Ik ben zojuist weer eens

gestorven, hij reanimeert mij
met een verhaal. Over dronken
dode dichters met de pont over
de dansende baren van de

Zuiderzee. Ik zag ze zich lallend
onder de kerkgangers begeven. We
grinnikten dat ze er scheurbuik
van kregen. Zwaar als een onweersbui

lag het godsdienende op het
gemoed van de jonggestorven dichter.
Ik herinner me de reizen die ik
als zelfverklaard matrozenkind maakte. Mijn

oude dichter zwijgt. Zijn besproete
hand wordt gedragen door mijn
doorleefde rug. In de verste verte
doet hij me aan mijn vader denken.

muzeval

ik wil je muze niet meer zijn, zei hij
wat moet ik met die eer en glorie?

het is niet dat ik het niet verdien
natuurlijk ben ik groots als een goliath

natuurlijk ben ik gegroeid tot in de wolken
en verheven als de rijzende zon

maar weet je niet van ikarus
die met zijn vleugel langs het vuur streek

bovendien ben ik geen feminist
en wil mijn pantoffels aangedragen krijgen

niet tot de held die jij mij dicht
maar een gewoon en dagelijks verdwijnen

al die bloemen van papier en kloppend papaverbloed
ik heb liever de rauwe werkelijkheid

waar ik dicht bij de grond
de stofkorrels tel, mijn snuit in haar schoot

zoek maar een ander voor je strooptochten
je gedobbel met de woorden van het kwaad

zo diep kan een muze vallen
zo op de vleugels gedragen en nu

leg ik je weg in het fotoboek
voor mijn persoonlijke gedachtegoed

je vraagt wel wat van een dictator, zeg ik
de muze kan niet met ontslag

alleen uit zijn functie worden ontheven
door de dood kijk maar mijn pen zit vol lood