Gedichten

Mark Iske (1980) schrijft over zichzelf: “Het lot in de hand, is hij een doler op het naamloze pad der vormloze tao; zijn doel is de doelloosheid – indachtig de God van Nescio. In het leven van alledag drinkt hij graag thee, en ‘s nachts, als de duivels slapen en de heksen slapen aan hun staarten, droomt hij wat hem bij dag ontgaat. Zo rolt hij door het leven, zo stapt hij door de wereld …”

TRALALA

– roadmap for the soul –

Ia

Wrong turns, laughs and all …

I

De weg is niet, de weg wordt – rondom
het kruispunt geen wegwijzers; er is
overigens geen kruispunt. De weg: ach.

Maanziek mevrouw Muze, maanziek
als ik lees ene Blake of u, als ik mij,
in een mantel van papier, vergeten loop.

II

Golven komen en gaan, gaan en komen,
heen en weer en weer heen; zo ongeveer
als de vrouwen in ‘t liefdeslied van ene E.

Maar hoor, de golven fluisteren niet, niet
van M., niet over niets en niet over nul:
zij golven zorgeloos zoals golven doen …

Ib

De maan heeft vele, vele humeuren …

III

Faverey schrijft
zich tussen maken en breken /
scherven in reeksen die koppelen. Zo

wordt er wijn gedronken, klopt
de ijsbeer, 3. vrolijk vrolijk vrolijk.

Een hoofdknik aan
het bloed, het mes, het brood &
het vlees, de hand – en

weg.

IV

De draad van gisteren, een andere
dan die van morgen, meestal. Het kristal,

hetzelfde verhaal. Samen, bijna
de wereld. Nu haar sproeten nog, 5
in getal, en zo’n 7 bittere zuchten,

elk ervan een woord, de betekenis

zwevend tussen ‘er was eens’ enerzijds
en anderzijds ‘iets’ dat niet/wel
naadloos past in het domein van de daad.

Ic

Het land van herkomst, van aankomst of beide?

V

Vanta-zwart dat draait, heet nergens
zwaar. Naburig gelegen niveau:
kanteling – het koortsachtig dromen van

zeemeerminnen, sinaasappels, en
zestig of negentig gangen, elk zowel
in- en uit-, verbonden via taal; dat

een singulariteit, voor het onbegrepen,
interpreterend brein, haast is een
oneindig simpel ding, als een hologram.

VI

Het begon met vuren op een plein, of
was dat al ding twee? En het schieten
van gaten in die vuren, wat was dat? Feit:

de kiezels dezer wereld zijn met velen,
zand is met meer. Ik, een eiland – een eiland
doorsneden door acht stromen, voorwaarts

als een schildpad, maar steevast sneller
dan de pijlsnelle Achilles, natuurlijk;
de veerman merkt stukjes informatie qua K.

Id

There are seven levels …

VII

Zelfs/juist dichten als hem, zulks
was en is hem, volledig Faverey,
niet niet niet mogelijk, meen ik,

als de ander. Spiegelei in de dop,
spielerei in de marge. Verschillig
leest men ons – kraak- en kraak-

helder licht dwars over het veld,
‘t weerlichten langs de weg schijnt
flets. De huiver van naakte inkt:

geen andere werkelijkheid, maar
dezelfde werkelijkheid anders, als
het labyrinth van Plato’s Atlantis.

Interview met Paul Bogaert

De taal maakt het gedicht

 

Paul Bogaert (1968) studeerde Germaanse filologie. In 1996 debuteerde hij met de bundel WELCOME HYGIENE. Daarna volgden nog drie bundels, waarvan de meest recente – de Slalom Soft – is genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2010. Verder is hij zeer begaan met de mogelijkheden die het internet biedt voor dichters om hun werk op nieuwe manieren te presenteren en daarbij dwarsverbanden te leggen met andere media, zoals beeld en geluid.

Paul BogaertHoe bent u met poëzie in aanraking gekomen? Kunt u iets vertellen over het moment dat u wist: dat wil ik ook, dat kan ik ook?
Ik was 14 jaar denk ik. In de klas mochten we uit kranten en tijdschriften woorden en zinnen knippen, die we daarna moesten assembleren tot een gedicht. Ik herinner mij dat ik, al doende, enthousiast werd over de collage die zich voor mijn ogen ontwikkelde. Ik ging in die tijdschriften ook gericht op zoek naar extra onderdelen voor mijn gedicht in wording. Toen ik de uitgeknipte en vastgeplakte stukjes dan overschreef, paste ik meteen ook nog enkele dingen aan. Wie zou het zien dat niet alles uit krant of magazine kwam? Ik heb het gedicht niet meer, maar de hitte en de zon stond centraal, de zon zoals die in de reclame van de jaren 80 werd gebruikt. Ik herinner me het plezier van het maken, de kick iets bijzonders gemaakt te hebben.
Van de klassieke gedichten die ik de jaren nadien op school kreeg voorgeschoteld, maakte ‘Melopee’ van Van Ostaijen indruk. En ‘Todesfuge’ van Celan in de les Duits. Ik wilde ook weten wat er in een andere klas over ‘Ik schrijf je neer’ van Claus was gezegd.
Af en toe schreef ik zelf een gedicht, dat ik ook inzond voor poëziewedstrijden. De wedstrijdbundeltjes met daarin de beste inzendingen vond ik interessant. Ik las er dingen van leeftijdsgenoten die ik slecht vond en dan zocht ik uit hoe dat kwam. Maar even interessant waren de gedichten die ik goed vond, vaak van deelnemers die net iets ouder waren.

In uw poëzie bespeelt u vele taalregisters. Wat probeert u hiermee te bereiken, wat streeft u na?
Ik heb gratis toegang tot alle uithoeken van de taal; ik wil niet alleen in de prieeltjes van de Poëzie rondhangen. In de bundel WELCOME HYGIENE staan enkele gedichten die hard of formeel klinken. Je kunt het formeel gesproken op andere manieren perfect over liefde of geweld hebben. De taal maakt het gedicht. Het is niet dat ik een inhoud heb, die ik dan een of andere jas aantrek. De jas ís het gedicht. Taalregisters bespelen klinkt alsof ik maar te kiezen heb; zo werkt het niet. In AUB staat een gedicht in gebrekkig Nederlands; het is het Nederlands dat ik tegenkwam in een handleiding van een Aldi-laptop, een handleiding die door een computer uit het Duits moet zijn vertaald. Het is tegelijkertijd een Nederlands zoals je dat te horen krijgt uit de mond van iemand die de taal amper kent, maar die toch wil of moet spreken. Wat er staat, heeft iets maks, onmachtigs. Maar het bijt ook, vind ik.
De meeste gedichten hebben trouwens niet zo’n afgelijnd of duidelijk register. Ik wil reliëf in een gedicht, in een bundel, in mijn bundels ten opzichte van elkaar. Vaak creëer ik reliëf, niet zozeer door registers – een register doet mij toch ook denken aan iets met een hekje rond – maar door een toon. Een toon duikt op en is weggevlogen voor je het weet. In WELCOME HYGIENE hebben twee gedichten de titel ‘Uw zaken niet’, de verkorte vorm van het nogal spreektalige dat zijn uw zaken niet. Zo’n titel zet een toon. Kleine nuances of vuile details kunnen omringende verzen veranderen. De hele rimram of de hele zwik bijvoorbeeld, dat zijn woorden die hele gedichten kunnen kleuren of bevlekken.
Maar zo’n register, of een flard eruit, of een toon, dat komt meestal vanzelf tijdens het schrijven. Wat gebeurt er als iemand rond de pot draait, ingaat op bijzaken? Hoe klinkt iemand die liegt of niet de hele waarheid vertelt? Wat voor talige bochten neemt iemand die in het nauw gedreven wordt?

Uw website oogt heel sober, maar er staat enorm veel op. Wat is de waarde van een site voor u?
Alle gedichten uit bundels die niet meer te koop zijn, zijn er apart te lezen. Dat zijn er intussen veel, vandaar sinds kort die rondleidingen. Je kunt 10 gedichten lezen die ik zelf koos. Je kunt ook willekeurig gekozen gedichten laten verschijnen, tot je het genoeg vindt. Maar het is meer dan een archief. Ik gebruik die website ook voor dingen die niet op papier kunnen. Achter de knop websitegedichten staat bijvoorbeeld een gedicht dat aangroeit, dat nooit af zal zijn, dat ik verander als ik daar zin in heb. Het interessantst vind ik het genre van het poëziefilmpje. Hoe zorg ik ervoor dat het beeld het niet van de tekst wint? Met beeld, tekst en geluid probeer ik iets te maken dat op zich ook de trefkracht van een gedicht heeft.

Op uw site staan 21 varianten op een bepaalde strofe. Hoe weet u dat het goed is, dat het een bepaalde werking zal hebben? Wanneer is een strofe/gedicht af voor u?
Het moment dat ik weet dat ik het niet meer kan verbeteren. Meestal zie ik snel het verschil tussen wat goed is en welke stukken nog niet goed genoeg zijn. Dat onderscheid kan ik gemakkelijk maken. Maar die nog-niet-goed-stukken dan meteen verbeteren is moeilijker. Ik laat ze dan liggen. Na een tijd zie ik dan meestal hoe het beter kan. Ik kan me niet voorstellen dat ik een gedicht op één avond schrijf en het dan doorstuur ter publicatie, of zelf meteen online publiceer. De tijd zorgt ervoor dat ik een soort lezer kan worden van mijn eigen werk, waardoor ik het kritisch kan bekijken.
Ik hou van die kick iets gemaakt te hebben, maar ik wantrouw ook die euforie. Ik geef me dus tijd, en vind het normaal om aan tekst te blijven werken, zodat die zich kan ontwikkelen, tot ik helemaal tevreden ben. Aan het openingsgedicht van de Slalom soft heb ik heel lang gewerkt, soms met tussenpozen van enkele maanden, maar uiteindelijk heb ik aan dat gedicht toch drie jaar geprutst, al is dat er denk ik niet aan te zien.

Ook is er op uw site een powerpoint te vinden waarin u alle wijzigingen in een bepaald gedicht heeft bijgehouden, van eerste aanzet tot uiteindelijk resultaat in 700 slides, 225 stappen. Komt elk gedicht op die haast eindeloos schuivende, schikkende, schrappende manier tot stand? Heeft u vooraf een idee hoe het moet worden? En welke rol spelen chronologie, toeval en manipulatie in het maakproces?
Toeval én manipulatie zijn het brandstofmengsel voor de creatie van elk gedicht. Die Interne-keuken-powerpoint over ‘Iets refreinerigs’ toont vooral dat een gedicht in mijn geval al schrijvende tot stand komt, door het te doen, niet door iets op voorhand te bedenken. Die powerpoint is, en dat wordt ook op de eerste slides toegelicht, het verslag van een uitzonderlijk, opgedreven, opgefokt schrijfproces. Het gebeurt zeker niet altijd zo. In normale omstandigheden, stop ik als het niet vlot. Voor dat experiment bleef ik maar trekken en sleuren aan de tekst. Alsof ik koste wat het kost een lijk wilde reanimeren, wat uiteindelijk gelukt is. Maar het gevecht is afschuwelijk.

Is uw manier van schrijven veranderd?
In mijn vorige bundels schreef ik sommige gedichten bijna vanzelf bewust op meerdere sporen. ‘Men stelt zich voor…’, een gedicht uit de bundel Circulaire systemen, is gebouwd op de twee betekenissen van cv: centrale verwarming (wat een circulair systeem is) en het curriculum vitae (daar zitten ook onderdelen in die je er niet meer uitkrijgt). Voor de Slalom soft zijn veel gedichten anders tot stand gekomen. Ik concentreerde mij vaker op één spoor. Zo kwam ik sneller tot ruwe, vuile, meer spontane stukken. Die ik dan natuurlijk nog bewerkte, maar niet altijd. Maar zelfs daarin toonden zich, achteraf, vanzelf meerduidigheden. In het begin van de bundel komt er bijvoorbeeld een badmeester in beeld die boeien controleert. Ik dacht aan reddingsboeien. Pas achteraf zag ik dat het ook handboeien kunnen zijn. Wat de badmeester interessanter maakt. Zeker als je hem later als jij hier… als jij nu… hoort prevelen of denken.

Veel van uw gedichten spelen met de spanning tussen opgesloten-zijn en uitbreken-uit-het-systeem, tussen controle en dat wat aan de controle ontsnapt. Is dat de motor achter uw poëzie? Zult u ‘ophouden met verwoorden’ als de spanning stabiliseert tot een evenwicht?
Klopt, maar ik vind dat niet zo speciaal. Bestaan er mensen die leven zonder de spanning tussen controle en controleverlies? Dat lijkt mij het leven zelf. Zonder spanning ben je toch dood? In een van de eerste versies van de Slalom soft heeft nog een cliché gestaan: het leven als glijbaan naar het graf. Dat graf heb ik toch maar geschrapt, want ook al kan zo’n cliché glanzend oplichten en mij charmeren, het blijft toch ook iets grauws en dofs hebben.

Is er werk van uw hand waar u bovengemiddeld trots op bent, of juist werk dat u liever ziet verdwijnen?
Ik ben nog altijd tevreden over mijn bundels. Uiteraard schrijf ik nu anders dan twintig jaar geleden. Ik heb nooit snel-snel gepubliceerd. Bij de laatste bundel heb ik me wel aan een deadline gehouden die ik mijzelf persoonlijk had opgelegd. Door dat doorwerken en abrupt stoppen heb ik geleerd dat het voor sommige gedichten net goed was, voor andere minder. Maar dat gaat over zulke details; mocht ik nog drie maanden gewacht hebben, dan had ik misschien nog vijf regels veranderd, wat voor de lezer nauwelijks verschil zou hebben gemaakt.

Wat kunnen we, zoals de zaken er nu voorstaan, verwachten van de dichter Paul Bogaert? Waar werkt u op het moment aan?
Ik ben aan een nieuwe bundel begonnen, die nog lang niet af is. In het voorjaar begin ik ook met de voorbereiding van een nieuw filmpje.

Interview met Mark Boog

De mogelijkheden zijn onuitputtelijk maar onvoldoende

 

Mark Boog (Utrecht, 1970) schrijft gedichten en romans. Voor zijn debuutbundel Alsof er iets gebeurt (2000) won hij de C. Buddingh’-Prijs. Daarna publiceerde hij zijn eerste roman De vuistslag (2001). In de hierop volgende jaren volgden dichtbundels en romans elkaar in hoog tempo op. In 2006 ontving hij voor zijn dichtbundel De encyclopedie van de grote woorden de VSB Poëzieprijs, en in 2007 verscheen een eigen keuze uit zijn werk in de verzamelbundel Het eigen oor. In dat jaar was ook de gedichtendagbundel van zijn hand. Zijn nieuwste werk is de twee afdelingen tellende bundel Er moet sprake zijn van een misverstand (2010).

Mark BoogWanneer bent u begonnen met het schrijven van gedichten?

Ik ben pas op mijn 22e, vertraagd door angst en/of luiheid, begonnen met schrijven. Het ging om slechte verhalen en gedichten – de troep die je normaal op je 14e, 15e schrijft moest er bij mij nog uit (versneld, dat wel, en sommigen komen de fase nooit voorbij, dat is ook waar).

Is uw dichterlijke ontwikkeling een slingerpad of een rechte weg van a tot z?
De weg, zo gaat dat, is een moerassig slingerpad maar lijkt bij het terugblikken kaarsrecht, geasfalteerd, doelgericht en vooraf bepaald.

Heeft u het idee dat u nu fundamenteel andere gedichten schrijft dan een tijd terug?
Het is moeilijk zulke dingen zelf te beoordelen. Ik word nog altijd beter, dat weet ik wel, en kritischer op mezelf, wat voor een deel hetzelfde is.

Schrijft u nu losser of strakker, associatiever of bewuster gecomponeerd?

Tussen los en strak, associatief en gecomponeerd zal ik blijven schakelen, simpelweg omdat het een de behoefte aan het ander opwekt. Ik betwijfel overigens of er sprake is van een tegenstelling; juist associatieve gedichten hebben een sterk verband nodig, een context.

Streeft u in de eerste plaats naar originaliteit, of naar een geolied machientje van taal?

Naar originaliteit streef ik niet, je moet erop vertrouwen dat die er vanzelf is, anders wordt het nooit wat. Dat machientje vind ik best een mooi beeld – al voldoen andere beelden net zo goed – maar het moet, hoewel geolied, wel lekker rammelen en knarsen.

Biedt de taal u voldoende uitdrukkingsmogelijkheden?
De mogelijkheden zijn onuitputtelijk maar onvoldoende.

Zijn er bepaalde gedichten, bundels waar u raakt aan wat u bereiken wil? En zijn er ook teksten die u met terugwerkende kracht liever zag verdwijnen?
Het beste dat ik tot nu gepubliceerd heb, althans in bundels, is volgens mij de tweede afdeling van mijn laatste bundel Er moet sprake zijn van een misverstand. Ook de andere bundels zijn me dierbaar (vooral de tweede, Zo helder zagen we het zelden), zelfs mijn debuut, al zou ik veel gedichten uit die bundel nu niet meer – of sterk veranderd – opnemen. Maar ze hoeven niet te verdwijnen, zo erg is het niet, want er verdwijnt al genoeg.

Is elk gedicht, elke bundel van uw hand steeds weer een verrassing voor u, of is er sprake van een zeker overkoepelend plan?
Plannen zijn niet goed, dat weet iedereen. Verrassingen ook niet. Maar je kunt het soms niet helpen. Ik dicht vanuit invallen, dat wil zeggen vanuit een zin of vergelijking die schijnbaar plotseling opduikt, maar dat sluit andere mogelijkheden bepaald niet uit.

Maakt u veel versies van een bepaald gedicht?
Dat is, door het gebruik van de computer, moeilijk te zeggen. Ik heb altijd het idee dat de meeste gedichten min of meer in één keer tot stand komen, waarna ik er uren- of dagen- of wekenlang, jarenlang voor mijn part, kleine wijzigingen in aanbreng, totdat het goed is. Maar als ik wel eens een oude versie van een gedicht terugvind in een notitieboek of een vergeten bestand, blijken die wijzigingen vaak ingrijpender dan ik me herinner. Ben ik toch aan het werk geweest.

De ‘woordvoerder’ in uw gedichten lijkt verweven te zijn met uw romanpersonages, die solitairen stellig met subtiel ontsporende redeneringen morrelen aan de (on)zin des levens.  Zijn die types karikaturen van Mark Boog, verzinsels om de wereld mee te lijf te gaan?
Karikaturen, dat zou kunnen. Mogelijkheden, heb ik altijd gedacht. Zo had het ook kunnen lopen, als het een beetje had mee- of tegengezeten, zoiets. Wel extreme mogelijkheden, natuurlijk, want anders wordt het saai. En verzinsels om wereld en tijd mee te lijf te gaan, dat zijn het ook, want er is geen enkele reden om je ergens aan te houden en bovendien is het met zulke tegenstanders belangrijk om elk wapen ten volle te benutten.

Werkt u voorvallen uit de werkelijkheid weleens om tot gedichten? Of is alles fantasie, illusie?
Voor anekdotische poëzie heb ik geen bijzonder talent, maar soms, stiekem, verwerk ik toch Waargebeurde Zaken. Niemand die het merkt, gelukkig.
Alles is illusie.

Is het dichten organisch met uw leven verbonden of zou u ook zonder kunnen … ?
Of ik zonder zou kunnen? De verleiding om met ‘nee’ te antwoorden is groot, maar de aanstellerij ligt altijd en in iedereen op de loer. Maar ‘ja’ moet ik ook fout rekenen.