Recensie van Raadselwater - Juliën Holtrigter

Je weet niet eens wat je doorgeeft

Juliën Holtrigter
Raadselwater
Uitgever: De Harmonie ,De Harmonie ,De Harmonie
2015
ISBN 9789076174471
€ 15,90
56 blz.

Juliën Holtrigter laat Raadselwater, zijn zesde bundel, 42 gedichten met een losse thematische samenhang, voorafgaan door een motto van Czesław Miłosz: Als secretarissen, elkaar onbekend, lopen we rond op aarde, zonder veel te begrijpen. Het geeft mooi Holtrigters bijna naïeve insteek voor deze bundel weer. Op een onnadrukkelijke manier, bijna terloops, plaatst hij de kleine mens tegenover het het kosmische wereldraadsel en navigeert hem naar posities waarin deze zich daarvan rekenschap geeft en van daaruit naar zingeving zoekt. ‘Onszelf te begrijpen’ is de opgave waarvoor hij staat, en dat gebeurt in gedichten die een mooie balans kennen tussen complexiteit enerzijds en toegankelijkheid anderzijds. Holtrigter handhaaft daarbij moeiteloos het niveau van zijn eerdere bundels.

Veel is onbegrijpelijk, allerlei maatschappelijke ontwikkelingen bijvoorbeeld, en alles wat nieuw moet zijn en vooral anders moet gaan, alsof het razendsnelle voorbijgaan van de tijd – ‘Alles draait op den duur om verdwijnen.’ – al niet erg genoeg is. Het is vaak aanleiding voor een laconiek gebracht licht cultuurpessimisme. Dat bijvoorbeeld dankzij de moderne navigatiesystemen niemand meer de weg hoeft te vragen, is in zeker opzicht winst, maar doet ook veel verloren gaan. En dat door de digitalisering alles bewaard zal blijven, er nooit meer iets zal verdwijnen, het oude dus altijd en overal ‘als een lijkgeur’ in door kan dringen, bevalt de dichter evenmin. Hij staat tegenover een raadselachtige wereld en vraagt zich af hoe hij daar deel van uitmaakt.

In feite wordt het antwoord direct al in het eerste gedicht gegeven: wie geluk ervaart, is in harmonie met zichzelf en zijn omgeving.

Gelukkig wakker geworden

Gelukkig wakker geworden, meteen al
in tongen gezongen van raadselwater, veer
gehikt en zo meer.

Vanuit haar serre kijk ik de hemel
recht in haar vrijheid.
Tussen de bomen schittert de zee.

Ik blijf maar vissen: blikschade, zwik,
spaat, maskerade, tsja, om regels te vangen
moet men een woordje uitwerpen.

Hé, zwaan kleef maar aan, roept mijn duifje,
daar bromt de taalstrot, hier resoneert hij.

Zij hangt haar kousen te drogen.
Ik lig op haar bed en steek een sigaar op.

De dichter is bij zijn geliefde (elders heet zijn duifje Swaantje of Swaan), in een ‘hier’ waar het duidelijk anders is dan ‘daar’. Er is vrijheid van lichaam en geest, de dichtader stroomt, tevredenheid heerst en er is een nauwelijks verborgen erotische component. In andere gedichten, zoals in ‘Haar mond’, een eigentijdse pendant van Nijhoffs ‘Impasse’, is die veel sterker en speelt op een picturale manier ‘naaktheid’ ook een rol. Holtrigter heeft het vermogen op een plezierige, ontspannen wijze over seksualiteit te schrijven, wat bijna een test is voor goed dichterschap.

Opvallend is hoe prominent de rol is die de zee speelt in Holtrigters gedichten. Het geeft hem de mogelijkheid de mens te typeren als een zwerver, een jutter van het eigen bestaan. Daarnaast valt op hoe weinig Holtrigter als dichter een solipsist is; hij staat open voor de buitenwereld, wat alleen al blijkt uit het drietal gedichten met opdracht, de gedichten waarin vriend Chaim, de pianostemmer, al bekend uit de vorige bundel, figureert, de gedichten rond Swaantje en het gedicht dat melding maakt van astronoom prof. Oort.

In veel eerdere gedichten van Holtrigter was sprake van een protestants-christelijke invalshoek. Die lading heeft deze bundel geenszins, religieuze connotaties zijn ver te zoeken. ‘Niemand krijgt nog de geest’, staat er in ‘Heethoofd’ en in ‘Oostereind’ verklaart de ik ‘zo’ te willen worden ‘dat ik alleen kan/ zijn waar ik ben, waar ik ook ben.’ Het is alsof je in deze ambiguë regels Kopland leest na diens afscheid van het christendom. Holtriger lijkt zich met de benoeming van het leven tot ‘raadsel’ bekeerd te hebben tot een min of meer agnostisch standpunt. Het leverde dit schitterende slotgedicht op:

De raadselestafette

Droevige warmte hangt in de bomen.
Winters mogen voorbijgaan, maar zomers.

Onder de heg wacht een lijster. Waarop?
Op applaus?

Waar stront taalt naar strontvlieg en zaad
zich verplaatst in de darmen van vogels,
daar kun je alles verwachten.

Terugredenerend ontdek je patronen zo
grillig alsof ze blind zijn getekend.

We moeten evenwel verder.
Het raadsel dragend, de een aflossend de ander,
en zo maar voort,

je weet niet eens wat je doorgeeft.

***
Juliën Holtrigter (ps. Henk van Loenen, 1946), in 2010 winnaar van de Turingprijs, publiceerde onder meer in De Tweede RondeMaatstaf, Awater, Hollands Maandblad, Tirade en Poëziekrant.
Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen. Daarna verschenen Het verlangen te verdwalen (2004), Het stilteregister (2006), Het feest van de schemer (2009) en Snijderseiland (2012).

Recensie van Snijderseiland - Juliën Holtrigter

Het koesterend oog van Snijderseiland

Juliën Holtrigter
Snijderseiland
Uitgever: De Harmonie
2012
ISBN 9789076168289
€ 14,90
48 blz.

Ik val maar met de deur in huis. In de slotstrofe van het openingsgedicht van Snijderseiland, ‘Het laatste huis’,

[…] komt juist de nieuwe
bewoner naar buiten, gooit de deur in het slot,
kijkt op noch om, zet zich doodleuk in beweging
met zo’n gezicht van kijk ons eens, wij hebben
geen vleugels, pantser of vacht, wij zouden
niet kunnen bestaan en toch zijn wij hier
heer en meester.

Het gedicht begint zo:

Het geluk van dit huis is nog altijd berucht:
in haar kamers knaagden onstilbare magen,
zwoegden computers, gilden actrices om
aandacht (hun nagels steken nog in het behang),
galmden de echo’s van slacht- en spoelhok,
kraakte scharnierwerk van kaakbeen, onbeschaamd
schmierend: hier wordt geleefd!

Niet alleen een verontrustend verleden blijkt voort te bestaan; volgens de eerste strofe van ‘Dat wat gaat gebeuren’ is ook de toekomst al aanwezig:

Dat wat gaat gebeuren bestaat dat soms al ?
Ja, dat bestaat.
De hond graaft een kuil om later de blinde
erlangs te geleiden.
En jawel hoor, daar gaan ze.

En wij gaan ook, met ons lot, in het verleden door anderen bepaald, dat op zijn beurt invloed uitoefent op de toekomst van anderen. Lees het begin van ‘De bocht’:

Zonder verten kom je niet verder.
Waar de weg een bocht maakt,
niet zonder moeite, daar ergens ben je.

Tot het uiterste denk je
te buigen.

[…]

Subject en bocht blijken dezelfde; buigen, niet zonder moeite, in de richting van een betekenis. Je dwingt jezelf. Waar naartoe? Onder welke invloeden? Je wilt iets. Met welk doel? Is dat genoeg?
Het blijven vragen. Wellicht vraagt het leven meer, of een andere richting; je weet niet waar je voor staat. Het gedicht vervolgt:

Maar het is nooit wat het lijkt.
Men trekt een spoor en denkt wat te zijn.

Er valt niets te bewijzen.
Je bent gegeven.
Hoe je het ook bekijkt, jij bent het antwoord
daarop.

Totdat het stopt,
je in de verte verdwijnt.

Optimistischer in: ‘Vraagt ze’: ‘Om een route te vinden moet er gedwaald./ Om iets te willen moet men iets missen./ Maar kom.’

Een van de bijzonderheden van de poëzie van Holtrigter is dat poëzie en (levens)filosofie elkaar niet in de wielen rijden. Het is sterk beeldende poëzie die je elk gedicht weer met je existentie confronteert, zoals in de eerste strofe van ‘Wij zijn nu hier’:

Als je je ergens thuis kan gaan voelen
dan hier wel.
De huizen zijn licht en van alle gemakken voorzien.
De vuilcontainers puilen niet uit.
De lucht is vervuild maar veel minder dan wel
beweerd wordt.
We zijn nu hier en we gaan voorlopig niet weg.

Dat onverzettelijke om hier iets van het leven te maken, wordt niet gehinderd door het bewustzijn van het plaatselijk tekort. Dit zijn de slotregels: ‘Het bassende bonken van schepen op de rivier/ is nog het beste van deze plek.’

Ook het menselijk tekort is alom tegenwoordig, mét de dreiging die dat behelst voor ook de meest intieme relatie. In ‘Ik kroop in mijn harnas’ schrijft Holtrigter:

Wij zijn van elkaar als de baarlijke helften
Van lijmtang of schaar.

Kenmerk van heelheid: het in zichzelf
diep verdeelde, ik weet het.

Je zou jezelf willen zijn, maar er dient een rol gespeeld:

Het was een vaag personage

Het was een vaag personage en de scène
die ik moest spelen was kaal.

Ik betrad het toneel en zocht vergeefs
de weg naar mijn hart.
Ik zat aan mijn tekst vast.

Ik viel uit mijn rol doordat iemand de stoelen
verplaatst had.

Onder mijn pruik broeide paniek.
Toen ik het rammelen hoorde van sleutels
sloot ik mij op in mijzelf.

Op afstand het meest nabije! riep iemand
uit het publiek.

In onmacht, angst, mislukking, afhankelijkheid en machteloosheid, in het onvermogen om elkaar en het leven te doorgronden zijn we elkaar het meest nabij. In onze fundamentele eenzaamheid.
Soms lijkt er een uitweg mogelijk:

Wedergeboren de morgen

[…]

Evenmin als een uitgestrekt niets, zegt Chaim,
is er iets als een wand, de zuigende leegte
die ons omgeeft, is een blaas maar dan
binnenstebuiten, het is een leemte geweven
van stoffen die niemand kent,
zonder een enkele naad, zegt Chaim.

Verlaat dus het onderscheidende denken,
hul je in zwijgen, ga in tot de wolk en
laat je vervoeren.

[,,,]

In het Bijbelboek Exodus (uittocht) gaat Jaweh het Joodse volk voor, als een wolk die het de weg wijst naar het beloofde land. In het gedicht wordt dus gesproken over vereniging met God, op een manier die sterk aan het Boeddhisme doet denken, aan Zen, maar ook – ‘laat je vervoeren’ – aan de mystici die in extase hun vereniging met God ervoeren.
Zover is de dichter nog niet. In ‘Het huis’ (een wat zwakker gedicht) beschrijft hij de doorwerking van het (voor-) ouderlijke geloof:

[…]

Aan de wand hangt een prent waarop een hoeve
weg dreigt te zakken in een diepzwart moeras.
Dat was ons huis, zegt mijn broer.
Hij speelt op zijn mondorgel,
psalmen, ze komen van ver,
uit zijn hoofd,
uit een land dat vloeide van melk en geboden.

Niet het beloofde land ‘overvloeiend van melk en honing’, maar het drassige land rond een boerderij, waar koeien graasden en gemolken werden, waar een spoelhok was voor het reinigen van de melkbussen, en de mensen het zware aardse leven moesten leren aanvaarden onder het juk van hun geloof. Het beloofde land was elders, zoals Chaim zich bewust was, maar in dit gedicht komt mét de herinnering aan het leven op de boerderij het archaïsche geloof opduiken, met zijn angst en onzekerheid en de wanhopige, nooit verloren behoefte aan geborgenheid :

Wij bidden samen het oude gebed en geven
elkaar een stuk brood en wat wijn
– wij zijn niet waardig maar vragen
noem ons bij name -.

Ken ons, verlos ons uit de eenzaamheid, geef ons de bevestiging dat wij zijn, iemand zijn, niet slechts bestaan; altijd en overal min of meer stuurloos onderweg naar het thuis dat slechts innerlijk is te vinden:

[…]

Aan het eind van de straat op de tweesprong gestaan.
De markt opgelopen.
Hier zijn schroeven en moeren van het geluk,
roept een koopman. Een zijstraat genomen,
een heel eind gekomen maar hij loopt dood.

[…]

De weg terug: afgesloten. Een sluipweg gezocht.
Het bos daalt af naar de kust. Dat doet het
al duizenden jaren.
Gaat de hemel op in de zee
of de zee in de hemel ?

(uit: ‘Hier is het koesterend oog)

Nee, ‘Zonder verten kom je niet verder.’ Maar je bent zelf de weg.

Wat een fantastische bundel. Al die dwarsverbanden tussen de gedichten; kaleidoscopisch. Ik had bijna geschreven: wat een fantastische reis. Uit een aantal van de mooiste, de beste gedichten heb ik niets geciteerd. Lees bv ‘Het glas’: de helderheid, de bondigheid, de zachte ironie, het verbluffende vakmanschap. Lees ‘Blind geboren’; lees ‘De dag in stukken’, waaruit ik, kan het toch niet laten, de eerste strofe wel moet citeren:

De dag ligt in stukken.
‘s nachts zoeken de scherven elkaar, vinden
hun plaats, voegen zich naadloos aaneen,
de dag breekt weer aan.

Het begin van een gedicht waarin opnieuw vriend Chaim een rol speelt, en waarin hij de schijn niet meer ophoudt: ‘Hij draagt zijn sterfelijkheid met zich mee/ als een ei op een lepel.’

Holtrigter is zonder twijfel één van de grote talenten van deze tijd.

***
Juliën Holtrigter (Henk van Loenen, 1946) publiceerde onder meer in De Tweede Ronde, Maatstaf en Hollands Maandblad. Hij debuteerde in 2001 met de bundel Omwegen bij Mozaïek. Daarna volgden bij De Harmonie Het verlangen te verdwalen (2004), Het stilteregister (2006) en Het feest van de schemer (2009).
Holtrigter was werkzaam in het middelbaar onderwijs, maar houdt zich nu fulltime bezig met schrijven en schilderen.

Recensie van Het feest van de schemer - Juliën Holtrigter

Een wond. Wie kan zonder?

Juliën Holtrigter
Het feest van de schemer
Uitgever: De Harmonie
2009
ISBN 9789061698975
€ 14,50
52 blz.

Op de kaft van Juliën Holtrigters nieuwe bundel Het feest van de schemer staat een collage van Marc Mulders, getiteld ‘Zijwond stigmata’. Het is een pijnlijk, prachtig kunstwerk. Het toont een lelie, symbool voor de dood maar toch ook een bloem van schoonheid, met daarin een fragment van een afbeelding van Jezus Christus, de wond in zijn zij prominent in het midden. Het bloed druipt langs zijn buik in de richting van zijn schaamstreek, die samenvalt met de meeldraden van de lelie. Met hun wat ranzige associatie leggen die gele dingen de nadruk erg op het fysieke, het verborgene maar ook op het geheim – en het woord ‘mysterie’ zou hier niet misplaatst zijn – van het leven. ‘Wat hebben we hier?’ vraag je je dan af. Op wat voor bundel staat een verscheurd prentje van de Heiland, liefdevol omarmd – door Maria, neem ik aan – maar ook met de suggestie van zes dikke, gelige penissen? Zien we hier de schaduw die religie werpt op het echte leven, hier gesymboliseerd door het hart van de lelie? Of beschermt het beeld van de gewonde Jezus ons juist tegen de zwarte afgrond waar we anders in zouden staren?

Het is een afbeelding met eindeloze interpretatiemogelijkheden. En dat geldt ook voor de gedichten van Holtrigter. De poëzie in deze bundel is van een overweldigende rijkheid, zowel qua taal als qua beelden, maar biedt tegelijk ook weinig houvast. De toon wordt gezet doordat het kunstwerk van Mulders duidelijk de thema’s presenteert die Holtrigter wil behandelen maar de gedichten laten de lezer meestal moeilijk binnen. Natuurlijk wijs je vrij gemakkelijk een aantal motieven aan dat terugkomt in deze bundel. Het geloof is daarvan de belangrijkste, vooral in zijn relatie tot de fysieke wereld. In de ogen van de dichter is er blijkbaar iets mis gegaan tussen het geloof en de wereld. Het geloof verklaart niet meer wat hij ziet. Hij heeft teveel gezien, misschien, en de wereld is veranderd. Het geloof is niet verdwenen, maar het heeft zijn vanzelfsprekendheid en zijn samenhang verloren.
Ook het schrijverschap zelf is continu onderwerp van schrijven. Het dichten is een daad van onmacht, lijkt Holtrigter te zeggen. De dichter schrijft over het leven omdat hij het niet begrijpt. Het echte leven laat de dichter hulpeloos achter. Of, zoals Holtrigter schrijft aan het slot van ‘Een spook in de cognitieve ruimte’: ‘Ingehaald door het leven verblijf ik, de schrijver.’

De fysieke wereld is overigens overvloedig aanwezig in Het feest van de schemer. In ‘Boenwas en peterselie’ is de wereld een huis. Een huis vol met dingen: ‘Mama, wat zie je toch in het plafond?’ vraagt de dichter, terwijl hij zelf ‘de keukentafel’ verkiest, met naast zich ‘een vaasje anemonen’. In de salon praten de anderen, maar de ik hoort er niet meer bij. De wereld is zonder hem verder gegaan. Zijn moeder is dood, al ruikt het huis ‘nog altijd naar boenwas en peterselie’, maar dit gedicht gaat over meer dan dingen. In de laatste regels staat ‘… ik reisde over het oude behang / van mijn kamer, van woestijn naar woestijn, / speurend naar schaduw en water.’ Het is, gezien de hoofdrol die religie speelt in deze bundel, onmogelijk bij het woord ‘woestijn’ niet aan het oude testament te denken. ‘Van woestijn naar woestijn’ zou dan kunnen betekenen dat de ik van de bijbel is afgedwaald en nu ronddoolt in de woestijn die onze wereld (geworden) is. Zou kunnen. Want bij Holtrigter weet je het nooit zeker.

Een ander belangrijk, gerelateerd, thema is het bekijken van de wereld, getuige titels als ‘Bovenaanzicht, onderaanzicht’ en ‘Close-up van een steentje’ of een regel als ‘Foto gemaakt en mij gevraagd: is dit waar?’ (Pelgrimage). Meerdere keren lijkt er ook sprake te zijn van een toneel: het leven als voorstelling. In ‘Einde oefening’ komt de wind uit een machine. Ook in ‘De spitsvondige wond’ is het de vraag wat er echt is en wat toneel:

De spitsvondige wond

In haar hand een donkerrood vod, een hoek uit
een jurk, op haar plankier een wit vilten kleed.

Nagewuifd door haar doek zweeft een rookwolk
omhoog. Ik leg mijn arm om haar toog.

Het snijden in vlees is altijd een feest.
Weg met dat fleurig, topaaskleurig weefsel!

Een beetje wond geneest uit zichzelf. Is dat
niet meegebakken in ons en geen wonder?

Het leven is mooi met een slok op, een goed
stuk muziek en wat napijn, ach, een wond,

wie kan zonder?

Een aantal subthema’s komt hier ook duidelijk naar voren: het vlees en de wond, mede door de afbeelding op de kaft natuurlijk verbonden met het lichaam van Christus, en (‘Ik leg mijn arm om haar toog’, ‘Het leven is mooi met een slok op’) de drank. Steeds weer duikt, schijnbaar terloops, de alcohol – levensgezel van vele dichters – op in deze bundel. In dit gedicht is ook goed te zien hoe Holtrigter zijn uitzonderlijke taalvaardigheid en zijn gevoel voor humor inzet om te zorgen dat een bundel met een nogal zware thematiek geen al te zware kost wordt. Door schijnbaar simpel klankspel als vlees-feest, fleurig-kleurig en wond-wonder-wond-zonder en spreektaal als ‘altijd een feest’, ‘is dat geen wonder’, ‘het leven is mooi’ en ‘een goed stuk muziek’ mondt dit gedicht bijna uit in een soort drinklied.

Maar ook voor dit gedicht geldt dat het zich maar moeilijk laat duiden. Er zit zo ontzettend veel in en er wordt zo weinig uitgelegd dat je je al herlezend een weg moet banen door het labyrint van religieuze symbolen, jeugdherinneringen, bespiegelingen op de toestand van de wereld en anekdotiek die Het feest van de schemer is. Afhankelijk van wat voor lezer je bent is deze bundel dus een kwelling van onbegrijpelijkheid of een oneindige ontdekkingstocht door het overvolle hoofd van een uiterst originele dichter.

Gedichten

EEN FIJNE AVOND

Het strand ligt bezaaid met kammen,
strengen, katrollen. De zee is vrijgevig.

Maar de schappen zijn bijna leeg. Het is druk
bij de kassa, men hamstert.

De massa dringt op, eist rijkdom, vrijheid,
gelijkheid. Er zullen koppen gaan rollen!

Mijn brood en mijn wijn afgerekend.
Zegeltjes nog? Een fijne avond!

Hoor ik het goed? Men groet mij
uiterst beleefd. Ik heb niets te vrezen.
 

LETTERS

Ze trokken zich terug, er schuin tegenover.
Hard in mijn hand een stuk drijfhout.

De maan strooide licht in de schaal.
En de zee begon te bewegen.

De hak van de majesteit brak.
Toch liep zij rechtop.

Niemand had het gezien, buiten ons,
maar nu staat het geschreven.

Al het geëtter eindigt in letters.
Niets gaat verloren.

Want het gaat om het Boek.
Dat de Ene voor eeuwig kan lezen.
 

PELGRIMAGE

Op weg naar Raayens, te voet, even gestopt.
Twijfel aan straathoek Raaiweg / Heupenstallaan.

Foto gemaakt en mij gevraagd: is dit waar?
En zo ja, in hoe ver?
Er was toch meer dan men ziet?

Leg je oor op de rails en verloochen je ogen.
Dan zul je horen geritsel, gerinkel, hoe men moet
lopen om ergens te komen en waarvandaan men
dat doet. Om maar een dwarsstraat te noemen.

Zwaar hangt de slaap in de bomen. De zomer
kauwt op haar weefsels, haar speeksel is oud.

Een stevige beet in jong vlees, dat geneest.
En dan luisteren leren, nog beter.
 

SPUI

Voor Jean-Jacques Suurmond

Het Spui overstekend, de zon scheen, op weg
naar een dode, hoorde ik zeggen: Ik ben
de verteller en jij bent mijn personage,
een van de vele. Maar laat je niet imponeren.
Ga toch vooral met mijn plot op de loop.

Ja, deze schrijver die mij verzon en beminde,
die mij beschermt, niet tegen waanzin of
wanhoop, niet tegen kanker of dood,
was een moment in het heden!

Ik haal je nog eens met zeer harde hand
uit de stront, zo klonk het daarna nog.
Heb meelij met hen die niet onder worden
gescheten, want je zult zien, ik sta op en
ik keer alles om: ik red het uitschot en
geef hen een naam.