Recensie van Dichter & andere dingen - Ton van 't Hof

Scheppen is hergebruiken

Ton van 't Hof
Dichter & andere dingen
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401351
€ 22,50
196 blz.

De uitspraak is toegeschreven aan Michelangelo die naast schilderen, ontwerpen en dichten ook aan het beeldhouwen was: het beeld zit er al in, je hoeft alleen de rest weg te halen. Ton van ‘t Hof is beeldhouwer van taal. De bundel Dichter & andere dingen heeft als ondertitel: ‘Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk’. ‘New and selected poems’ zouden Engelstaligen zeggen en dat is ook wel een belangrijke inspiratiebron voor Van ‘t Hof: Amerikaanse en Engelse dichters. Ton van ‘t Hof blogt graag en veel en in zijn blog van 18 december over de Amerikaanse dichter John Ashbery doet hij een uitspraak die ook past bij zijn eigen werk: ‘Scheppen is hergebruiken’.

Dichter & andere dingen is de naam van de verzamelbundel en tegelijkertijd de naam van het laatste deel ervan. De andere delen dragen allemaal de naam van de tien eerder verschenen bundels. Zo vallen deel en geheel samen. Eén van de gedichten in het laatste deel draagt ook nog eens dezelfde naam en dat geeft in tien genummerde gedichten commentaar op het dichten. Niet op dichten in het algemeen maar op het eigen dichten van dichter Van ‘t Hof. Alhoewel, wij dienen op onze hoede te zijn, want George Oppen voorziet het gedicht van het motto: ‘I simply stole em’. Gaat dat over de woorden die volgen of over zijn gehele werk? De dichter verklaart zichzelf:

Dichter & andere dingen – 6

Radicaal zijn, 
is doordringend zijn,

tot de kern van de zaak,

dichter, nieuwe taal 
die zo oud is als de dichtkunst zelve

en naar nieuwe betekenissen graait, hevige overloop 
die tot de lippen van de status quo dreigt te komen,

dichter, 
dichter & andere dingen, monstrueuze schikkingen 
die uit zijn op onstuimig effectbejag, dichter, 
dichter, zo wild als onze planeet is.

De veel voorkomende titel zegt het: de dichter is een ding, naast andere dingen. De dichter is een procesbegeleider. Een rangschikker van zoekopdrachten op het wereldwijde web. In het deel Chatten met Jabberwacky, dat verwijst naar de gelijknamige bundel uit 2008, is de dichter een online chatrobot (Jabberwacky dus) die geprogrammeerd is te reageren op zinnen die worden ingegeven. Van ‘t Hof voert het ‘ding’ een gedicht van de Amerikaanse dichter Charles Bernstein en het gesprek dat daaruit voortvloeit presenteert hij als een ‘ready made’, een variant op het urinoir dat Marcel Duchamp in een museum plaatste. Scheppen is hergebruiken.

En wat te denken van het gedicht ‘Kamer’ waarvan in deze bundel een kwart is overgenomen en die oorspronkelijk is te vinden in de bundel Aan een ster / she argued uit 2009. Alle teksten die hij tegenkwam op een willekeurige dag in februari in Afghanistan. Van de tekst op de tissuebox tot de correspondentie van de bank. Van de cover van National Geographic tot de bijsluiter van de vitaminepillen. De dichter annex beeldhouwer heeft slechts een dag en een plaats gekozen. Scheppen is hergebruiken.

En dan te bedenken dat Ton van ‘t Hof stopte met tekenen en schilderen omdat hij het gevoel had met taal meer van zichzelf kwijt te kunnen om vervolgens selecties van zoekopdrachten te betitelen als gedicht. Google als muze. Het fenomeen ‘flarf’ heeft hij van alle kanten onderzocht om het ook weer achter zich te laten op zoek naar andere vormen waarbij hij uit een breed taalaanbod zelf gedachten kan hakken. Dichter & andere dingen biedt een overzicht van Van ‘t Hofs experimenten met de taal. Binnen één omslag de boeiendste proeven. Deels zelf bedacht, deels voortgekomen als een hertaling van Amerikaanse voorbeelden. Scheppen is hergebruiken.

Van ‘t Hof neerzetten als ‘avant-gardist’ doet hem onvoldoende recht omdat die term suggereert dat er een voorhoede is die voor de grote massa het slagveld betreedt. Dichters als Van ‘t Hof zijn niet geïnteresseerd in de beweging die komt als zij weer zijn vertrokken. In zijn optiek lopen er nog te veel mensen achter die oude revolutie van de Vijftigers aan. De aandacht van Van ‘t Hof gaat primair uit naar de materie: wat kan ik hakken uit deze steensoort? Welke spiegels van mijn ziel krijg ik dan te zien? Niet het gevoel dient te worden verwoord, maar na de verwoording dient de emotie zich aan. De vorm vraagt aandacht en genereert zo een betekenis die wellicht een andere is voor de dichter dan van de lezer. Het geproduceerde leidt een eigen, autonoom bestaan. De dichter is een ding, het gedicht zelf een levend organisme. Of zoals de dichter het formuleert:

Dichter & andere dingen – 4

Pas als het gedicht af is, 
weet ik het.

Want al wat ik weet, 
zal ik niet beschrijven. En dat is

vanzelfsprekend

het essentiële leven van het gedicht.

Dichter & andere dingen. Nieuwe gedichten en een keuze uit eerder werk van Ton van ‘t Hof boeit vanwege het overzicht. Door uit alle bundels representatief materiaal op te nemen, leef je mee met het zoekproces: hoe kun je de reusachtigheid van het taalaanbod aan het werk zetten? Daar doorheen zie je een andere strijd: die van afstand houden door de vorm te benadrukken tegenover de drang om gevoelde emoties weer te geven. De taal levert ‘monstrueuze schikkingen die uit zijn op onstuimig effectbejag’, maar het is de dichter die de keuzes maakt en zo toch iets bloot geeft van zichzelf. En hoeveel geef je dan prijs?

De bundel sluit af met de waarden van een bloedonderzoek van een in 1959 geboren man. In rood staan de afwijkende waarden. Zo is er iets met de cholesterol, de glucose en de leukocyten. Het onderzoek stamt uit 2014. Van ‘t Hof is van lichting ’59. Een bloedonderzoek als ready made gedicht. Afstandelijk rapportje met getalswaarden bij de gemeten variabelen en anderzijds wellicht een verhaal over een haperend lijf. Ook hier geldt dan: de dichter is een ding. Een ding dat gewoon kapot kan. Natuurlijk hoop ik dat dit slotgedicht niet een verkapte verwijzing is naar een fatale ziekte en de verzamelbundel een afscheidsbundel. Er valt nog zoveel meer te experimenteren, al dan niet geïnspireerd door Amerikaanse voorbeelden. Tot op heden komt er elke dag een blog bij. Dat stemt optimistisch. Elke dag een blog, elke dag een stukje weggeslagen marmer om het beeld dat erin verstopt zit te bevrijden.

***
Ton van ‘t Hof  (1959) is opgeleid als militair. Hij publiceerde eerder tien poëziebundels, waaronder Aan een ster/ she argued (2009),Een lijn is een vore (2011) en Dingen sluiten nooit helemaal goed aan (2015). Hij vertaalde werk van John Ashbery, Sophia Le Fraga en Charles Bernstein. Hij was, naast Chrétien Breukers, medeoprichter van De Contrabas, een poëzieweblog die tot oktober 2014 actief was. Van ‘t Hof stelde in 2011 een bloemlezing samen onder de titel Flarf en is uitgever bij Stanza waar ook al zijn eigen bundels verschijnen. Hij schrijft een dagelijkse blog

Recensie van Dingen sluiten nooit helemaal goed aan - Ton van 't Hof

Zelfonderzoek en engagement

Ton van 't Hof
Dingen sluiten nooit helemaal goed aan
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2015
ISBN 9789490401207
€ 12,95
74 blz.

 
Ton van ’t Hof (1959) gaf zijn tiende bundel Dingen sluiten nooit helemaal goed aan uit bij zijn eigen uitgeverij Stanza, waar lezers exemplaren van de bundel on demand kunnen laten drukken of online bestellen. Ik vermeld dat, omdat dit iets zegt over het dichterschap van Van ‘t Hof. Hij zet zich af tegen de canon van de grote uitgeverijen, die ook de longlist van de VSB prijs domineren, zoals hij op You Tube betoogt. En in zijn gedicht ‘Wie is Roel Richelieu van Londersele?’ schrijft hij: ‘ja er gebeuren gekke dingen / in de literaire wereld (kijk maar naar de VSB Poëzieprijs!)’. Veel experimenten, bijvoorbeeld met computerpoëzie, blijven daardoor onderbelicht.
In zijn vermakelijke openingsgedicht ‘Een kleine gemeenschap’ ironiseert hij die canon. Dichters als Komrij, Slauerhoff, Vasalis en Kopland veegt hij op een hoop met mensen als Bertus Aafjes, Daan Zonderland en Kees Stip. Iedere dichter afzonderlijk noemt hij een genie. ‘Zij zijn onze helden!’ luidt de laatste regel.
 
Van ’t Hof maakte ‘flarf’ bekend in Nederland, een onzinnaam, net als dada. Je zou het dada 3.0 kunnen noemen: het maken van collages van krantenteksten, zoals Kurt Schwitters wel deed, is in flarf vervangen door google-fragmenten.
Flarf is over zijn hoogtepunt heen, maar computerpoëzie blijft Van ‘t Hof boeien. Van Jezus’ geboorteverhaal volgens het evangelie van Lucas heeft hij twee afzonderlijk bewerkte prozagedichten gemaakt, gevolgd door een pagina waarin hij uitlegt hoe hij dat heeft gedaan: met behulp van een online Markov Generator, gebaseerd op het ‘computer stylistics program’ Travesty.  Op zijn blog 1honderd1 geeft hij eveneens een toelichting. Ik krijg geen greep op de teksten, omdat de bewerkingen een illustratie vormen van Markov’s stelling dat ‘toekomstige toestanden alleen afhankelijk zijn van het heden, en dus onafhankelijk van het verleden.’ Die stelling vind ik heel eigenaardig: er is geen heden, want toekomst en verleden gaan naadloos in elkaar over. Maar goed, we doen in het dagelijkse leven of het wel bestaat. Om welk heden gaat het dan? Dat van het eerste woord van deze zin of dat van het laatste? De toekomstige toestanden gaan kennelijk onophoudelijk over van afhankelijk naar onafhankelijk. De gedichten intrigeren me echter wel en daarom blijf ik ze herlezen in de verwachting dat ik ze ga waarderen.
 
De rest van de bundel is ‘gewone’ poëzie. Het is een middel tot zelfonderzoek, een manier om jezelf steeds opnieuw te leren kennen:
 

( …. )
Wat was
en is
mijn relatie met de energie
die het leven is?
 
En ik greep, na jaren
opnieuw naar
 
de poëzie

 
Je verandert voortdurend en dat moet poëzie daarom ook doen:
 

( … )
ik wil een nieuw leven
ik wil de wereld onder ogen durven zien in de tijd
die mij nog gegeven is
 
en kan dus niet meer doen wat ik altijd deed
geen gedicht meer schrijven op de wijze als voorheen
 
waarbij je drommels goed weet
wat je doet
en het tóch doet
 
tóch doet goddomme
 
in luxe teren
op wie niks heeft
op deez’ aard
waar Gaea uit oprees
 
( … )
 
( In: ‘Ach mens! Kijk naar je eigen! Over de voorbereiding van een gedicht in c-majeur’)

 
Deze passage is ook een voorbeeld van het engagement van de dichter. Daarin voelt hij zich vaak onmachtig, schuldig en gefrustreerd.
 
Bij het zelfonderzoek is reflectie op ervaringen essentieel. Ik citeer het gedicht ‘Hoor hier in zijn geheel. Het gaat me nu om de eerste regels; op de rest van het gedicht kom ik later terug.
 

HOOR HIER
 
hier. Hoor
 
hoe ik ervaring omzet
 
in taal. Iemand plaatst me
 
op grond van mijn geboortejaar
 
bij postmodern tuig.
 
Ik maak een hoop lawaai
zie er woest uit
 
een lukrake slingering
 
tussen een vermeend ideaal
en de rommelige realiteit
 
van smaak, beperkingen, afwijzingen etc.

 
Dat die ervaringen vaak zijn gebaseerd op zijn deelname als militair aan de Golfoorlog en de acties in Afghanistan, ligt voor de hand: die uitzendingen hebben een onuitwisbare indruk op hem gemaakt. In een prozagedicht schrijft hij:
‘Ze vragen je “maar wat was er dan zo bijzonder” en het bijzondere was, weet ik nu, dat ik niet alleen bij al die anderen maar ook bij mezelf een heimwee bespeur ( … ) naar die vreemde, onuitlegbare tinteling die in de lucht hing, die bijna aanraakbare verwachting, die in de lucht hing, die totale ontroerende openheid van iedereen tegen iedereen, het mengsel van hoop, naïviteit, tactiek en eerlijkheid, alles wat nu, nu de wereld er weer uitziet als de wereld, onzichtbaar is geworden.’
 
In zijn verantwoording schrijft Van ’t Hof, enigszins ironisch naar ik aanneem: ‘Enige gelijkenis van mijn werk in deze bundel met werk van bijvoorbeeld John Ashbery, Paul Celan, Ed Dorn, Bruno Latour, Jackson Mac Low, Cees Nooteboom, Frank O’Hara, George Oppen of George Steiner berust niet op toeval.’ Kan zijn, maar allusies op zich maken een gedicht niet beter: dat moet ook goed zijn als je die als lezer niet opmerkt. Helaas is dat niet altijd het geval. Soms kan hij clichés niet vermijden, ondanks zijn streven naar passende vormen.  Een uitspraak als ‘We hebben materie / tot onze afgod gemaakt’, zal veel instemmend geknik opleveren, evenals de constatering dat we niet meer kunnen loskomen van ‘een enorm fort van vooroordelen, privileges, bijgeloof, / leugens, misbruiken, gewelddaden, ongelijkheden, duisterheden / en torens van haat.’ Maar grote poëzie is dit niet. Ook woorden als (mijn) ‘passies’ kunnen mij niet bekoren en datzelfde geldt voor frasen als: (ik weet) ‘dat ik geen authentiek innerlijk vertrekpunt heb’ of ‘Ook ik zit tot aan met nek in het gebeuren.’ Of zijn het weloverwogen anti-esthetische formuleringen van een dichter wiens poëzie in dienst staat van zelfonderzoek en engagement? Een afwijzing van de mainstream, van de canon? Op grond van het gedicht ‘Hoor hier’ zou dat kunnen.
 
Ondanks mijn bezwaren vind ik Van ’t Hof zeker geen slecht dichter. Hij is uitdagend en dat trekt me aan. Bovendien nodigt een aantal gedichten uit tot herlezing.