Gedichten

Het Plein der Leegte I (Grebbelinie)

Er huizen woorden in deze steen,
maar geen mens, geen dier die hier
alleen loopt te zoeken naar een naam.

Er speelt wind op deze vlakte.
Dit stuk afstervend beton ingeklemd tussen
muren die groen uitgeslagen kalmte voelen.

Er zijn planten die kleven, kleine dieren
die daarvan leven en kinderen die beven
bij de verhalen van kogelgaten.

Een persoon rent, hapt vissen van stilte,
die smachten naar vocht, als sluizen
die wachten op water tussen liniedijken.

Water, ja water vormt dit om
tot een Grebbelinie,
tot een plein van leegte.

Maar bovenal is er stilte, sssst,
de wind waait als de wereld draait
en de linie onveranderd zijn schouders ophaalt.

‘Het maakt niet uit,
het geeft echt niet,
ook dit zal vergaan.’

Als het regent stroomt het water
en de vissen uit mijn mond
kunnen dan ademen.

Het Plein der Leegte II (Geleen)

de zinnen zijn stil en het geroep
van de bar verderop lost op aan de randen
wolken zijn alle figuren tussen dit massief

een persoon lijkt vervreemd van deze steen
hij stelde zich voor als de oude Maurits
en hij schuifelde als het dagboek van een herdershond

hij babbelde wat over Pinkpop
en cafés die in langzaam wegdreven
over de Rijksweg richting Maastricht

er zijn verhalen over het bombardement
op de Groenstraat en die bladeren zijn
droge botten die verkalkt kleur geven aan de straat

de man keek over het plein
ingeklemd tussen zerken met balkons
waar hij als schaduw over drijft

dit plein
ik heb er al die tijd
alleen gezeten

Het Plein der Leegte III (Geverik)

Maastricht-Aachen airport heeft
vliegtuigen die verworden tot wensdromen
en industrie die grenst aan verstedelijking.

Glooiende borsten verbergen
de stalen erecties van de oude DSM
niet meer onder die natuurlijke lingerie.

‘Ze verwekken nog steeds kinderen in die bosjes’
Logisch, want de spruiten staan als loodsen
in het weiland en schaduw is altijd veiliger.

Overdag brullen boeren verwensingen
over velden waar ze prikkeldraad planten
en vliegtuigen zaaien.

‘s Avonds schijnen de lampen
over de landingsbanen
als over pleinen vol leegte.

Gedichten

Familiebezoek

ik kom op bezoek
en jij, je komt op verhaal
tenen tikken tijd wegsluipend ‘s nachts
je vond dat nooit leuk
de stoeptegel voor je huis zwijgt nu
net als iedere doodgewrochte avond

vertrapt, doortrapt,
opgelapte waarheid
uitgegoten stilte
zegende mij
als een beschonken priester
crucifixen als in die bomen met kerst

seconden preken
zitten, zwijgen, zwaluwwoorden
die buiten je bereik fladderen
de zzz’s van slaap
‘Ik kom om in het werk’
en jij, je komt op adem
 

Twee palen

Twee geblakerde palen
Koppen wit
Als mijn ouders op het strand
Malen de zee tot tijd
Die neerstort in eenheden
En op het strand uitsterft

Die geulen slijt
Vaste cadans

Er is niet veel veranderd tussen ons
Ik kokkel een mening
Jij kwalt nog steeds
En we happen nog steeds naar adem
Als we droogvallen

Ik trap tegen een verweerd blikje
Verandering als corrosie
Is voedsel voor hangvogels
Want de meeuwen vliegen nog steeds
Tussen de doffe bel van de haven en hier
En ik ben nog steeds ik
 

Achter de geraniums

Tuur naar buiten
Voorovergebogen
Steunend op een dooie boom
Tijd is titulatuur geworden
Waarmee ik rust opleg
Gezelligheid afdwing
Met zurige gasten

Eten, gegeten, even gezeten,
Welterusten zeg
En gaan slapen
Ja, zelfs aanhankelijkheid
Kan ik benoemen

De geraniums zijn roze marshmallows
Die geroosterd moeten worden