Gedichten

Astrid Arns

Kind

Je loopt op een lijn op het strand en de wind wist je uit.
Onder je jas je krimpende huid.
De tijd komt tot stilstand op de golven.

Je hurkt op het bevroren zand en wacht.
De grond verdraagt maar moeizaam je gewicht.
Je ziet een schip dat schuim trekt in het water dat zo gulzig is.

Je proeft het zout in de vochtige lucht en denkt terug
aan het kind op je heup.
Net geen zomer en zij zingt voor zeilers en matrozen.

Ze lacht van oor tot oor terwijl jij rondvliegt als een adelaar.
Kort het geluid van sneeuw, de kleine stappen van haar voeten.
Niets is ooit voorbij of stil.

Nostalgie

Er woont een meisje in me met een smal gezicht.
Ik proef de woorden op mijn tong die zij vergat te spreken.

Wij dragen hetzelfde rood.
Schrijven onze naam in het stof van de vensterbank.
Er is geen plek waar zij niet is. Zij waait me schoon
en houdt de ramen open in mijn hoofd.

Ik laat haar mijn lege handen zien.
Ik wil haar troosten voor wat komen gaat.

Jana Arns

Het huwelijk

Het huis werd om ons heen gebouwd.
Met potten verf naast het bed
kleurden wij hier dromen in.

Kasten gevuld met lege flessen
voor als we niets wilden drinken.
We hadden niet veel,

niet veel nodig.
Maar ook een grote mensentand
komt wel eens los te zitten.

Tussen muren van glazuur,
een wisseling van woorden.
We kluiven op restanten,

knarsen op ons kunstgebit.
We vernieuwen het meubilair.
Mogelijk elkander.

Uit: Nergens in het bijzonder, uitgeverij P, 2018

Donderdag

is als een slecht weerbericht.
De paraplu is overspannen.
Het nieuws lekt door het scherm:

kind met gebroken arm,
man met wankel huwelijk,
spitsuur in eigen huishouding

en jij:
dubbel geparkeerd in mijn hoofd.
Ik schrijf geen boete uit,

ben geen dichter die moet bekennen
dat wij tegen de richting in sliepen
op een donderdag als deze.

En hoe daar niets op rijmde.
Nee, ik wacht tot een andere bui.
Jij trekt wel over.

Frouke Arns

Plattegrond

Berlijn was jong aan haar oevers, het bier liep over straat.
Op een bank zat een vrouw te bellen, haar vlees hing
aan alle kanten over, haar stem kristalhelder in de nacht.
 
Ik werd aangesproken in het Spreepark door een Penner
die me wegwijs wilde maken; in ruil daarvoor hield hij zijn hand op.
Bij Zenner dansten dames met watergolven zich terug hun jeugd in.
 
Blote heren lagen in het Tierpark op beladen gras. Augustus, de stad was open-
gebroken en klam, overal resten van muur en wespen. Eentje stak;
ik voelde het gif de hele nacht gonzen.
 
Later zag ik hoog vanuit de koepel wat de stad niet prijsgeeft
-sprakeloos lag zij aan mijn voeten- van scheiding geen sprake.
Wolken dreven de dag uiteen.
 
Bij het monument
had iemand gevraagd wat het gekost heeft en
iemand had geantwoord: miljoenen.

Met distantie heeft dat niets te maken

Op een Rastplatz vraagt een lifter
naar je reisdoel, op zijn bordje staat Irgendwo.
De kuiltjes in zijn wangen doen je denken aan golven, aan kust.

Om ergens te komen zul je eerst moeten vertrekken.
Je hebt geen idee van destinatie, dus neem je hem mee.
Duitsers fietsen anders, zegt hij, ze geven

korte rukjes aan het stuur alsof ze de verte
naar zich toe willen trekken. Ze hebben Fernweh,
hun afstanden zijn groter, net als hun woorden.

Het zijn carnivoren;
wat zegt dat over oude koeien,
het steeds weer herkauwen.

Zijn lach verkort de tijd; op het kruispunt
laat je hem gaan. Hij verdwijnt in je buitenspiegel
naamloos, wie weet heet hij Wolfgang.

Je bewaart nog altijd de post-it die niet wilde hechten
met daarop: Irgendwie bist Du süß.
Misschien spraken jullie elkaars taal.

Recensie van Nergens in het bijzonder - Jana Arns

Lichtvoetige zwaarte

Jana Arns
Nergens in het bijzonder
Uitgever: Uitgeverij P
2018
ISBN 9789492339515
€ 17
64 blz.

Met haar debuut Status: het is ingewikkeld (2016) won Jana Arns de prijs letterkunde Oost-Vlaanderen 2017. Haar moeder, Astrid Arns, is ook dichter. We kennen haar onder meer als één van de winnaars van de derde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017. En Frouke Arns, stadsdichter van Nijmegen 2015-2016, is eveneens familie. Alle reden dus om met veel belangstelling naar het jongste werk van deze jongste schrijvende Arns uit te kijken.

De bundel bestaat uit zeven verschillende afdelingen, en opent met een losstaand gedicht: ‘Het huwelijk’. Het ligt voor de hand om dan aan Elsschot te denken. Maar terwijl zijn gedicht nadrukkelijk een hoofdpersoon met al zijn teleurstellingen tekent, gaat het gedicht van Jana Arns over het huwelijk zelf. In vijf korte strofen wordt aan de hand van het interieur de opgang (‘Met potten verf naast het bed / kleurden wij hier dromen in’) en de neergang (‘We vernieuwen het meubilair. / Mogelijk elkander’) van een huwelijk geschetst. De eerste afdeling, ‘Meerkeuzedagen’, werkt deze thematiek in zeven gedichten verder uit.

Maandag

Toen ik alarm sloeg
drukte je mijn hoofd in
en keek me aan

met een blik die zei:
zelfs de duurste dagcrème
kan de nacht niet wissen.

We wisten beiden hoe laat het was.
Ik knipperde zo hard met de wimpers
dat mijn ogen open vlogen

en zette de landing in.
Beneden draaide ik het kind
minder luid, berispte de hond

die stond te slapen.
Mij was het liggend weer niet gelukt
en ik maalde mijn brein tot sterke koffie.

Het wolkje melk voorspelde regenvlagen.
Nog een half leven, dacht ik
en het zit erop.

De lichtvoetige woordspeling die tot absurdistische situaties leidt, is het handelsmerk van Jana Arns. En van veel hedendaagse dichters. Ondanks de spottende toon is duidelijk: het gaat niet goed in dit huwelijk. En ook met de ‘ik’ zelf, die in de slotregels elke poging tot humoristische verhulling laat varen. Het wordt er niet beter op in de rest van de week. Op woensdag komt de dochter aan het woord: ‘Zij geeft meerkeuzevragen. / Hebben dino’s borsten?’ Afgezien van het feit dat dit niet echt een meerkeuzevraag is, is duidelijk dat dit fragment ten grondslag ligt aan de titel van de afdeling ‘Meerkeuzedagen’. Op zondag wordt teruggegrepen op het openingsgedicht: ‘Verf bladdert van onze gesprekken.’

De tweede afdeling heet ‘Symfonieën voor een onvoltooid gezin’. De vijf gedichten zijn gewijd aan dochter, vader en moeder(s). De vader is een grote afwezige: ‘Vanaf de Karelsbrug / zwaaide je me toe’. De verwijzing naar Praag past goed bij de voornaam van de dichter. Ook het feit dat ze de achternaam van haar moeder draagt, doet een expliciet biografisch element vermoeden.

Hierna volgen drie wat kortere afdelingen. ‘Nachtbreuk’ snijdt een thema aan dat in Status: het is ingewikkeld ook al nadrukkelijk gepresenteerd werd: ‘Ik bedrijf het wakker liggen met uren uit één cijfer’ en ‘Elk verhaal is eender: / droomballonnen blijven leeg, / een tekenaar houdt het voor bekeken’. ‘Binnenskamers’ borduurt in zes gedichten voort op de relatieproblemen uit de eerste afdeling: ‘Met dit aangetekend schrijven / zet ik je mijn hoofd uit.’ En in ‘Hier blijf je jong tot je sterft’ vinden we twee actuele gedichten over oorlog en vluchtelingen.

Met al dit soort opsommingen dreigt deze recensie een wat schools karakter te krijgen. Zou het werk van Jana Arns hier misschien toe uitnodigen? ‘Teveel ondertiteling’ schreef Emma Burns een jaar geleden in haar recensie van ‘Status: het is ingewikkeld’, ‘Dit blijkt de toon van de bundel te zijn. Het ligt er dik bovenop’. Burns doelde hier op de nadrukkelijke combinatie van beeld en tekst, die in de huidige bundel, waarin geen foto’s zijn opgenomen, natuurlijk afwezig is. Maar ik deel wel de indruk van Burns, dat er weinig aan de verbeelding wordt overgelaten. Soms doen de gedichten van Jana Arns me aan songteksten denken: heel persoonlijk, mooi geformuleerd, met hier een daar een prikkelende dubbelzinnigheid. Maar zodra je de clou te pakken hebt, blijft er weinig meer te raden over.

De twee slotreeksen van de bundel hebben ondanks hun gelijkenis in titel sterk uiteenlopende onderwerpen. ‘Nergens in het bijzonder’ lijkt zich af te spelen in het niemandsland van een verpleeg– of verzorgingshuis: ‘Tegen haar boekensteun / leunen steeds minder woorden: // verzamelde adressen. Straten doorgestreept. / Iedereen is al overgestoken.’ ‘Ergens in het bijzonder’ bezingt in zeven gedichten opnieuw relatieperikelen.

III

Er woont een verkeerde man
in mijn huid.

Als hij op een ander slaapt
vervalt het bed in fantoompijn.

Ik weet nog hoe wij lepelden.
De besteklade is leeg.

Telkens weer die laatste keer.
Handen enkel gebonden aan de fles wijn.

Mocht ik een tuin hebben,
plantte ik een glasbak.

Op www.ooteoote.nl wordt een dezer dagen dieper ingegaan op het gedicht ‘Maandag’ uit deze bundel. 

***
Jana Arns (Gent, 1983) is muzikante, fotografe en dichteres, en dat nooit los van elkaar. Als muzikante is ze verbonden aan het ensemble Aranis, waarmee ze al 15 jaar concerteert in het binnen- en buitenland. Na haar studie klassieke muziek aan het Koninklijke Conservatorium in Antwerpen volgde ze een opleiding fotografie aan het Sask. Ze exposeerde in onder meer de Salons in Sint Niklaas en Museum M in Leuven.

Recensie van 'status, het is ingewikkeld' - Jana Arns

Teveel ondertiteling

Jana Arns
'status, het is ingewikkeld'
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339096
€ 17,50
46 blz.

‘Jana Arns (1983) is muzikante, fotografe én dichteres, en dat nooit los van elkaar’, lees ik in het voorwoord van haar debuut. Ojee! Foto’s met toelichtingen en die toelichtingen zijn dan de gedichten, of andersom?

En inderdaad: gedichten en foto’s die later bewerkt zijn. Bijzonder spijtig dat ik mij nooit heb kunnen vinden in zo’n keuze. In ieder geval niet voor in een bundel, wel voor aan een muur. En dat zegt alles over smaak en niets over talent. Dit vooropgesteld en ter verontschuldiging.

De titel is ook modern: ‘status: het is ingewikkeld’. Inclusief de aanhalingstekens. Hiernaast, op de voorkant, staat gelukkig geen foto van een Facebookpagina (op alle foto’s staat Jana Arns), maar wel van een vrouw, met haar rug naar ons toe, met een ingewikkelde asymmetrische vlecht in het haar en later is er op de foto ingewikkeld gekrast.

Dit blijkt de toon van de bundel te zijn. Het ligt er dik bovenop. In alle ernst en zonder ondertoontjes, mis ik wat het voorwoord belooft: ‘(…) Fijnzinnig weeft ze metaforen tot een inzicht over het alledaagse, dat zo diep gaat dat het een wolkje van het universele doet opwaaien.(…)’

Zo begint Arns haar openingsgedicht ‘Zondagavond’ met ‘Er is sneeuw op tv.’ en maakt zij grapjes als ‘Er is niets dat ik minder vat dan slaap (…)’ (‘Zoldipem II’) en ‘Ik beeldde me in dat ik leed / aan het syndroom van dichter.’ (‘Cultuurgewas’). Of zij kiest ervoor dit alledaagse ingewikkeld en met hetzelfde soort grapjes te verwoorden:

Ochtendritueel

Het vroege uur
krast een gelaat in ons gezicht
dat hulpbehoevend zoekt naar ogen

tussen cosmetica en theezakjes
overgoten met wallen.

(…)

Campus Jana

De nacht moet hier verdeeld
over te veel zalen. Het ziekenhuishemd
sluit niet aan. Laat staan de uren.

(…)

[Tel tot zen, zei de dokter … ]

Tel tot zen, zei de dokter,
tel tot er geen schapen over zijn.
Dat ik allergisch aan schapen ben,
slikte ik weg, met lichte overdosering

(…)

En hier gaat het dus over kanker: ‘Hier lig je / in agressieve vorm, / uitgezaaid in het ziekenbed.’ (‘Tante G’)

Het is moeilijk je te verdiepen in de thematiek als de vorm wat tegenstaat. Het is nog moeilijker te beseffen dat het hier over een debuut gaat, waarin duidelijk veel werk zit. Niet alleen een debuut is bij voorbaat kwetsbaar, maar dit algehele zelfportret ook. Misschien dat dit Arns ervan weerhield de flauwe grapjes achterwege te laten?

Hier en daar durft ze, eventjes: ‘Je komt bij me en hoest bijna leeg. / Ik sus je; we lijden allemaal aan onszelf, / zo ben ik de beste van de minste moeders,’ (‘Miniatuurouder’).
‘(…) Het huis is blind en de muren liegen. / Met nagels slaat ze braille in haar handen, / maar ze voelt niet meer en niet minder // dan de omhelzing van de zetel / in haar vertrek bij de nooduitgang (…)’ [‘Ze is verslaafd aan glas …’]. Helaas hiernaast een foto van Jana Arns met haar gezicht op een (getekende) tafel waar een leeg wijnglas op staat. Een mooie foto. Mooie bewerking. Als onafhankelijke creatie wat mij betreft zeer geslaagd. Als illustratie of zelfs onderdeel van het gedicht ligt het er allemaal weer net iets te dik bovenop.

Maar dan is daar, er van uitgaande dat ook dit een zelfportret is, ineens deze ontwapenende en hartverscheurende verklaring:

Verloren kogel

Ze heeft zichzelf zo vaak weggestemd
dat in haar kamer geen zin meer zetelt.

Soms hoor je er nog een woord
zijn betekenis missen,

een klinker een linkse uitdelen,
de megafoon zijn volume ontregelen.

Er klinkt geen opera
in de taal van deze vrouw:

binnensmonds,
zonder ondertiteling.

Ja, nu wil ik door die bundel heen schreeuwen: ‘Je bent je kogel niet kwijt! Je hebt al die ondertitelingen niet nodig! Wat ben ik benieuwd naar die tweede bundel zonder.’

***
Jana Arns (Gent, 1983) is muzikante, fotografe en dichteres, en dat nooit los van elkaar. Als muzikante is ze verbonden aan het ensemble Aranis, waarmee ze al 15 jaar concerteert in het binnen- en buitenland. Na haar studie klassieke muziek aan het Koninklijke Conservatorium in Antwerpen volgde ze een opleiding fotografie aan het Sask. Ze exposeerde in onder meer de Salons in Sint Niklaas en Museum M in Leuven. Als dichteres werd ze al opgemerkt in Poëziekrant, Meander, De Contrabas en de bloemlezing Het gezeefde gedicht. ‘Status: het is ingewikkeld’ is haar debuut.

Gedichten

Laurens Windig (1943)

Poëzie is mijn dagelijks voedsel

Tatoeage

Zij heeft een treurwilg in haar huid geplant
met inktblauwe lianen

exact in ‘t midden van de heuvelrug

vanaf de zichtkant is hij niet te zien
maar achter haar sleept zijn schaduw.

Jana Arns (1983)

Ik heb klassieke muziek gestudeerd en daarna fotografie. Mijn allereerste liefde was de poëzie. De smeltkroes tussen deze drie kunstvormen is voor mij van erg groot belang. Het ene kan niet zonder het andere.

Lente

De fotogravin in mij
geeft zich gewonnen:
er is geen ansicht vandaag.

Konijnen graven een grastapijt uit,
mensen halen een zonnebank leeg,
vakantiegekte op één-vierkante-meter

achtertuin. Ook ik plant mij uit.
De bibliotheek in mijn hoofd
ontleent mij een a

en al scheld ik mijzelf doorgaans
in meerdere klanken kwijt,
ik neem hem aan, deze klinker

waarop ik sta en ga, dit voorjaar.
En hiermee moet ik het doen:
een beeld dat zich niet laat vangen,

taal die ontoereikend blijkt.
Een aria schalt mijn initiaal
onder de pijnboom. Solitair.

Johan Wambacq (1950)

Ik wil gedichten schrijven die bedrieglijk helder zijn.

Meisjes

De theoloog en ik zaten op een terras
en keken naar de mysterieuze meisjes,
hun golvende mystiek, het was
ongetwijfeld mei.

God, zei de theoloog, spreekt via meisjes,
zij zijn komma’s in Zijn eindeloze tijd,
toegift in Zijn zijn om niet. Hij keek
blij en ongetwijfeld.

Meisjes, zei ik, zijn gedachtestreepjes,
in hun eeuwenoude glimlach zijn zij
van zichzelf en werelds,

zij vatten voor het slapen gaan de wereld
samen, zie hun ogen stralen, zie ze tuimelen
van tijd tot tijd.