Gedichten

Maria van Oorsouw (1948)

Poëzie is de verbinding tussen mij en de buitenwereld. Inspiratie is de niet aflatende verbazing en verwondering om alles op de wereld om me heen. Daar doorheen loop ik en leef ik.

Dipsaus

Het lijkt zo eenvoudig
gewoon een rugzakje terugvinden
van lang geleden
een flesje vullen met water

met het flesje en de rugzak
fietsen naar zee
lopen door golven
als tranen zo zout
proef maar

het waren Nivea-dagen
iets liet zich zweven in de wind
je dreef op een oude binnenband

en je had van die zakjes met poeder
in flauw roze geelgroene bruinige kleuren
die je mengde met water

klaar was je dipsaus
het smaakte nergens naar.

Alexander Peters (1959)

Poëzie is mijn leven. Ik ga ermee slapen en sta ermee op. Het geeft invulling aan een anders klinisch leven waarin dan alleen mijn ziekte centraal zou staan. Daar pas ik voor.

Jas

De dag doet een jas van tranen aan
ze knippert wat met haar ogen
laat het zonlicht niet toe
kijkt uit op het nietig bestaan

zij zeult de tijd met zich mee
telt de seconden
laat de uren slaan
de dag heeft een jas van tranen aan.

Geert Viaene (1963)

Poëzie is ademen.

Zij ziet de bui hangen

In de verte zwellen de wolken.
Zij zeilen langzaam dichterbij.

Tussen de man en het meisje
in is het gras plat. De bliksem

treft zijn stem, de vogel schrikt
op van de draad, langs een lek

druppelt het licht naar binnen.
Leonard zingt slaapdronken

in zijn Midnight Choir.

Geduldig wacht het meisje af
tot hij recht staat om de stad

in te nemen, steen voor steen.
En iedereen weet dat zij graag

samen het spraakwater delen,
eindeloos walsen in de haard

van de orkaan, hoe zij wacht
tot de dominosteen wankelt.

Jacobus Bos (1943)

Poëzie is mijn leven.

Le peintre (Jean Le Gac)

Een goede schilder schildert niet.
Hij zet zijn ezel bij de bosrand neer.
De camera dicht langs de watermolen
met zijn driepoot van oud geloogd hout
op een plateautje van stenen en mos.

Stapt met zijn eigen toestel zoekend rond
tot hij zowel de camera als de ezel
in één zorgvuldig beeld heeft vastgelegd.
De foto uiteindelijk zo groezelig zwartwit
dat het de plaats van een misdaad lijkt.

Het waterrad schept met veel geklater
het water van hoog naar laag
waar het weer vrolijk verder stroomt.
Een man met een kano ondersteboven
over zijn hoofd loopt de camera omver.

Struikelt en duikelt met kano en al
in het woelige water met zijn hoofd
door de bodem om zo geleidelijk uit
uit het oog te verdwijnen terwijl de schilder
hem vloekend volgt met zijn blik.

Recensie van Het geluk van een jeugd - Jacobus Bos

Ternauwernood gered

Jacobus Bos
Het geluk van een jeugd
Uitgever: Wereldbibliotheek
2013
ISBN 9789028425217
€ 19,90
64 blz.

Beelden worden onthuld, schilderijen in galeries en musea tentoongesteld, boeken worden opengeslagen. Muziek heeft instrumenten nodig, een stem voor zij gehoord kan worden; tot zolang leeft zij in de muzikant.
Kunst heeft altijd iets sacraals, iets geheims, iets magisch, nog steeds. Verhulling lijkt een wezenlijk aspect te zijn van de kunsten. De liefhebber is het die de inhoud ontsluieren mag.

Op de omslag van de bundel Het geluk van een jeugd van Jacobus Bos staat een foto van Bas Jan Ader op het moment dat hij per fiets een gracht in stort. ‘De val 2’ heet de foto (1970). Het is een serieus spel dat de kunstenaar speelde, om iets voor hem essentieels uit te drukken. Het slot van het gedicht dat Jacobus Bos over die actie schreef:

Alsof het diepe blauw van de hemel
hem opslokt en hij spoorloos verdwijnt
tussen de wolken in het licht van de zon.

(uit: ‘In het licht van’)

Een zelf bewerkte verlossing. In het water een hemelvaart. Zo zag de dichter deze performance.
De wereld die Jacobus Bos verdicht is niet bepaald vreedzaam. Zelfs wanneer hij een ogenschijnlijk vredig tafereel oproept, blijkt dat aangevreten door geweld:

Waar muziek is daar ben ik

Ik koop een man die voor me zingt.
Een vrouw omhelst zijn stem
in een hartstochtelijk duet.

Smart schalt door de lege kamer.
Schiet een vuurpijl in mijn ziel.
Liefdevol als een verdriet

dat te groot is voor tranen.
In de boom voor het raam
danst de zon van tak naar tak
terwijl ik snak naar regen
die hard in mijn gezicht slaat.
Zo loopt een leven dood.

Een muur begroeid met klimop
die elke doorgang verspert.
Hoewel er geen weg terug is.

Een man alleen, die naar muziek luistert, erdoor geraakt wordt, maar een tastbaarder, lichamelijker aanraking verlangt: regen die hem in het gezicht slaat. Hij ziet er de onhaalbaarheid van in: hij kan de regen niet dwingen, net zomin als er is een weg terug naar het verleden is.
Het geweld dat hij verlangt, zou hem door de barrières heen moeten helpen, door zijn huid, de muur, heen moeten breken; vrijheid moeten brengen. Dat is wat hij verlangt. Het is de uiterlijke wereld waarvan hij de begrenzing zou willen opheffen.

Een man alleen

Hier ben ik slechts voorbijganger.
Een man alleen met zijn gedachten
De straat is een zee van licht
en schaduw waarin ik mij bevind.

Er kan precies een schip doorheen.
Precies tussen de rijen gevels.
In een rechte lijn van het begin
van de straat tot het eind.

En dan steeds maar rechtdoor.
Terwijl de boeg de aardkorst splijt.
En van alles in de diepte verdwijnt.
Met geluidloos gegil en gestamel.

Het is een volmaakt zonnige dag.
Een dag om iets groots te beginnen.
Een dag om bij stil te staan.
Ik sta stil en houd mijn adem in.

Alsof ik al die zomers uit mijn jeugd
nooit te boven ben gekomen.
Met een voet in de afgrond.
Met een voet in de geest.

Existentiële poëzie is dit. Prachtig geschreven en met overtuiging. Hier is een dichter aan het woord die meedogenloos teder onthult hoe hij de werkelijkheid ervaart. Die weet dat wat hij zou willen uitdrukken boven de woorden uit gaat. Dat hij met een been in de wereld van de geest staat, van de taal, van de beelden; en met het andere in de wereld van wat verloren is, in de onherroepelijke leegte. Het is de afstand die je als mens ten opzichte van jezelf kunt ervaren: de innerlijke mens en de uiterlijke persoonlijkheid.

Ik ben

Ik bekvecht vooral met mijzelf.
Ik leef op voet van oorlog.
Ik ben nog lang niet dood.

Ik ben een luipaard die hoger
in de boom klimt dan de man
die ik ben in mijn droom.

Ik drink mijn koffie zorgvuldig.
Alsof het de laatste keer is
dat ik koffie drink.

Ik ben de strijdlust zelve.
Maar ik weet niet waarom.
Behalve dat ik de adem voel

van wat altijd op het punt lijkt
te staan om mij te verslinden
als ik er het minst op ben bedacht.

Het leven als een gevecht op leven en dood, en met de meest alledaagse, banale middelen. Het met aandacht drinken van koffie, is een vorm van zijn, waarin hij zich niet laat verscheuren, versnipperen; wat ons dagelijks, doorgaans, vrijwel continue gebeurt. Bezig met het ene, denken we alweer aan het volgende, verlangen weer iets anders, lopen achter onszelf aan. De dichter gaat het gevecht aan om het behoud van zichzelf als eenheid. En hij doet dat in onze onverschillig wrede wereld waarvan hij de schoonheid subliem weet op te roepen:

En al die kleuren grijs van het water
dat onstuimig golft en stuift
in de zilveren schaduw van de zon.

(uit: ‘Altijd weer’)

Over de beste gedichten heb ik het nog niet gehad. Een prachtige bundel!

***
Jacobus Bos (1943) debuteerde in 1969 met de verhalenbundel Ik ga voor niemand uit de weg. In 1974 ontving hij de Anna Blaman-prijs. Zijn eerste dichtbundel Mijn blauwe evenbeeld werd in 1988 genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Daarna volgden De zon verbergt de oceaan niet (1989), Wie vliegt die vliegt (2002), Liefde – onheil (2004), Zingt de zee (2007) en Veilig is het nergens (2010).
Hij publiceerde in diverse literaire tijdschriften, waaronder De Gids en De Revisor.