Gedichten

Vertaling: Peter Verstegen

(geen titel, pp 188-189)

Ich weiß nicht was soll es bedeuten,
Daß ich so traurig bin;
Ein Märchen aus alten Zeiten,
Das kommt mir nicht aus den Sinn.

Die Luft is kühl und es dunkelt.
Und ruhig fließt der Rhein;
Der Gipfel des Berges funkelt
Im Abendsonnenschein.

Die schönste Jungfrau sitzet
Dort oben wunderbar;
Ihr goldnes Geschmeide blitzet,
Sie kämmt ihr goldenes Haar.

Sie kämmt es mit goldenem Kamme
Und singt ein Lied dabei;
Das hat eine wundersame,
Gewaltige Melodei.

Den Schiffer im kleinen Schiffe
Ergreift es mit wildem Weh;
Er schaut nicht die Felsenriffe,
Er schaut nur hinauf in die Höh.

Ich glaube, die Wellen verschlingen
Am Ende Schiffer und Kahn;
Und das hat mit ihrem Singen
Die Lore-Ley getan.

*

Ik weet niet wat toch de reden
Is dat ik zo treurig ben;
Een sprookje van lang geleden,
Dat maalt maar steeds door mijn brein.

De lucht is koel en het donkert.
En rustig stroomt de Rijn;
Zie hoe de bergtop flonkert
In de laatste zonneschijn.

De schone jonkvrouw zit er
Daarboven stralend bij,
Haar gouden opschik schittert,
Haar gouden haar kamt zij.

Zij kamt haar lokken zingend
Al met een gouden kam;
De melodie is dwingend
En wonderlijk aangenaam.

Een scheepje nadert, de schipper
(Of hem wilde weemoed bevloog)
Kijkt niet meer naar de klippen,
Kijkt enkel nog omhoog.

Ik meen dat ten slotte de schipper
En zijn bootje zijn vergaan;
En dat heeft met haar zingen
De Lorelei gedaan.

**

(geen titel, pp. 195-197)

Still ist die Nacht, es ruhen die Gassen,
In diesem Hause wohnte mein Schatz;
Sie hat schon längst die Stadt verlassen,
Doch steht noch das haus auf demselben Platz.

Da steht auch ein Mensch und starrt in die Höhe,
Und ringt die Hände, vor Schmerzensgewalt;
Mir graust es, wenn ich sein Antlitz sehe—
Der Mond zeigt mir meine eigne Gestalt.

Du Doppeltgänger! du bleicher Geselle!
Was äffst du nach mein Liebesleid,
Das mich gequält auf dieser Stelle,
So manche nacht, in alter Zeit?

*

Stil is de nacht, in slaap zijn de straten,
Dit is haar huis, hier woonde zij;
Ze heeft sinds lang de stad verlaten,
Maar ’t huis staat er nog net zo bij.

Er staat ook een man omhoog te staren,
Hij wringt zijn handen, smart grijpt hem aan;
Het is een schok zijn gezicht te ontwaren –
In ’t maanlicht zie ik mijzelf daar staan.

Jij dubbelganger, zo bleek van het lijden,
Na-aper van mijn liefdesleed,
Dat mij des nachts in vroeger tijden
Op deze plaats versmachten deed!