Ontmoeting met Rutger Kopland

Dat kan ik niet echt mooi vinden

Rita Hijmans (Oegstgeest, 1948) studeerde eerst pedagogiek. Zij was echter ook veel met muziek bezig en op latere leeftijd behaalde zij een conservatoriumdiploma.
Zij componeert – voornamelijk in opdracht – voor ensembles en orkesten in diverse samenstelling, omvang en niveau. Zo schreef zij werken voor jeugdsymfonieorkest, strijkorkest, blazers ensemble, blaaskwintet, strijkkwartet, viool en piano, cello en piano. Ook zette zij gedichten op muziek -van Marsman, Jellema, Ernst Jandl, Judith Herzberg, Vasalis, Szymborska, Ida Gerhardt, Mahmoud Darwish- zowel voor koor als voor solozang met basklarinet en marimba.
Ook de gedichten van Rutger Kopland zette zij op muziek. Ze had een ontmoeting met hem, waarbij ze de muziek liet horen.
Hieronder vertelt Rita hoe die ontmoeting verliep.

Wat ik mij al maandenlang had voorgenomen, deed ik nu, herfst 1999. Ik pakte de telefoon en draaide het nummer van professor Rudi van den Hoofdakker.
Aarzelend bracht ik hem op de hoogte van het volgende: ik had enkele van zijn gedichten op muziek gezet en nu wilde ik hem vragen of hij aanwezig wilde zijn bij de uitvoering in mei 2000, in ons huis in Oegstgeest. De liederen zouden ten gehore worden gebracht ter opluistering van een expositie van het werk van Jan Roëde, en het was Jan Roëde die mij gevraagd had Kopland te bellen. Hij wilde hem graag ontmoeten en dit leek een mogelijkheid.

Rutger Kopland reageerde uiterst terughoudend. Hij had zijn familie moeten beloven het rustiger aan te doen. Ik stelde daarom voor dat ik een opname zou maken en deze een keer zou brengen.
‘U kunt het ook sturen, Groningen is ver weg’, zei hij.
Ik vertelde hem dat ik ook gedichten van Cor Jellema op muziek had gezet, en dat ik die persoonlijk ging brengen, in Leens, niet ver van hem dus.
We spraken af dat ik hem in ieder geval de partituur zou sturen.
Ik deed dat en ontving ik een bedankkaartje waarop hij schreef benieuwd te zijn naar een uitvoering; hij kon de partituur niet ‘lezen’ en was dus aangewezen op het beluisteren van anderen. Tevens informeerde hij of ik het had gemeld bij de Buma, het geen ik kon bevestigen.
Enkele weken daarna waren de opnames klaar en belde ik opnieuw.
Omdat hij kort daarna naar Frankrijk zou gaan, besloten wij dat ik in de herfst opnieuw contact zou opnemen.

Eind september 2000 belde ik hem op.
Hoewel hij nog pogingen deed mij te ontmoedigen om te komen, maakten wij toch een afspraak. Ook informeerde ik nog naar zijn afspeelapparatuur; hij bleek alleen een cd-speler te bezitten, geen cassettedeck. Maar in de auto was er wel een, al moest ik daarvan geen al te hoge verwachtingen hebben. Overigens, en dat vermeldde hij nog met nadruk, na Bach was er niet veel meer geschreven dat hem kon boeien. Moderne muziek al helemaal niet..

Ik vertelde hem dat ik met de trein zou komen. Hij adviseerde mij de trein naar Groningen te nemen en vervolgens een treintaxi.
Ik had op mijn reisplanner gekeken en vroeg hem of het niet handiger was om in Haren uit te stappen. Dichter bij Glimmen, dacht ik. Hierop antwoordde hij dat daar geen treintaxi’s waren en vervolgens bood hij aan mij te komen halen. Ik vertelde dat de trein om 13.45 zou aankomen. Rutger Kopland: ‘Treinen zijn nooit op tijd, u belt maar als u in Haren bent.’

Begin oktober stap ik precies om 13.45 uit de trein in Haren, om vervolgens een half uur verwoede pogingen te doen om Rutger Kopland te bellen. Het toestel is voortdurend in gesprek. Het is mooi weer, ik heb een boekje bij me, er staat een bankje op het grasveld voor het station.
Drie kwartier later rijdt hij voor, in een morsige Citroën CX. Het is duidelijk dat hij een hond heeft, op de ‘behaarde’ voorbank, ligt een riem. We spreken weinig, ik neem de omgeving in mij op.
Na tien minuten komen wij bij zijn huis aan waar hij mij een kopje thee aanbiedt.
Het huis maakt een rommelige indruk. Ik begrijp dat zijn dochter daar ook tijdelijk woont met man, kinderen en nog een hond.
We spreken weinig. Ik vertel hem dat ik bij Cor Jellema ben geweest, met hetzelfde doel, een opname te laten horen van een gedicht van hem dat ik op muziek had gezet. Jellema  vertelde mij daarbij, dat men bij de uitreiking van de VSB-prijs als verrassing een van zijn sonnetten op muziek had gezet en dat hij er met kromme tenen naar had zitten luisteren.
‘O, echt?’, vraagt Kopland, die daar ook aanwezig was geweest, ‘ik vond het prachtig, hoe is het mogelijk dat hij dat niet mooi vond. En hoe vond Jellema uw muziek?’
Ik vertel hem dat Jellema erg enthousiast was geweest en dat hij op zoek was gegaan naar gedichten waarvan hij dacht dat ik ze ook op muziek zou kunnen zetten.
‘Hoe is het mogelijk dat Jellema dat niet mooi vond, ik vond het prachtig’, benadrukt Kopland nog eens.

We spreken over zangers en zangeressen en Kopland doet voor hoe afschuwelijk hij sommige zangeressen vindt. Hij probeert ze na te bootsen, waarbij hij zich inspant om overdreven hoge geluiden voort te brengen…
Ik probeer zo rustig mogelijk te blijven, want één ding is duidelijk: hij probeert zich op alle denkbare manieren in te dekken tegen wat hem te wachten staat.
Eindelijk gaan we naar de auto, die voor het huis staat.
Het is zomers weer, warm, we draaien de raampjes open, er komen veel geluiden van buiten, brommers, vliegtuigen en de kwaliteit van de cassetterecorder is inderdaad niet geweldig. Krakend en piepend zet het bandje zich in beweging.
We kijken beiden naar buiten, we luisteren in stilte.

Als het bandje afgelopen is, blijft het even stil. Dan vraagt hij: ‘En de muziek van Jellema, heeft u die ook bij u?’ Ik beaam dat en speel ook die muziek voor hem af.
‘Wat ben ik blij dat ik dat gehoord heb, dat vond ik echt mooi’, zegt hij, ‘maar wat u met mijn gedichten heeft gedaan, dat kan ik niet echt mooi vinden. Te overdreven, te nadrukkelijk en dan die melodiesprongen, vreselijk.’
Ik zwijg.
Hij gaat verder.
‘Als ik ergens in een gedicht schrijf: geluk is gevaarlijk, dan bedoel ik dat als een heel gewone uitspraak, niets theatraals, niets bijzonders, gewoon ‘geluk is gevaarlijk’.
Maar in uw muziek wordt het heel nadrukkelijk gezongen, dat is helemaal niet de bedoeling. Door sprongen te maken in de muziek, krijgen de woorden meer nadruk dan nodig. Nog een voorbeeld. U herhaalt soms woorden of zinnen, maar in het gedicht heb ik dat niet geschreven.’
Als ik daarop even het antwoord schuldig blijf, iets zit te verzinnen over muzikale vrijheid, maakt hij zelf een stapje: ‘Schubert deed het ook.’ We lachen.

Hij vraagt mij het bandje nog eens af te spelen. We zullen het nummer voor nummer doen en hij zal aantekeningen maken.
Ik de kantlijn schrijft hij twee keer ‘nee’ en even verder: ‘te zwaar’, en ‘te hoog’. Hij zet pijlen bij melodiesprongen en soms, heel soms schrijft hij: ‘mooi’.
Ineens wordt het mij duidelijk dat ik iets vreselijks heb gedaan. Waar Kopland in zijn gedichten probeert de emotie te beteugelen, in te dammen, beheersbaar te maken, heb ik, door het op muziek te zetten, de emotie weer hoorbaar, weer voelbaar gemaakt. Een tegengestelde beweging dus.
Logisch dat hij zijn hakken in het zand zette, al bij ons eerste telefoongesprek.
Logisch dat hij zich indekte, verzette. Maar hij was ook nieuwsgierig en ijdel, hij wilde het ook horen.
Ik realiseer me hoe waardevol dit bezoek is. Ik zal vanaf nu, met deze kennis, anders met zijn gedichten omgaan.

Nadat ik nog een geheel koud geworden kopje thee heb gedronken, brengt hij mij terug naar het station. In Haren aangekomen wil ik hem in de auto een hand geven, zodat hij meteen terug kan rijden, maar hij stapt uit. En niet alleen stapt hij uit, hij loopt ook nog mee naar het perron.
Daar staan we samen, een heel klein station ‘in the middle of nowhere’.
Hij vraagt nog naar mijn opleiding. Ik vertel hem van mijn staatsexamen.
Dan komt in de verte de trein aan. Ik draai me naar hem toe en geef hem een hand.
Ik stap in de trein en zoek een plaatsje aan de overkant van waar Rutger Kopland staat.
Ik verwacht dat hij zich zal omdraaien en weglopen.
Maar dat gebeurt niet.
Hij kijkt onderzoekend rond of hij mij ergens ziet zitten, maar vanaf plek waar hij staat, kan hij mij niet zien.
Vanaf mijn zitplaats zie ik hem staan.
Langzaam zet de trein zich in beweging.
Hij heft zijn hand op om te zwaaien, een aarzelende beweging, die mij op de een of andere manier erg ontroert.

Februari 2001

Zie ook: http://www.ritahijmans.nl