Gedichten

Wouter van Heiningen (1963) vult zijn dagen met poëzie. Gedichten schrijven, over poëzie schrijven op zijn blog, organiseren van poëziepodia en poëzie-evenementen, kleinschalig uitgeven van poëzie, lezen van poëzie, beoordelen en recenseren van poëzie en zo nu en dan voordragen op plekken in Nederland en België.
 

Gedachten over poëzie

Tijdens het eten van net niet helemaal
gare bonen, krachtig kauwend.
Als een deken van paardenhaar, verwarmend
om mij heen, prikkend in mijn huid.
Na het minnen, juist voor het in slaap vallen,
verliefd op het moment.

Een zachte overval, een lieflijk dwingen,
vrolijk grijnzen en ruw verstoren,
rijkelijk bedruipen, zorgvuldig lappen,
dol driest maaien en subtiel bekoren,
diep overpeinzen en zachtjes bezingen,
woorden verdraaien en naar adem happen.

poëzie laat zich uitnodigen zonder te vragen
en verdwijnt wanneer zij verschijnt,
een ongenode gast die teveel drinkt.
Onbeholpen laverend tussen schemer
en kil ochtendlicht, weet zij verhalen te voeden
en achterblijvers te ontroeren.

Wij wisten niet van wijken

Grasgroen de knieën geschramd
want knieën zijn als wielen, vanzelfsprekend
aan het werk. De gedachte alleen al aan
bewust zijn van de omgeving betekent

niets. Niets ging bewust, niet de landing
noch de afzet. Schokbetonnen landingsgestel,
pezen sterk, banden in orde, vering
geen. Wat we deden kende geen bevel-

structuur, vooropgezette gedachte, laat
staan consequenties. Welk woord
we niet wisten te onderscheiden was
geen woord, slechts ruis in het oor

van onbesuisd, doorzichtige rand langs
gewoon doen. We wisten van geen wijken,
mochten niets maar deden alles, van daarna
hadden we geen weet. We zouden wel kijken.

Gedichten

A la carte

Kraaien vreten hun buikjes
rond, aan het kadaver van een
aangereden eend gaat geen
menukaart vooraf

palingen van de lucht zijn het
vuilnisbakkenrakkers in doodskleed

dan volgen de eksters, het blauw
van hun veren doet koninklijk aan
hun manieren aan tafel echter
bewijzen het tegendeel.

Zoet

Alles ruikt naar chocola
de pepermunt is voor na achten
die mevrouw van nummer 112
steekt een stukje puur
tussen haar kunsttanden, haar
lippen donkerbruin

zelfs de donshaartjes op
haar bovenlip kleven zoetgeurend
aan elkaar als ware het een gel
die een breekbaar gezicht
bij elkaar houdt

Ze likt de lippen, de
mondhoeken krullen,
alles smaakt naar chocola.

Hoe bewaar ik je in woorden?
voor Annemieke

Zal ik je vergelijken met een zomerdag, een
sterrenhemel die me tussen mijn ogen raakt,
liggend op mijn rug in het gras

de ijzige kilte van wat gezegd is
schrijf ik van me af, weg
in schijnbaar warme, rode inkt

hoe grijp ik het nu, hoe leg ik je vast?
zodat later geen verleden tijd lijkt

woorden zijn slechts de voertuigen
van mijn gedachten herinneringen,
ze dragen je met mij mee

ze liggen dáár voor het grijpen waar ik
je wil vinden, waar je naar me lacht
zoals jij alleen naar me kan lachen.

Het houdt niet op

De vragen kwamen later
nadat je al weg was
vergeten waren al je verhalen
en zelfs je stoel zat anders

het water stroomt altijd
naar zee, zei mijn moeder
wees een berg,
schud het van je af, laat
het stromen

mijn natte voeten voelen
nog je handen, stijf
en onbeholpen
niet in staat om de kilte
weg te nemen

ik ben geen kind meer
niet meer nu
en antwoorden zijn slechts
daar te vinden
waar je nog niet zoekt.

Recensie van Zoals de wind in maart graven beroert - Wouter van Heiningen

In het wangslijm

Wouter van Heiningen
Zoals de wind in maart graven beroert
Uitgever: De Brouwerij ,De Brouwerij ,De Brouwerij
2012
ISBN 9789078905455
€ 14,50
84 blz.

Uitgeverij de Brouwerij meldt op haar site dat Wouter van Heiningens bundel Zoals de wind in maart graven beroert is voortgekomen uit ‘verwondering en bewondering’.
Dat zou dan iets moeten beloven. Maar niets, werkelijk niets prikkelt in deze bundel de zinnen. De ene saaie regel volgt de andere op in één lange monotone brom. Niets springt eruit.
Een paar willekeurige voorbeelden:

Uit ‘Verontrustend rustgevend’: Je zinnen prikkelen / de woordenman in mij / dat wat je schrijft / komt immers aan / in veilige haven.
Uit ‘Paradijsvogel’: Het manifest van je unieke leven.
Uit ‘Penelope’: nu schijnt daar altijd nog de zon / achter de wolken voor wie het wil / zien, […].
Uit ‘Berglandschap’: In het wangslijm van / de dampkring / kauwt de aarde / de brokken binnenste / naar buiten.

Het wordt ronduit pijnlijk als Van Heiningen zich aan het rijm waagt, zoals in ‘Zeemansgraf’: Verlaten en in zijn daden verweesd / trad hij horizon en water tegemoet / alsof er nooit sprake van / een evolutie was geweest.

Voor welk publiek van poëzielezers is dit geschreven? Zoveel uitgekauwde overbodigheid tussen twee kaften ben ik nog niet eerder tegengekomen. Was er niemand ter uitgeverij die Van Heiningen tegen zichzelf kon beschermen? En was er niemand die de Brouwerij voor deze uitgave kon behoeden?

Er is geen moment sprake van enige uitdaging, nooit is een gedicht intrigerend, of wordt de taal op een interessante manier gebruikt. Dooddoeners, infantiele vondsten en kromtaal, dat is wat je aantreft en ook als zodanig moet benoemen, als je de poëzie serieus neemt. Dan is er maar één maatstaf: de hoogste.
Leg je die niet aan, wordt alles anders en mag je wat slechts de schijn van poëzie heeft, toch dichtkunst noemen. Ik ga daar niet in mee.

De bundel telt vier afdelingen van elk vijftien gedichten: ‘De dagen dat ik je zocht’, ‘Niemand zit mooier dan zij’, ‘Altijd in beweging’, ‘Wie er moet zijn is aanwezig’.

***
Wouter van Heiningen (1963) is directeur van de bibliotheek Maassluis | Midden-Delfland en betrokken bij de stichting Ongehoord! en het Nationaal Documentatiecentrum Maarten ‘t Hart. Eerder publiceerde hij een eerder in Meander besproken bundel gedichten bij foto’s van Ruben Philipsen (Zichtbaar alleen, 2008) en samen met Alja Spaan schreef hij Je hebt me gemaakt met je kus (2010).