Gedichten

Zelfbeschikking

Niets was aan haar gelijk en zij vrat voort van het groene
gazon en toen dat op was trok ze zich terug op haar balkon
waar haar opviel: bitter weinig sneeuw in een
godvergeten eeuw.

Zij was haar eigen god, plengde één te late traan om dat
wat zij verzengde, voordat zij werd weggevaagd
en ditmaal niemand nog van ver de rook
van haar verbranding zag.

Onze eigen Big Rip

Laat mij toch afgezaagd hier liggen,
verworpen uit een tuin die ooit bruiste,
zie jij niet dat het uitspansel
nooit meer zwart is?

Ik aarzel je uitgestoken hand
te aanvaarden, mij nog éénmaal
op te richten, maar vooruit,

laat ons nog een paar tellen ruggelings
naar het einde van de schepping kijken,
dertien miljard jaar is aan het verdampen –

misschien dat ik nog heel even mee
kijk tot de zon uitgaat

Julians hut

ik wilde een hut net als julian
maar daar moet je een boom voor hebben
en onze tuin was te klein voor een boom.
julians vader was goed met zijn handen
en had hem gebouwd toen
hij nog iedere dag
naar de fabriek ging.

ik speelde vaak bij julian in het huis
bij het spoor. vanuit de hut keken we
over de schutting naar de treinen
en gooiden kastanjes naar beneden
terwijl zijn vader binnen schreeuwde
zonder dat hij wist waarom
hij schreeuwde.

later bracht julians moeder ons
dan peperkoek met boter,
haar ogen blauw, eenmaal
kwam er bloed uit haar neus
en ze lachte alleen met haar mond.

’s avonds thuis in mijn bed
droomde ik dat er een kastanjeboom
midden in onze tuin groeide
en dat mijn vader
er een hut in zou bouwen

maar er groeide geen boom in onze tuin
en ik ging steeds minder vaak
naar julian, zijn vader sloeg er
met de fles aan zijn lippen,
zijn peuken gooide hij
steeds vaker op de grond
of in het haar van
julians moeder.

soms kwam julian nog wel eens
bij mij thuis spelen, we tekenden
dan een boom met een hut.
op een woensdagmiddag
bracht mijn oom twee jonge poesjes,

voor ieder één,
en opgetogen lieten we de katjes
aan mijn moeder zien. ze lachte
met haar mond en ogen,

waarop ik samen met julian
en een grijsgestreept katje
weggestopt onder zijn versleten jas
naar hun huis aan het spoor ging,

waar zijn vader zodra hij het dier zag
sloeg met de waterpomptang
en wij naar de hut vluchtten

waar julians moeder ons later
peperkoek met boter bracht