Recensie van Als niemand vangt - Krijn Peter Hesselink

Het vangnet van de poëzie

Krijn Peter Hesselink
Als niemand vangt
Uitgever: Podium
2014
ISBN 9789057596599
€ 16,50
56 blz.

Vakantie in Amerika

We leven in een camper waar mijn vader
de televisie uit heeft laten slopen

alsof er hier niet al genoeg te zien is
herhaalt hij steeds, maar indianen ho maar!

Wel zag ik in de berm een autowrak
was het misschien beschoten door de Russen?

die zijn op oorlogspad, heb ik gehoord
maar als de bom valt, springen we gewoon opzij

nu maken we een wandeling
dat hoort zo in de bergen, zegt mijn vader

hij weet pas zeker of we zijn verdwaald
als we de weg weer teruggevonden hebben

ik was al misselijk en op zijn schouders
wordt dat alleen maar erger, in de diepte

wijst hij de camper aan, ik weet wel beter
hij ziet slechts lijntjes, lijntjes op de kaart

Het eerste gedicht van de bundel Als niemand vangt van Krijn Peter Hesselink. De toon is gezet. ‘We leven in een camper'(…). Voor het jongetje dat ons beschreven wordt, is er blijkbaar geen verschil tussen het gewone leven, en de vakantie. Hij is overgeleverd aan de volwassenen, die argeloos als zij zijn, geen rekening houden met het kleine mannetje. Wat zij niet in de gaten hebben, is dat hij hen aardig begint door te krijgen. Een manier om aan het door anderen bepaalde leven te ontsnappen? Of vindt hij ooit harmonie in dat leven van afhankelijkheid?

De bundel heeft een prachtig motto van Lucebert:

want mijnheer ik ben een engel
die zich in deze eeuw in de hemel verveeld heeft
die naar de aarde afdaalde
die daar verveeld het onvolledige leven
meeleeft
en die deze verveling volledig
liefheeft

Wat aan dit motto uit ‘de amsterdamse school’ ontbreekt is:

de mensen wensen elkaar toe
veel geluk

Het jongetje wist al beter! Ze wensen elkaar helemaal geen geluk. Of misschien wensen ze het wel, maar menen ze het niet! Als dichter zich inlevend in het kind kan hij in ieder geval in zijn poëzie de wereld een vorm geven waarin de volwassenen even machteloos aan bepaalde wetten onderworpen zijn, als hij vroeger aan hen:

Quod erat demonstrandum

Nooit worden waterplassen weer zo groot
als toen mijn vader in de achtertuin
uitlegde waar al die regen toch vandaan kwam

het bootje dat hij me die dag liet vouwen
zoog zich langzaam vol tot niets het vaartuig
nog onderscheidde van de plas waarin het wegzonk

mijn vader heeft zijn punt gemaakt, zijn hoofd
steekt nog maar net boven de natte grond uit
grassprietjes kietelen zijn neus, hij niest

en als hij woorden zoekt om op te kauwen
hapt hij aarde, bij een mondhoek zie ik
de modder kalmpjes naar binnen sijpelen

Hetgeen bewezen moest worden; de theorie van de vader over de regen, of de verbeelding waarmee de zoon hem in de aarde laat zinken: stof zijt gij, en tot stof zult gij wederkeren?

Ondanks de humor die deze poëzie bevat, bekruipt mij bij vrijwel elk gedicht van Hesselink ook een gevoel van somberheid. Als niemand vangt, wat dan? Wat, als er niets te vertrouwen blijkt, als er geen vaste grond blijkt te zijn waarop we kunnen bouwen? Wat, als de duif uit het titelgedicht, verward in een touw en hangend boven een leeg balkon, wat, als je overgeleverd blijkt te zijn aan een van empathie gespeend lot?

Het is telkens weer die mix van gevoelens die Hesselink ons voorschotelt, als bij het volgende gedicht. Ik  zat regelmatig te schateren, om direct daarna te bedenken: maar wat hij beschrijft is helemaal niet leuk!

Surprise, surprise!

We staan gezellig in een kring te kijken
het feestvarken is gevangen in het schijnsel
van het gebak dat nasmeult aan haar voeten
ze lacht en stelt ons een voor een gerust
ze vond het een geweldige verrassing
maar als ik me laat zakken op een krukje
ben ik ineens weer kind, een blonde vrouw
komt met een halfverkoolde taart aanzetten
het is te laat, niets valt er nog uit te blazen
ik ben al oud, men trekt mijn kaak omlaag
en schuift een taartstuk nauwgezet naar binnen

In plaats van iets feestelijks ter viering van het leven, krijgen we oneetbaar voedsel. En daar zouden we dan blij mee moeten zijn; om de gulle gever gerust te stellen. Nog steeds lijkt in staat om ons voor de gek te houden, we kunnen moeilijk iets anders doen dan het slikken…

Wat is deze poëzie goed geschreven! Ik kon geen zwak gedicht vinden in deze bundel. Bij zoveel meesterschap ga je gewoon op zoek: Dit kan niet waar zijn.
Ik kan toch geen recensie vullen met: O wat mooi! Wat goed! En: moet je dat lezen! Maar dat is wel hoe ik op de bundel reageerde. Een schoondochter belde ik net het gedicht door dat hierna nog volgt –
Natuurlijk spreekt het ene gedicht je meer aan dan het andere, maar ik kon blijven lezen, en wat het gekke is; met, leek het wel, steeds meer plezier. De liefde voor het leven die in het motto is aangegeven klonk steeds duidelijker door. Het leven is niet leuk misschien, maar je kunt ervan leren houden. Het is absurd soms, maar doe je er een schepje bovenop, dan wordt het veel leuker! En zo wordt deze poëzie een hilarische troost, een manier om je bewustzijn zich aan de eigen haren uit het moeras te laten trekken, een vechten tegen windmolens, en nog winnen ook…
Tot slot nog dat ene gedicht om te overtuigen dat het werkt:

De lokroep van het vacuüm

Mijn moeder weet waarvoor ze bang moet zijn
en waarvoor niet, als ik uit het raam hang

dan hoeft ze geen matrassen aan te slepen
ik val, als ik al val, steevast omhoog

zelfs ezels laten zich geen twee keer van
de stoep afschrapen, één keer is genoeg

om ons de lust voorgoed te doen vergaan
dan laat ik wel zo lief de wind wat door

mijn haren jakkeren in een val die pas
in het oneindige gestuit zal worden

steeds weidser wordt mijn overzicht tot elk
detail verloren gaat in klare lijnen

van wegen die de menselijke bouwdrift
ja ik ben hier geweest! en hier! en hier! –

in een fijnmazig raster weten te vangen
al snel ontwaar ik de contouren van

de dampkring die ons ijdele vertoon
verveeld omspant als laatste buffer tegen

de lokroep van het vacuüm, het wordt
steeds lichter in mijn hoofd, gelukkig kiest

mijn moeder dit moment om weer eens aan
mijn hoofd te zeuren over het raamkozijn

dat wel een likje verf gebruiken kan

Van de aarde weg, van het ijdele vertoon dat het leven is, op de lokroep van het vacuüm de ijle ruimte in, maar dan – ook gelukkig weer terug, dankzij het triviale van het dagelijks bestaan.
Fijn weer thuis te zijn.

***
Krijn Peter Hesselink (1976) won in 2006 het Nederlands kampioenschap Poetry Slam. Hij publiceerde eerder de bundels Als geen ander (2008), Stil alarm (2009) en De uitputting voorbij (2011).

Recensie van De uitputting voorbij - Krijn Peter Hesselink

POËZIE VAN DE WAAN

Krijn Peter Hesselink
De uitputting voorbij
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2011
ISBN 9789046808887
€ 14,90
64 blz.

Soms lukt het me niet om vriendjes te worden met een bundel. Soms zijn er blijkbaar te weinig aanknopingspunten tussen wat de dichter belangrijk genoeg vond om op te schrijven en wat ik als lezer nodig heb om geboeid te blijven. Maandenlang kan zo’n bundel dan op tafel klaar liggen om (nog) eens te worden geopend, en maandenlang gebeurt dat dan niet.
De uitputting voorbij , een bundel gedichten van Krijn Peter Hesselink is er zo een. Voor mij althans: ik ben de uitputting nabij van al het uitstellen. De uitputting voorbij? Was het maar waar! Dit is nu poëzie – ik krijg het woord nauwelijks uit mijn keel – waar ik weinig mee kan, zo goed als niets mee heb: alle speeksel en spuug waarvan sprake is, ten spijt. Maar laat ik wat frisser beginnen:

MEEWUIVEND IN HET RIET

Het water kwam niet hoger dan mijn middel
mijn handen lagen willoos op het gras
want niemand kon mij redden dan mijn moeder
als straks de roeiboot ook nog uit zou varen
dan dekte niets mij hier nog in de rug
dan lag de hele vijver voor mij open
de neefjes die met grote bange ogen
ervandoor waren gegaan hadden zich vast
verschanst in moederjurken, maar de reiger
die nog een lotgenoot in mij vermoedde
zou ooit de kikker in mijn blik herkennen
ik wist nog niet van het experiment
het water dat te traag in temperatuur stijgt
om aan te zetten tot een sprong, ik wist
dat wie zich niet verroert geen aandacht trekt
van reigers, neefjes en andere gevaren
 

Neefjes die met grote bange ogen ervandoor gaan en dan toch nog met reigers en andere gevaren op één lijn worden gesteld? Hm, dat moet zeker leuk zijn, maar de woorden sturen me hier toch echt een beetje met een kluitje in het riet.
En dan is daar die ‘reiger die nog een lotgenoot in mij vermoedde’. Hoezo lotgenoot? Omdat de ‘ik’ zich tot zijn middel in het water bevindt? Een bizarre vergelijking. Geen reiger die tot zijn middel in het water staat legt bovendien zijn poten (vleugels?) willoos op het gras (of hij moet dood zijn). De dichter had zich wat dat betreft beter meteen met een kikker kunnen vereenzelvigen.
Het lijkt erop dat de crux van dit gedicht in de laatste vijf regels is te vinden. Maar ‘het water dat te traag in temperatuur stijgt om aan te zetten tot een sprong’, sluit niet echt goed aan bij het water in de eerste regels. Die suggereren dat de ‘ik’ zich in een buitenwatertje bevindt, waar een stijging van de temperatuur niet te verwachten valt.
Al met al een gedicht dat een beetje van de hak op de tak springt en waarin slordigheden een dempend effect hebben op de zeggingskracht. Iets wat helaas voor meer gedichten in de bundel geldt:

DE UITPUTTING VOORBIJ

Ze weet wat liefde is, de kat die zij
achter heeft moeten laten bij haar ouders
had van zijn vroeggestorven moeder nooit
geleerd zijn klauwen uit te slaan, zijn prooien
konijntjes meestal, put hij uit totdat
hun hart het van de schrik spontaan begeeft
als zij, hooguit een keer per jaar, nog thuiskomt
en na de thee de boerderij ontvlucht
om bij hem troost te zoeken op het erf
dan zit hij op zijn vaste plekje onder
de ladder die geen mens ooit nog gebruikt
en kijkt afwachtend naar haar op, zij steekt
een hand tussen de treden door, hij kantelt
zijn kop en laat zich aaien, of
toch niet, haar vingers vinden enkel lucht
hij put haar uit, hij weet wat liefde is
 

Konijntjes die worden uitgeput totdat hun hart het van de schrik spontaan begeeft? Iets spontaans wordt bij mijn weten niet uitgelokt, laat staan veroorzaakt door een schrik. En hoe is het mogelijk om nog van iets te schrikken als je erdoor bent uitgeput? Die arme konijntjes toch! Worden ze niet opgegeten dan schrikken ze zich spontaan wel dood. Nog een wonder dat ze niet zijn uitgestorven.

Slordigheden maken een gedicht minder scherp, minder geconcentreerd. Wat niet direct hoeft te betekenen dat het gedicht minder als een eenheid, als een geheel wordt ervaren. Daarop is de gebruikte beeldspraak meer van invloed.
Zelf ben ik een grote fan van gedichten waaraan – grof gezegd – één grote metafoor ten grondslag ligt, die op allerlei manieren wordt belicht en gebruikt en uitgewerkt. Dit soort gedichten is erg zeldzaam, vooral de lange(re) exemplaren. Blijkbaar is het moeilijk om zulke gedichten te maken. Maar een geslaagd specimen is een wonder om als lezer te ervaren. Laat ik deze gedichten in categorie 1 plaatsen.
Vaker lees ik gedichten waarin meerdere metaforen voorkomen die de dichter op een knappe manier op elkaar laat passen (ongeveer zoals de stukjes van een puzzel, of de ongelijke stenen van een goed gevoegde muur). Ook die zijn een genoegen om te lezen. Laat deze gedichten categorie 2 vormen.
Nog veel vaker kom ik echter gedichten tegen waarin de metaforen enkel door de draad van het onderwerp, of zo men wil van een verhaal, aan elkaar zijn geknoopt. Als het metaforen zijn: meestal zijn het gewoon regels waarin staat wat er staat. Maar goed, deze gedichten vormen categorie 3.
Men zou de concentratie, en misschien zelfs de kwaliteit van gedichten op een dergelijke indeling kunnen (proberen) te baseren. Categorie 1 bevat dan wat ik ‘supergedichten’ zou willen noemen, categorie 2 iets mindere gedichten (maar toch nog geweldig) en categorie 3 bevat dan weliswaar soms goede gedichten, maar ook veel rotzooi (alle categorieën kunnen trouwens rotzooi bevatten: een sluitende definitie voor wat goed of slecht is moet nog gegeven worden – maar dit terzijde).
Waarom deze indeling? Ach, een mens heeft nu eenmaal behoefte aan orde. Al is het een schijnbare. Redenen en richtlijnen worden zelden gegeven in recensies, en het is misschien wel eens goed om daarvan af te wijken. Maar wie het niet kan laten mag meteen alles met de grond gelijk maken en met een superieur gebaar de prullenbak in kletteren. Het enige waar het mij om gaat is dat als er iets van zou kloppen, de meeste gedichten van Krijn Peter Hesselink in categorie 3 vallen. En dat is geen bemoedigende uitslag.

Als geheel lijkt De uitputting voorbij haast meer op een fragmentarisch uitgevoerde roman over een doodlopende liefde dan op een poëziebundel. Geen erg meeslepende roman, want de gebeurtenissen die de dichter overkomen – hoe interessant ook op zichzelf – worden teveel toegespitst op de beleving van de dichter, te particulier uitgewerkt. Iets wat paradoxaal genoeg deze ‘gemakkelijk toegankelijke’ poëzie toch weer hermetisch maakt.
Kan ik er dan helemaal niets positiefs over opmerken? Jawel, soms – heel soms – bevat de tekst van het gedicht een regel die aanspreekt, een regel die niet wazig dwarsligt, maar juist haarscherp aansluit bij een logica die helder als ze is, iets onbegrijpelijks houdt. Kortom: een regel die zich verheft boven het strikt persoonlijke en aansluiting vindt bij wat ons allemaal boeit:

WAAN VAN DE DAG

Op zoek naar sporen van het laatste nieuws
pookt ze dagelijks in de as, ze vindt
slechts een onmondig gloeien, ja ze weet
er wordt over ons geld gewaakt, bankiers
zijn kind aan huis, wie zaad verkwist
moet de gevolgen dragen, ergens hangt
een ex in de gordijnen, het is een vleermuis
wiens spaargeld door het gleufje van het varken
werd uitgespuugd toen het plafond
een vloer bleek, hij een tegenvoeter

Dan wel zo lief een eigen praatprogramma
en wie een betere eregast dan ik
de applausmachine klapt de handen blauw
een eerste vraag: zie je die schaduw
met snelle vleugelslag de wanden afgaan
op zoek naar jou of mij, zo ja dan lijd je aan
mijn zinsbegoochelingen en zo nee
dan hebben wij elkaar weinig te zeggen
 

Is liefde zo voorwaardelijk? In elk geval lijkt het erop dat ik als lezer aan dezelfde zinsbegoochelingen moet lijden als de dichter om zijn poëzie te kunnen waarderen, want zo nee, dan hebben wij elkaar maar weinig te zeggen.

Gedichten

Droom

Toen de aarde eensklaps uit de bocht vloog
en stuurloos door het universum zeilde
vluchtten mijn zus en ik onder de grond
en reisden twintig jaar terug in de tijd
we kwamen Jean-Paul Sartre tegen die
niet wist dat hij de redacteur zou worden
van mijn twee eerste bundels, dat hij daarna
zou overlijden aan een hartaanval
en mijn derde boek zo in de kiem zou smoren
hij lachte glazig, geloofde er geen snars van
om hem te overtuigen wou ik al
een gedicht uit Als geen ander voor gaan dragen
toen ik bedacht: alles wat ik zeg
kan tegen mij gebruikt worden, straks doe ik
de toekomst van mijn poëzie teniet
er viel een stilte, door zijn brillenglazen
keek hij met één oog weg, terwijl het andere
minachtend aanzag hoe ik wakker werd
twee dingen intrigeren mij nog steeds
waarom schrok ik niet wakker toen de aarde
eensklaps met een noodvaart uit de bocht vloog
en wat zag Sartre met zijn andere oog

(ongepubliceerd, 2010)

Alles wat je nodig hebt

Ze weet dat ik geen ouders heb, ze slapen
onrustig onder de planken van mijn bed
soms timmert mijn vader ’s nachts met blote vuist
de Marseillaise vlak onder mijn hoofdkussen
want alles wat je nodig hebt is liefde
begint de schone slaapster naast mij zacht
te neuriën, mijn moeder vlak daaronder
lucht ook haar hart, hamert er dwars doorheen
de negende van Beethoven, verbroederd
in slapeloosheid vervloeken wij de nacht

(Uit: De uitputting voorbij, 2011, Nieuw Amsterdam)

Terug naar het vertrekpunt

Nog steeds geven de huizen tegenover
geen inkijkje op wat hier leeft, de ramen
weerspiegelen een weg, een verlaten weiland
wat bomen verderop, een heldere hemel
geen mens die staat te wachten of hij kijkt
of hij de zuigkracht van twee openende deuren
nu wel weet te weerstaan, de buschauffeur
is het gewend, de jeugd van tegenwoordig
weet zelden wat ze wil, ik draai mij af
ik hoor de bus weer optrekken, verder rijden
ik ga zitten in het bushokje waar zij
toen dromerig krullen in haar haren draaide
nu zie ik haar verschijnen, leunend tegen
de straatlantaarn waar ik die middag stond
te lachen om een brief, pas onderweg
kwamen we zij aan zij te zitten, raakten
we aan de praat, er kwam geen einde aan
nooit zijn we ergens aangekomen, niemand
bedekt zich met de echo van onze passen
niemand is de weg die wij nu kwijt zijn

(Uit: De uitputting voorbij, 2011, Nieuw Amsterdam)

Gedichten

Lotgenoten

Een knikker ligt op straat, ik buk, het is
zo’n grote, tientallen gewoontjes had ik
er vroeger voor over om zo’n knikker op
mijn handpalm rond te mogen laten rollen

Een zwarte man loopt naar de tram, sportschoenen
een beige pantalon, een overhemd
een pet van gangsterrapper 50 Cent
en op die pet twee plastic duivelhoorntjes
en in zijn hand een plastic drietand om
in zondig vlees te prikken, de tram
rijdt voor zijn neus de straat uit, hij heeft
geen weet van wat hij heeft gemist, de vork
hangt langs zijn lijf, nog even en de tanden
boren zich in het gebarsten asfalt

Hoe lang kan iemand zo verloren blijven
tot iemand hem de hand reikt, in de mijne
rust nog die knikker, onwillekeurig breng ik
hem naar mijn mond, ik proef de smaak van glas
ik voel de vorm van groot en hard en rond

Een jongen drukt een iPod tegen de borst
probeert vergeefs Borsato’s stem te smoren
hij kijkt niet naar de vrouw die hem bedremmeld
voorbij laat gaan als zij, een zware tas
in elke hand, net de Hema in wil lopen
niet naar de man die worstelt met zijn fietsslot
niet naar de lieden in oranje hesjes
voorbodes van een opgebroken weg

En niet naar mij, de knikker rolt weer van
mijn lippen, ploft weer op mijn handpalm, kijk
ik ben een kip, leg in mijn hand een ei
ik ben een vis, neem afscheid van een luchtbel
en om mij heen, zover het oog reikt, kinderen
die snakken naar wat adem

In het huis van je vader

De kat die toe mag kijken als we vrijen
die Tom heet, net als vroeger, de paraplu
die niet de paraplu is waarmee jij
onder de douche het vieze weer naspeelde
de handen die je niet meer bij je middel
vastpakken om je van de grond te tillen
eenzame voetsporen op het plafond

Keitjes om mee te keilen

De beste keitjes
vind je in Frankrijk

hij had er een stel
mee terug genomen, maar

het Nederlands water
keilt lang niet zo lekker

ze liggen bij haar
nu onder de koelkast

en niemand die nog
naar ze om durft te kijken

Uit: Stil alarm, 2009, Nieuw Amsterdam

Recensie van Als geen ander - Krijn Peter Hesselink

Hoe onvervreemdbaar wij zijn

Krijn Peter Hesselink
Als geen ander
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2008
ISBN 9789046804346
€ 14,90
72 blz.

‘Ik denk steeds vaker aan je terug, al weet ik niet aan wie.’ De regel is afkomstig uit de debuutbundel van Krijn Peter Hesselink. Een dichtregel die bovendien illustratief is voor wat de lezer zoal krijgt voorgeschoteld. In Als geen ander is de dichter voortdurend in gesprek. Vaak met zichzelf, regelmatig met God, soms met een zomaar voorbij fietsende vrouw. In alle gevallen is het de ontmoeting met de onzichtbare ander waarnaar de dichter zoekt. En meer dan eens blijkt die ander, geen ander. Dat maakt de gedichten van Hesselink tot een zoeken, een onderzoeken naar hoe ik en jij, ik en de ander elkaar beïnvloeden, in elkaar overlopen, elkaar zijn.

Dat motief krijgt op veel plaatsen de vorm van een ongeduldig schaakspel in en met woorden. Met daarin die steeds terugkerende vraag: zeg me wie ik voor me heb. In ‘Op het lege kussen naast me’ klinkt dat zo:

‘Een paspoort, mijn naam
jouw foto, met aangehecht
dit schrijven: ik was
je paspoort kwijt, liefje, en omdat
ik echt vond dat ik jou was, ik
naar het stadskantoor
voor een nieuwe’
(…)

We zijn er getuige van hoe de ik-persoon op een goede dag besluit genoeg zichzelf te zijn om een paspoort aan te vragen. Het identiteitspapier is opeens in de meest letterlijke betekenis een bewijs van onvervreemdbaarheid geworden, als een verklaring van echtheid voor de houder. Eenmaal op het stadskantoor gearriveerd gaat het verder:

(…)

‘ze verklaren dat ik jou ben
ze verklaren dat je paspoort kwijt is

dan nog snel een foto laten maken en
klaar is kees, vind je
ook niet dat ik lijk?’

Ondanks de komische uitsmijter, broeit er in dit gedicht een onbehagen, een onzekerheid die ook op andere plaatsen meer of minder doorklinkt. Religie speelt daarin een rol. Juist de hoogtepunten in dit debuut vinden daar wat mij betreft hun oorsprong. Kijk naar de volgende zinnen uit ‘Ieder zijn eigen openbaring’: ‘nee, geen mensenzoon breekt zich/het hoofd of het lichaam/over wat daar kalmpjes wemelt’. De hoop op een messias, of een deus ex machina lijkt wat betreft Hesselink vervlogen. Toch spreekt hij verderop in het gedicht alsnog het verlangen uit naar de dag dat ‘een lieveheersbeestje zich neerlegt naast een bladluis’. Hij parodieert hiermee de Bijbelse profetie dat de leeuw en het lam ooit in vrede met elkaar zullen leven.

Dit gedicht is niet alleen mooi in eenvoud en goed getimed, maar wekt ook sympathie vanwege het tegenstrijdige denken en hopen dat erin tot uitdrukking komt.    

De timing springt ook elders in Als geen ander in het oog. Toevallig is dat niet. Hesselink publiceerde eerder al in een aantal poëzietijdschriften, maar kreeg vooral bekendheid door zijn optredens. In 2006 werd hij kampioen ‘slam poetry’. Zijn voorliefde voor het gesproken gedicht klinkt door in de eenvoud van zijn verzen. Bijvoorbeeld in het titelgedicht ‘Als geen ander’:

 ‘De lucht proeven
die je rond de lippen zweeft
die in je is geweest zoals
geen ander’
(…)


Veel gedichten in deze bundel zijn korte verhaaltjes die uit oneliners zijn opgebouwd en zich daardoor bij uitstek lenen voor de voordracht. Dat neemt niet weg dat de verzen ook op papier levensvatbaar zijn.

Hesselink weet zijn publiek te overtuigen. Tegelijk leunt de dichter wel erg sterk op dat ene thema dat hij beheerst, het spel tussen ik en jij. ‘Een woord nu ik gehoord ben, een vondeling nu ik mij gevonden heb, ja daarom heb ik mij verlaten.’ Het is een wankel evenwicht.
En Hesselink raakt nog weleens uit balans. De verwarring en verhaspeling van identiteiten is dan niet langer functioneel en wordt quasi-diepzinnig of ronduit irritant. ‘Ik dacht dat ik het bot was, de hond die mij begroef.’ Ach, een jonge hond moet kunnen kwispelen. Wie daarvan de charme inziet, houdt nog genoeg over om naar te luisteren en zich met Hesselink – al dan niet hardop – af te vragen hoe onvervreemdbaar wij zijn. 

***** 

Krijn Peter Hesselink (1976) is dichter, voordrachtskunstenaar en vertaler. In 2006 won hij het Nederlands kampioenschap Poetry Slam. Hollands Maandblad kende hem in 2008 een schrijversbeurs toe. Hij publiceerde onder meer in Krakatau, Lava, Armada en nrc.next en verzorgt elke zaterdag een radiogedicht als afsluitende ‘samenvatting’ van het radioprogramma Opium bij de VPRO.