Recensie van Het Liegend Konijn 2018/1 - Jozef Deleu

De stand van zaken

Jozef Deleu
Het Liegend Konijn 2018/1
Uitgever: Polis
2018
ISBN 9789463103145
€ 20,00
256 blz.

Jozef Deleu laat in het eerste nummer van Het Liegend Konijn opnieuw zien hoe gevarieerd het Nederlands/Vlaamse poëzielandschap is. De bundel begint en eindigt met lange geëngageerde gedichten van respectievelijk Obe Alkema en Arno Van Vlierberghe. Alkema is de dichter die een weg moet zien te vinden in de kakafonie van het huidige leven. ‘Verhalen van Europa’ begint als volgt: ‘Mannen. / Midden jaren tien liep ik vast in besluiteloosheid. / De fictie (hopen te kunnen) onderscheiden van de officiële /                  geschiedenis en je dan het omgekeerde realiseren.’ Het gedicht ‘mark baumer is dood’ van Arno Van Vlierberghe is drie bladzijden lang. Uit de inhoudsopgave begreep ik dat het een fragment is van een groter geheel. Het begint met de regels: ‘Hier staan we dan, in ons zelfgekozen nu. / Het einde helder, grotesk in zicht. / Een plompverloren schuld, die ons vertaalt, verspreidt, uitdunt.’ Het eindigt met: ‘Wat moeten we doen wanneer niets meer kan? / Hier staan, in ons zelfgekozen nu.’ En tussen deze begin- en eindregels vraagt hij zich onder andere af hoe te dichten in een wereld waarin Mark Baumer, dichter en milieuactivist, werd doodgereden toen hij blootsvoets door de Verenigde Staten trok om de aandacht te vestigen op de klimaatverandering.  ‘Hoeveel Mark Baumers kunnen we dit jaar nog verliezen? / Ik wil een vuurtoren bouwen met de schedels van alle Mark / Baumers die we in 2017 verloren. / Het bloedrode licht kilometers ver de wereld in knuppelen. / Branden op het gevoeligste netvlies, de fijnste zenuwuiteinden van / de economie dichtschroeien.’ Maar hoe?

De bundel bevat relatief hermetische gedichten van Giuseppe Minervini en Peggy Verzett, maar ook het vertrouwde parlando van Luuk Gruwez. Ik moest lachen om zijn hekeldicht ‘Afscheid van een recensent’. Ik kan het niet laten om het in zijn geheel over te nemen.

Eindelijk, eindelijk kunnen we rustig slapen.
Ik hou er maar mee op mezelf en jullie nog
te kwellen, slaafs aan oordelen te onderwerpen,
want zelfs een blindeman kan zien dat dit
waarachtig nergens meer toe dient.

Heb ik mij dan vergist, ten onrechte mijn data
op de oneindigheid geplakt, beduusd door wat
er over jullie wonderlijke ik te melden viel?
En kwam het op mijn inzicht echt niet aan, maar
op de hevigheid waarmee ik jullie op wou vrijen?

Slechts enkelen werden gekoesterd, soms stuntelig,
met heel mijn literaire libido. En ook dacht ik:
men blijft bestaan zolang men weet hoe laat het is.
Nu kunnen jullie, net als ik, op beide oren slapen.
Niet langer zal ik jullie liefhebben of haten.

De beeldspraak van Sara Haven is goed getroffen en humoristisch (en tragisch, maar dat ligt in elkaars verlengde). Het gaat me om het garneren in de derde strofe van ‘het feest waarvan ik droomde’:

het feest waarvan ik droomde
toen ik nog geloofde
in einden en beginnen

is niet gekomen
dus ik berg de stoelen
met de gasten

haal de kippen uit hun ren
en garneer ze
met het onaangeroerde eten

Ook dichters als Charles Ducal, Eva Gerlach, Delphine Lecompte, Willem Thies en Mustafa Stitou kregen een plaats. Ik had me niet gerealiseerd dat Tempel, de laatste bundel van Stitou, al in 2013 is verschenen. Het is tijd voor een nieuwe.

‘Memento’ van Peter Mangel Schots zou je kunnen lezen als een illustratie bij het befaamde essay Waarom we poëzie haten van Ben Lerner. Mangel Schots keert zich zowel tegen ‘in brons gegoten’ gedichten die zijn voorbestemd voor de eeuwigheid als tegen de taal van ‘billboards en barnum’ die ‘een onwankelbare / twijfelloze zekerheid [afficheren], volmaakt geluk als wet / van Meden en van Perzen’.  Het gaat hem om heel iets anders. De laatste drie strofen van het gedicht:

ik moet beginnen
zonder voornemen iets te maken
waar niet aan te tornen valt, duizend woorden
mogen het eerste zijn, geen onwrikbaar begin
geen monolithisch midden
nauwelijks een eind

elk falen is een zegen
een absolutie van het absolute
het volstrekte wonder dat te zien

ik breek nu vazen om ze weer te kunnen lijmen
en te leren uit de onbeholpen naden
hoe het licht naar binnen sluipt

Elk falen is een zegen: het doet denken aan het ‘Fail again. Fail better’ van Samuel Beckett, iets waarop ook Lerner varieert in zijn essay. Ik citeer uit mijn recensie van 26 februari 2017: “Ieder gedicht schiet tekort en vormt slechts een afspiegeling van het verlangen ‘om [zo schrijft Lerner] voorbij het eindige en tijdelijke te komen – voorbij de mensenwereld van geweld en verdeeldheid – en om het transcendente en goddelijke te bereiken.’ Dat is onmogelijk: zoals bekend lopen dichters op tegen de grenzen van de taal. Het onbestaanbare volmaakte gedicht noemt Lerner het virtuele. Hij stelt dat tegenover het feitelijke: het gedicht zelf.” Bij Mangel Schots: tussen de naden van de gebroken (taal)vazen kan iets van dat virtuele naar binnen sluipen. Mooi is de paradox: juist door niet naar een eeuwigheidswaarde van zijn gedichten te streven, roept hij een vermoeden van dat virtuele op. Zijn beeld bracht me trouwens een mooie regel van Gerbrandy in herinnering: ‘Waar grammatica kiert kent lichtval een uitweg’ (Voegwoorden, p.627).

Ik vermoed dat Jozef Deleu het gedicht ‘Memento’ in zijn achterhoofd heeft gehad bij het schrijven van zijn inleiding ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn.’ Hij beroept zich expliciet op Lerner: alleen met een zeer kritische houding ‘waarmee men de eigen discipline en haar beoefenaars te lijf durft te gaan’ kan men poëzie beschermen, want ‘poëzie of wat ervoor door wil gaan [surft] al te vaak [mee] op het modieuze gebabbel van commentatoren die haar via parafrases of slappe performances van haar dubbele bodem en diepgang ontdoen.’ Stuitend vindt hij dat. ‘Op die manier verwordt poëzie tot een lichtekooi die wat vertier moet brengen in een sombere wereld. Ze wordt een hapklare brok voor handige reclamemakers, een stimulerend middel voor de consumptie.’
Deleu heeft gelijk, maar er klinkt wel veel wanhoop op uit zijn inleiding. Dat blijkt uit het welhaast bezwerende gebruik van het werkwoord ‘moeten’: ‘Poëzie moet gevaarlijk zijn’ (de vraag wat gevaarlijke poëzie dan in vredesnaam is, laat ik hier in het midden); het essay van Ben Lerner ‘geeft de richting aan waarin gedacht moet worden’; in goede poëzie ‘moet de taal passie, ontregeling, inzicht en visie verwoorden’; poëzie ‘moet aan onze ervaringen en inzichten perspectief en diepgang verlenen.’ (De cursiveringen zijn van mij).
Laat ik hier nog een moetje aan toevoegen: nog niet gebundelde poëzie moet een goed zichtbaar podium hebben. Deleu biedt dat keer op keer.

Poëzie Kort 2017 / 7

 

Jozef Deleu (red), Het liegend Konijn 2017 / 2

Het Liegend Konijn 2017 / 2 voldoet weer aan al mijn verwachtingen. Alleen al bij de ‘B’ tref ik veel van mijn gading aan: Benno Barnard staat erin met zes gedichten die zonder uitzondering uit strofen van drie regels bestaan en daarom traditioneel aandoen. Dat is geen negatief waardeoordeel: ik vind ze heel aantrekkelijk. Uit twee ervan blijkt zijn voorliefde voor het Europa van voor de Eerste Wereldoorlog, belichaamd in de Donaumonarchie Oostenrijk-Hongarije; zijn gedicht over Bob Dylan is scherp en vermakelijk. De gedichten van Maarten Buser doen je verlangen naar een tweede bundel en datzelfde geldt voor die van Hannah van Binsbergen. En over de zes gedichten van Anneke Brassinga hoef ik niets te zeggen.

Zeven van de dichters hebben nog geen bundel gepubliceerd: Julie Beirens, Hester Eymers, Astrid Haerens, Else Kemps, Bartho Kriek, Leen Pil en Tania Verhelst. Else Kemps is de jongste onder hen: ze werd geboren in 1995. Van haar zijn terecht zeven gedichten opgenomen. Drie daarvan vormen een korte serie van drie onder de vrolijk stemmende titel: ‘leren relativeren met Piepmiep Paula en Bikkelboy Bob’. Twee strofen uit gedicht II, dat speelt in het onder schooltijd geopende recreatiebad:

in het diepe hing Agressieve Angelo
wat rond – zijn toegangsverbod verlopen, het hakenkruis
op de kluisjes overgespoten.

we keken hoe zijn handen afdreven
richting bikinitopjes, kochten ijslolly’s
groot genoeg om achter te lachen

Die ijslolly’s. Prachtig. Ziet u die kinderen voor u?

Nog jonger is Jante Wortel (1996). Zij heeft al een bundel gepubliceerd: Als de vogel door het glas vliegt. Een gedicht om te onthouden vind ik ‘mijn vloeibaar’ (wat niet betekent dat de andere gedichten niet goed zijn). Dat zit hem vooral in de laatste regel, die een versterking is van de voorgaande en bovendien dubbelzinnig en daardoor onheilspellend is:

ik zoek naar een lichaam om mijzelf in te bewaren
het omhulsel van wat ooit een meisje was
opengeritst bij haar voetzolen, uitgehold en leeggezogen

ze laat zich hervullen

ik wring mezelf uit om te passen
iets aan te trekken dat niet van mij is
maar dat wel kan worden

één regel
er mag geen loze ruimte overblijven

er mag niets overblijven

Het probleem met een bloemlezing is dat je op veel meer dichters de aandacht wilt vestigen dan mogelijk is. Eentje nog: Maarten Inghels. Hij schreef een serie gedichten over de acht avonden na ‘zijn’ dood, waarin verslag wordt gedaan van de activiteiten van het ‘Internationaal Genootschap der Officiële Dubbelgangers van Inghels.’ Hij weet hier hilariteit te koppelen aan wat het lyrisch ik als dichter wil en wat voor problemen het daarbij tegenkomt. Het komt allemaal neer op het verlangen ‘om in het geheim gezien te worden en tegelijkertijd / anoniem te blijven ( … ) Mijn dubbelgangers gaven mij de kans te ontsnappen / Mijn dubbelgangers gingen om mij heen staan en vormden een rookgordijn’, schrijft hij in ‘De zesde avond na mijn dood’. Dat lijkt makkelijk, maar is het niet. In ‘De achtste avond na mijn dood’ schrijft hij: ‘Het grootste probleem is echter de beheersing van de verdubbeling / Mijn dubbelgangers zijn voortvluchtige schaduwen / Mijn dubbelgangers zweven als schimmen door mij / Mijn dubbelgangers lopen over mij heen als spookvoetgangers’. Misschien is hij ook de versnipperde dichter in een versnipperde tijd: ‘Ik ben de confetti van de 21e eeuw’, luidt de laatste regel.

Het gaat goed met de Nederlandstalige poëzie.

***
Het Liegend Konijn 2017 / 2. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2017). Redactie Jozef Deleu. Polis, 237 blz. € 20,00

 

Atze van Wieren, Eeuwig leven

Eeuwig leven is de derde bundel van Atze van Wieren. De bundeltitel doet natuurlijk een religieuze thematiek vermoeden en dat wordt nog versterkt door de titels van de twee afdelingen: ‘Heden en verleden’ en ‘Later’.
Dat is ten dele zo. In de bundel spreekt een dichter met een religieuze jeugd, die in zijn volwassen leven mede is gevormd door de kennis van neurologie, kosmologie en filosofie – aan elk van deze disciplines besteedt hij aandacht. We zien een zoektocht naar een synthese. Zijn religieuze achtergrond laat hij niet achter zich; we zien in het eerste deel op verschillende manieren dat het heden zonder het verleden ondenkbaar is. Wel beseft hij dat het traditionele geloof voor hem verleden tijd is. In het gedicht ‘Kerk te Gerkesklooster’ leidt de kerkvoogd het lyrisch ik rond. Echt levendig is het er niet: ‘een psalm sterft hier door ademnood. // We klimmen omhoog. Op zolder rekwisieten / voor het geloof: de lege kribbe, / de engeltjes van bordkarton.’
Een voorbeeld van de synthese zien we in het gedicht ‘Roepen’ uit het eerste deel. Naar aanleiding van de dood van zijn vader en moeder schrijft de dichter:

God in mij werd alsmaar kleiner,
tot hij – Spinoza zij geloofd –
herrees en alomvattend schijnt te zijn.

Aldoor groter het heelal,
er is geen einde, geen begin,
ik ben een oogwenk nergens tussenin

Het is geen definitief antwoord. Gelukkig niet, want dat zou afbreuk doen aan de bundel. Vooral in de tweede afdeling volgen wij zijn zoektocht. In ‘Vraag’ zie je een van de antwoorden die hij overweegt, maar bevredigend is het niet.

Mijn onderdelen vallen uit elkaar.

Geen nood, atomen maken om
het even waar hun vreugdedans.
Mijn eiwit valt uiteen tot hergebruik.
Een bacterie stribbelt nogal tegen
maar vindt geheid een nieuw tehuis.

Ja, er is veel eeuwigheid in mij.

Maar zeg eens, waarheen gaat de pijn
waar stapelt zich het hartzeer op
waar moet je voor mijn liefdes zijn
en waar blijft het lied in mijn mond,
is er een pakhuis voor dakloos geluk?

Zeg me, waar gaat verlangen heen.

Er zijn ook gedichten waarin deze vragen niet spelen. In ‘Bezoek’ zien we een alledaags tafereel dat de meesten van ons wel kennen: ongewenst bezoek. ‘Hij kent de weg, hij veegt zijn voeten / niet, neemt zonder vragen als vanzelf / sprekend de beste stoel, zet zich breeduit.’ (De enjambementen zijn mooi). En dan komen de verhalen, ‘grijsverteld’. Maar er schemert soms ook radeloosheid bij de blaaskaak door en dat tilt het gedicht boven de anekdote uit.

Niet alle gedichten zijn geslaagd. Het gebruik van eindrijm bijvoorbeeld kan wat oubollig aandoen. De eerste strofe van ‘Foto’: ‘Zij houdt de handen voor haar schoot gevouwen / en kijkt mij met een glimlach aan, / het wemelt van de madeliefjes / die vrolijk rond haar voeten staan. / Een paar narcissen, wit met gele hartjes, / posteren zich brutaal vooraan, / maar achter haar is leeg de hemel / en alle kleur lijkt eruit weggegaan.’ De wrange laatste twee regels contrasteren met de lieflijkheid die door het eindrijm wordt ondersteund. Het is dus functioneel, maar mooi vind ik het niet. Desondanks heb ik deze bundel met plezier gelezen.

***
Atze van Wieren, Eeuwig leven (2017). Uitgeverij IJzer, 77 blz. € 14,50

 

Cees Bolle, Ik kan het altijd denken

‘Ergens, denk je, / staat een huis waarin je thuiskomt. Alles past’. Deze regels heeft Cees Bolle gebruikt als motto van zijn derde bundel. Het is een citaat uit De man die ophield te bestaan van Ingmar Heytze. Zowel Heytzes citaat als zijn bundeltitel zijn goedgekozen: Bolles bundel Ik kan het altijd denken gaat over het huis van poëzie, dat van de herinnering en uiteindelijk de dood.

De bundel begint met de afdeling ‘Gesloten’, die gaat over de dood van de vrouw van het lyrisch ik. Ze leeft voort in taal –  ‘Noem haar naam / en zij is er nog’ – en in de herinnering. In het laatste gedicht van deze afdeling, Achterzicht, blijken met name gelukkige herinneringen een bijzondere functie te hebben: ‘het verduistert het zicht vooruit’. Mooie regel.

Het is bekend dat het geheugen zeer onbetrouwbaar is: herinneringen staan in dienst van het heden en daardoor worden ze vervormd: ‘het komt weer voor de geest / gevormd vanuit het nu’, schrijft de dichter in het gedicht ‘Herinneringen’. Het staat in de tweede afdeling, ‘Tijdig’ – op tijd, maar ook dat wat voortduurt. De dichter maakt dankbaar gebruik van die kennis. De laatste strofe van ‘Uitzicht’: ‘Ook als het anders was / of nooit zo warm en vol, / ik kan het altijd denken.’ Dit staat in de afdeling ‘Dolend’, over wandelingen, fietstochten en mooie momenten die je moet vasthouden. Tegelijkertijd zijn het ook hier zoektochten naar het verleden.
In ‘Ondergrond’ zien we de altijd aanwezige jeugd van de dichter, de grondtoon. De oorlog, de verwoesting van Rotterdam en de hongerwinter spelen een belangrijke rol. De dood komt in deze afdeling nadrukkelijker naar voren. Een mooi gedicht is ‘Spiegelbeeld’, waarin de ik wordt geconfronteerd met zijn eindigheid, verbeeld door het stromende water en het kevertje. Je denkt uiteraard direct aan Kopland met zijn voorliefde voor de Drentsche Aa en aan ‘Air’ (1671) van Jan Luyken: Droom is ’t leven, anders niet; / ’t Glijdt voorbij gelijk een vliet, / Die langs steile boorden schiet, / Zonder ooit te keren.

Onder de houten brug
de Drentsche Aa
en mijn rimpelig spiegelbeeld.

Pijlkruid buigt gedwee
met de lome stroom
een tak drijft doelloos mee.

Het water vloeit terwijl
een draaikevertje onheilspellend
snel mijn beeld verscheurt.

En in het laatste gedicht de werkelijke dood. Opvallend is dat dit het enige is dat in de derde persoon is geschreven, wat enige afstand schept – mogelijk om identificatie met de persoon Bolle te voorkomen die zich hier zijn einde zou voorstellen. Herinneringen komen nog één keer voorbij en in de laatste regels blijkt de man de zee in te lopen: ‘Zo stil en donker wordt het dan / geen zon meer en geen golf.’ Einde, ook van de bundel.

Een enkel gedicht vind ik minder goed. In ‘In een wolk van stilte’, uit de eerste afdeling, komt het lyrisch ik uit bed. Hij mompelt een ochtendgroet, onzeker, want er is niemand meer. De tweede en laatste strofe luidt:

In een wolk van stilte
kies ik de schakelknop
van het antwoordapparaat.
Dan klinkt een vrouwenstem
‘Er zijn nu geen berichten’.

Ik vind dit op de grens van het sentimentele. Ik kan me de eenzaamheid levendig voorstellen, en ook dat het een voorval kan zijn dat in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. Dat kun je echter niet altijd één op één overnemen, in dit gedicht werkt het niet.
Maar dit is een detail. Het is een mooie, sobere bundel. De vier tekeningen van de vorig jaar overleden tekenaar Jan Steen passen er uitstekend bij.

***
Cees Bolle, Ik kan het altijd denken (2017). Uitgeverij kleine Uil, 48 blz. € 15,00

Poëzie Kort 2017 / 4

Erik Brus (samenstelling), Vaan nu. c.b. vaandrager met andere ogen

Het is vijfentwintig jaar geleden dat C.B. Vaandrager overleed. Ter gelegenheid daarvan heeft Erik Brus de bundel Vaan nu samengesteld met ‘bijdragen van dichters die toen hij nog leefde al door hem beïnvloed werden, en schrijvers en dichters die zich door hem anno nu laten inspireren.’ Die invloed geldt zonder enige twijfel voor dichters als Bert Chabot en Jules Deelder – die overigens niet heeft meegewerkt aan de bundel -, maar dat blijkt niet echt uit de opgenomen gedichten: dat zijn vooral hommages in de stijl van Vaandrager. Daarnaast heeft Brus een aantal nog niet gebundelde gedichten van Vaandrager zelf opgenomen en enkele literair- historische artikelen; hijzelf verzorgde een uitstekende inleiding, onder andere over Vaandragers huidige invloed.
Hij zegt terecht dat Vaandrager vooruitliep op zijn tijd door zijn ‘grenzeloze en multidisciplinaire levensgevoel dat nu vanzelfsprekend is geworden’ en dat hij de grenzen van de literatuur trachtte te verleggen door verbinding te zoeken met de ‘pop- en mediacultuur van zijn tijd.’ André ’t Hart laat zien hoe dat in zijn werk kon gaan: zijn artikel gaat over Vaandragers samenwerking met de soulzanger Teddy Treurniet, die met hem optrad in het roemruchte tv-programma ‘Hoepla’ en een nu nauwelijks nog voorstelbare opschudding veroorzaakte door Vaandragers tekst ‘I’m a sexman’ in te zetten: ‘I like it hot, / I’m a sexman. / I’m a social worker. ( … )’. Ook op papier zie je die verbinding. Alek Dabrowski memoreert in zijn artikel de relatie met hip-hop in Vaandragers laatste bundel, Sampleton (1990).

Het is echter de vraag of Vaandrager nog veel wordt gelezen. Voor velen is hij de man van één gedicht: ‘De kroketten in het restaurant / zijn aan de kleine kant.’ (Uit de Madurodamreeks in Gedichten (1967)). Dat is ook het enige gedicht dat Pfeijffer in zijn recent verschenen bloemlezing heeft opgenomen, terwijl hij per dichter toch een maximum van twaalf hanteerde. Het ligt natuurlijk voor de hand dat een van de opgenomen dichters naar de kroketten verwijst. Ramona Maramis schreef ‘Groot kan natuurlijk ook’:

Mijn ogen zijn aan de grote kant
voor de puntzak met friet XL
die ik kreeg van suikeroom

Gelukkig was mijn mond goed gestift
in de kleur passend bij de mayonaise-emmer

In het Nieuw Groot Verzenboek van Jozef Deleu komt Vaandrager in het geheel niet voor en in Dichters uit de bundel van Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens alleen met het gedicht ‘Madurodam’.

Vaandrager was een fenomeen. De ontwikkeling van zijn poëtica is niet uniek, wel de kracht waarmee hij die uitdroeg. Aanvankelijk ging hij net als zijn ‘mede-bendeleden’ Sleutelaar, Armando en Verhagen uit van het neutraal, feitelijk en onvervormd weergeven van de werkelijkheid: op straat gehoorde dialogen, straattaferelen, readymades et cetera. Maar heb je dan de werkelijkheid te pakken? De gedichten blijven persoonlijk: het is de dichter die de feiten selecteert en rangschikt en het omzetten in taal verduistert het zicht op de naakte werkelijkheid. Dit is de context waarin hij politierapporten citeert in zijn bundel Gedichten. Die rapporten bestaan uit feiten, maar ze zijn ook gebaseerd op getuigenverklaringen. En hoe integer getuigen ook kunnen zijn, hun waarnemingen zijn meestal fragmentarisch – het zijn net mensen. In het reëel bestaande ‘politieboek’ vond hij ook goede raadgevingen. Soms kun je die lezen als een poëticale uitspraak: ‘Geef u rekenschap van de situatie. / Laat de situatie zoveel mogelijk onveranderd.’ (Mijn opmerkingen over de poëtische ontwikkeling van Vaandrager heb ik gebaseerd op het artikel ‘Feiten zijn van belang’ van Bertram Mourits).

Velen herinneren zich Vaandrager nog slechts als de cultfiguur, de junkie-dichter die zijn laatste jaren sleet als zwerver. Hij verdient veel meer. Het is te hopen dat Vaan nu bijdraagt aan een hernieuwde belangstelling.

***
Vaan nu. c.b. vaandrager met andere ogen (2017). Samenstelling: Erik Brus. Studio Kers, 127 blz. € 18,95.

 

Jozef Deleu (red.), Het Liegend Konijn 2017 / 1.

In het eerste Liegende Konijn van 2017 heeft Jozef Deleu vijfendertig dichters een plaats gegeven, onder wie zes die nog geen bundel hebben gepubliceerd: Tina van Baren – gedichten van haar stonden ook in het eerste Konijn van vorig jaar- , Chris Ceustermans, Iduna Paalman, Bert van Raemdonck, David van Reybrouck en Laurine Verweijen. Ook bekende dichters als Abdelkader Benali, Annemarie Estor en Peter Holvoet-Hanssen kregen een plaats. Het is opnieuw een aantrekkelijke, gevarieerde bundel geworden – ik word eentonig, maar in dit geval is dat helemaal niet erg.

In zijn inleiding houdt Deleu een hartstochtelijk pleidooi voor poëzie. Dat blijkt nodig te zijn: poëzie wordt steeds meer naar de marges van de samenleving gedrongen. De laatste twee alinea’s:
‘Ik beschouw het bestaan van dit blad als een daad van verzet tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden die in onze landen belast zijn met de zorg voor onze kunst en cultuur.
Het Liegend Konijn is door zijn compromisloze engagement voor de poëzie ook een ‘wit konijn’ geworden. Het mijdt iedere bedrieglijke lichtbak en blijft in alle vrijheid en onafhankelijkheid de onbegrensde ruimte van poëzie verkennen’.

Ik ben het daar van harte mee eens.

Tijl Nuyts (1993), genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor zijn bundel Anagrammen van een blote keizer (en wat mij betreft wordt hij de winnaar), neemt een zeer opvallende plaats in met een reeks van tien gedichten: ‘Toerist’. Deze reist met de Brusselse metrolijn 5, waaraan het station ligt waar in maart 2016 een van de aanslagen werd gepleegd. De namen van stations zijn gekoppeld aan fasen die een soefi moet doorlopen in de zoektocht naar zijn god, zoals ‘berouw’, ‘onthouding’ en ‘geduld’. Die fasen worden stations genoemd. (Voor de duidelijkheid: het soefisme staat recht tegenover het moslim-extremisme).
Van een ongecompliceerd recht-op-en-neer-engagement is bij Nuyts geen sprake. De toerist is ‘s zomers bezig ‘met de eieren die werden achtergelaten door steden die stierven’ – geschiedenis dus, of in ieder geval niet de actualiteit. ‘Andere dichters hangen in dat seizoen met snoeren en slangen / aan de acute actualiteit: een beademingstoestel / dat wereld naar binnen pompt.’

Bij Iduna Paalman (1991) ligt het anders. Zij is heel direct, en wel op een sarcastische manier. Van een ‘acute actualiteit’ is hier geen sprake: wat zij beschrijft bestaat helaas al een tijd en is voorlopig nog niet verdwenen. De eerste en laatste twee strofen van ‘Ruimte’:

Ruimte-innemers: Lidl, Gamma, Leen Bakker.
Enorme parkeerplaats.
Mensen met domheid geslagen.

Kopen en laden en laten
nabezorgen vragen of het
een witte chauffeur mag zijn.

( … )

er is één televisieploeg die het ze
nog wil vragen, waar ze bang voor zijn
een vrouw zegt: ik weet niet hoor maar
kijk om u heen
de vreemden nemen over

onze huid het enige
om ons nog in te verschuilen.

Niet alle gedichten zijn uit het nest geroofd. Twee van de drie gedichten die Deleu heeft opgenomen van Tim Pardijs, komen uit zijn debuutbundel Dromen die aarde openbreken (2016)  – aantrekkelijke gedichten, daar niet van. Een slordigheidje, denk ik. Het zij Deleu vergeven: het is een enorme prestatie om twee keer per jaar zo’n bijzondere bundel uit te geven.

***
Het Liegend Konijn 2017/ 1. Tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie (2017). Redactie Jozef Deleu. Polis, 266 blz. € 20,00

 

Luis Felipe Fabre, Verdachte omstandigheden

Hoe betrokken je ook bent, je kunt je toch doodergeren aan geëngageerde poëzie. Dat geldt ook voor de Mexicaanse dichter Luis Felipe Fabre (1974). De tweede afdeling van zijn bundel Verdachte omstandigheden (vertaald door Merijn Verhulst) heet ‘Kort register van enkele kunstzinnige gebeurtenissen en andere huiveringwekkende aangelegenheden.’ In het derde gedicht vind je passages als: ‘Maar / waar ze gevoelig voor zijn / daar zijn ze ook echt gevoelig voor: ik ken // hun goede bedoelingen door en door: hun didactische / neigingen, hun therapeutische / verlangens: de aandrang die ze voelen / om ons op te leiden, voor te lichten, te confronteren, wakker te maken / te bevrijden.’ Ook ergert hij zich aan het obligate karakter van veel van deze poëzie. Een passage uit het vierde gedicht van deze reeks: ‘Heb je ook gemerkt dat alle Mexicaanse dichters / al hun gedichtje klaarhebben over het geweld? Nee? Lees / je geen poëzie? ( … )’.
Geëngageerde poëzie kan ook leiden tot misverstanden. De vriendin van de dichter – niet per se Luis Felipe Fabre- , draagt haar gedicht voor over geweld, moord, verkrachting, verdwijningen en andere gruwelijkheden. Mensen applaudisseren, huilen, komen achteraf naar haar toe, maar hij toont geen emotie. Ze is woedend: ‘interesseert het je / niet wat er in dit land gebeurt? Lijd je / niet onder al die doden?, / de duizenden doden? ( … ) ‘Iedereen / die ik een stem geef / in mijn gedicht, geef je niet om hen?’
Vast wel, maar zou het ook kunnen zijn dat haar gedicht gewoon slecht was?

Is de dichter niet geëngageerd? Wel degelijk, maar hij is in de eerste plaats dichter, en een goede ook. Een opgeheven vingertje zul je bij hem niet vinden, wel aanstekelijke humor waaronder je de angstwekkende dreiging van het Mexicaanse geweld voelt. Hij schrijft gedichten als scènes uit horrorfilms – hij begint niet voor niets met twee trailers. Zombies komen uit alle hoeken en gaten, het gerucht gaat dat ze een strategie van de narco’s zijn om de regering schrik aan te jagen, een ander gerucht is dat zij een strategie van de regering zijn om de bevolking schrik aan te jagen en weer een ander gerucht … Het gewicht van vrachtwagens ‘gevuld met uit noodzaak / onthoofde zombies’ doen de baccaratglazen van een opgepeuzelde tante trillen en desondanks zijn er demonstranten (‘Je suis zombie’) die opkomen voor de rechten van de levende doden. Ze worden verslonden ‘zonder dat de politie of het leger hen te hulp schoot.’

Hij geeft dus wel degelijk stem aan degenen die zijn vermoord, ontvoerd, gemarteld en verkracht. Indrukwekkend is ‘Beeld van de onbekende vrouw’:

Een rode schoen met hoge hak

die, in zichzelf,
de schim is van zijn afwezige wederhelft.

Een schoen verloren midden in de nacht,
verloren, tussen de ene
en de andere stap, midden op straat.

Een schoen waaruit je een vrouw kunt opmaken
plotsklaps mank
en waarschijnlijk bedroefd achtergebleven.

Meer nog dan een schoen: een aanwijzing om een misdaad op te lossen.

Een schoen die een vraag is
met de andere schoen als antwoord.

Fabre kan huiveringwekkende gedichten schrijven, terwijl hij je tegelijkertijd regelmatig laat lachen. Een prestatie.

***
Luis Felipe Fabre (2017). Verdachte omstandigheden. Vertaald door Merijn Verhulst. Uitgeverij Karaat, 80 blz. € 17,95

Poëzie Kort 2016 / 9

 

Koenraad Goudeseune, Vet hart

Koenraad Goudeseune doet in zijn thematiek denken aan Reve: ‘liefde (of geen liefde), / en ouder worden, / en dan de Dood.’ Ook aan Bukowski, die zich, in tegenstelling tot Reve, niet veel gelegen liet liggen aan de vorm: de inhoud prevaleerde. In het werk van allerdrie de auteurs speelt drank een belangrijke, maar vergeefse rol als middel om de dagelijkse ellende draaglijk te maken. Alle drie voelen zij zich buitenstaanders.
Dit betekent niet dat Goudeseune een navolger of poseur is: hij heeft een eigen geluid, de overeenkomst zit hem in het levensgevoel. Pathetisch is hij soms wel. Zijn laatste bundel Vet hart opent met veertien zeegedichten. De ik-persoon woont in een appartement aan de Vlaamse kust, maar de zee, een beeld voor eeuwigheid en dood, biedt geen troost. In ‘Dan sneeuwt het op dit late uur’ schrijft hij: ‘Vissers zijn met kerstmis thuis. Kom nu, dood, bevrijd me. / Kom nu en laat mij los. ( … ) Kom nu dood, het is genoeg geweest. Kom nu, // laat mij gaan, laat boten loeien in de mist, ik hoor ze smeken / om een zeemansgraf.’ De gordijnen kunnen maar het best worden dichtgedaan en er moet ‘met strengheid’ worden geluisterd naar Marvin Gaye – de soulzanger die werd vermoord door zijn vader. Het helpt niet: ‘Kom nu, neem mij mee.’ De zin ‘Kom nu, dood, bevrijd me’ heb je dan al in twee eerdere gedichten gelezen, uiteraard steeds in combinatie met drank. De zeegedichten hadden meer indruk gemaakt als Goudeseune wat selectiever was geweest.
De overige gedichten zijn gevarieerder: beelden uit zijn jeugd, verloren liefdes, grappige gedichten over bezoekjes aan de cardioloog, verlangen naar liefde. Humoristich is hij ook. In ‘Oorlog & terpentijn’ schrijft hij zijn eigen Hartmans. Bij een bombardement rent de ik-figuur een schuilkelder in. Een vrouw heeft een koe meegenomen: ‘Het arme dier stond op haar vier poten te trillen en opeens / besefte ik / dat de tragiek van een beest twee poten erger kan zijn dan die / van een mens.’ En een grote eenzaamheid beschrijft de dichter vol zelfspot:

Liefje

Ik heb me met koud water gewassen.
Mijn schouders. Mijn buik.
Mijn rug zover ik kon.
Alles met koud water.
Mijn oksels ook.

Ik keek in de spiegel en zag iemand
die zich aan het wassen was.
Het was eerlijk gezegd geen zicht.

Koud water over mijn billen.
Koud water over mijn gezicht.
Mijn haar nat van het koude water.
Mijn voeten en ook mijn gat.

Had ik maar een liefje!

Het gedicht ‘Wierook wacht niet op een roman’ is mij uit het hart gegrepen. Hierin zet de dichter geërgerd en sarcastisch uiteen dat veel schrijvers hebben geleerd een romantechniek toe te passen, waardoor ‘we zo langzamerhand kunnen spreken van een monocultuur / in het romanlandschap’, maar geen idee hebben waar het echt om gaat en wat zich niet laat vangen: ‘Het wezen van de romantechniek loopt [die schrijvers] alleen maar / in de weg.’ Logisch: ‘Het wezen van de romantechniek geeft de rode draad aan het / labyrint terug / daar waar de romantechniek dat labyrint tot rode draad herleidde.’ Het eerste kunnen alleen echte schrijvers.

***
Koenraad Goudeseune (2016). Vet hart. Uitgeverij Bokeh, 106 blz. € 16,50.

 

Sven Staelens , m.n.m.”l

In m.n.m.”l schrijft Sven Staelens pwoermd, of pwoermds, daar wil ik vanaf zijn. Het gaat in ieder geval om ‘one-word-poems’, aldus zijn grote voorbeeld Geof Huth die het voorwoord schreef en daar twee dagen over deed: ’29-30 August 2016’. Hij deed dat bovendien in New York City; aan dit voorwoord kunnen we daarom niet voorbij gaan. Geof Huth deelt met de lezer een paar rake observaties over de werking van woorden: ‘Words appear to us to be solid in meaning, resolute, a small but essential barrier between civilisation and chaos.’ ( … ). Maar: ‘Every word is fungible. It insists different meanings in different contexts. The same word can be praise or an insult based on the tone of the voice speaking it or the phrasing of the hand writing it.’ Ik was het meest onder de indruk van zijn opmerking over dichters: ‘And, for the poet, they are malleable: they can be twisted into new shapes. They can become new things.’

Het is een mooie, goed verzorgde uitgave, die het visuele van de gedichten recht doet. Helaas is daar alles mee gezegd. De bundel begint en eindigt met een aantal grappige verschrijvingen op de linker pagina en grappige uitwerkingen op de rechter. Oordeel zelf. Kent u het visuele gedicht ‘ Revolutie ’ van Paul de Vree, een volmaakt voorbeeld van de eenheid van vorm en inhoud? Zulke gedichten komen in de andere afdelingen voor – over kwaliteit heb ik het hier niet. Voorbeeld: een molen, gemaakt van hoofdletters ‘i’ met een gemeenschappelijke punt in het midden. Het fundament is uiteraard een ‘m’. Ander voorbeeld: een sterk uitvergrote B op zijn kant (linksom) en daarachter, in minder grote letters ‘rest’. Een woordspeling. De ‘B’ lijkt op een tweepersoonsbed en ook op borsten. Rest, brest, en over die combinatie kun je dan nog even prettig verder fantaseren. Een ander soort pwoermd: ‘SKE?SIS’. Nog een: ‘ V’RDW’N’N ’.

Pwoermd. Het kan nog kleiner, dat liet Harriët van Reek zien in Lettersoep waarvoor zij in september terecht de Gouden Penseel kreeg. Hoe zullen we haar lettertekeningen noemen? Pletterd?

***
Sven Staelens (2016). m.n.m.”l. Uitgeverij CrU, 82 blz. € 18,95

 

Jozef Deleu (samenstelling), Het liegend konijn 2016 / 2

Het mooie van Het Liegend Konijn is dat het je nieuwsgierig maakt naar nieuwe bundels. Neem Maarten van der Graaff. Na Dood werk met zijn lijsten en klokgedichten heeft hij zijn werk weer vernieuwd en toch is hij direct herkenbaar. Vijf keer maakt hij op een linkerpagina een opmerking over ‘de nederlandse commune’ en op de rechter- volgt dan een bijpassend gedicht. Hij beschrijft de invloed van de gemeenschap op het maken van poëzie. Een vermakelijk voorbeeld:

de nederlandse commune mag zonder bevelschrift je hele lichaam onderzoeken
de officiële versie wijkt vaak af van de werkelijkheid

 —

dagelijks metaforen slikken
om de viagrajunk te worden
die ik al was
toen ik nog als bloedklomp leefde
en me voedde met het netwerk

seksuele vrijheid leverde de commune
goederen op en markten
waarin m’n bloedklomp werd uitgebroed
en met de benodigde capaciteiten toegerust

opgeilen en opgegeild worden
ontvangen en verzenden

Naast dat van Maarten van der Graaff heeft Deleu werk opgenomen van zes andere dichters die na 1980 zijn geboren: Ilona van Braam, Yannick Dangre, Sylvie Marie, Sander Meij, Marieke Rijneveld en Dorien de Vylder. Sylvie Marie is vertegenwoordigd met zeven gedichten met de overkoepelende titel ‘Houdingen’. Ze spiegelen elkaar. De eerste zin van de reeks luidt: ‘vertedering, beminde, heeft veel weg van vertering.’ De laatste: ‘de vertering, beminde, ze werkt / soms vertederend.’ Tussendoor laat zij zien hoe die vertering in zijn werk gaat. Er staat veel op het spel: ‘haha, je houdt niet // voor mogelijk hoeveel mensen sterven / nog voor ze hun laatste woorden zeggen.’, merkt het lyrisch ik op in ‘zoveel vragen en nog lopen we verveeld …’ .

Ook de voorgaande generaties zijn goed vertegenwoordigd. In dit nummer gaat de vaststelling van Pieter Boskma in ‘Dankbaar verval’ niet op: ‘De imperia verkruimelen, gelukkig maar, want bleven zij / ongeschonden in hun staat van hoogste bloei, dan had / geen generatie ruimte voor een eigen grootsheid’. Boskma zelf is met zeven gedichten goed vertegenwoordigd en van een achteruitgang in de kwaliteit van zijn gedichten valt niets te merken. Hij is overigens nog jong, al vindt hij van niet: zestig. Maar alles is betrekkelijk: Roland Jooris is tachtig, publiceerde een paar maanden geleden de bundel Bladgoud en staat nu met vijf gedichten in Het Liegend Konijn. Ook zeventigers en bijna-zeventigers zijn goed vertegenwoordigd.

***
Het Liegend Konijn 2016/2. Samenstelling Jozef Deleu (2016). Uitgeverij Polis, 232 blz. € 20,00

 

Dichters uit de bundel. De moderne Nederlandstalige poëzie in 400 gedichten

De bloemlezing Dichters uit de bundel (1880 – nu) ziet er veelbelovend uit: hij is mooi uitgegeven en ligt lekker in de hand. De verwachtingen worden getemperd als je op het achterplat leest dat de regel ‘voor wie ik lief heb [dat moet zijn: ‘liefheb’ – HP] wil ik heten’ niet aan Neeltje Maria Min, maar aan Vasalis wordt toegeschreven. Zulke slordigheden komen meer voor: ‘Sonnet van de burgerdeugd’ in plaats van ‘Sonnet van burgerdeugd’ (Du Perron) bijvoorbeeld. Pijnlijk, zeker voor een bloemlezing, ook als het kleinigheden betreft als leestekens. Aan het eind van regel tien van hetzelfde gedicht staat een dubbele punt. In de gebruikte bron, de verzamelbundel Parlando, staat toch echt een puntkomma. Een pietluttige constatering misschien, maar voor de interpretatie van een gedicht kunnen leestekens heel belangrijk zijn.

De samenstellers, de dichter Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens, journalist en poëzierecensent van Het Parool, schreven een inleiding van bijna dertig pagina’s. In de kern komt het erop neer dat poëzie niet populair is bij het grote publiek en de bundel is op sterven na dood. Dat betekent ‘een eeuwig leven in de ramsj en uiteindelijk een tragische begrafenis in de oudpapierbak.’ [Cursivering van mij – HP]. Die verwijdering tussen de insiders en het grote publiek begon al bij de Tachtigers: denk aan de opvatting van Kloos dat poëzie een gave is ‘van weinigen voor weinigen’. Toch is de poëzie niet dood: ‘Poëzie leeft volop buiten de bundel: online op Facebook en weblogs, op straat, in bloemlezingen en bovenal op podia, zoals De Nacht van de Poëzie, Dichters in de Prinsentuin, of Kunst- en Poëziefestival Watou.’ Inderdaad: poëzie wordt met name beluisterd. Lezen is nog net zo impopulair als voorheen, hoewel half Nederland en Vlaanderen poëzie schrijft en niet alleen met Sinterklaas. Bloemlezingen worden misschien iets beter gelezen dan bundels, maar ook in goedgevulde boekenkasten vind je ze vrijwel niet en als je er toch een tegenkomt, gaat het in negen van de tien gevallen om de dikke Komrij. Het is daarom vreemd dat Breukers en Mertens niet voor CD’s hebben gekozen, net als Ramsey Nasr toen hij Dichter des Vaderlands was. Ze hadden dan ook kunnen kiezen voor podiumversies in plaats van voor lezers herschreven gedichten.

De samenstellers proberen dit probleem te omzeilen door voor ‘klassieke gedichten’ te kiezen ‘die de traditionele begrenzing van de (papieren) bundel negeren en op hun eigen wijze tot het nationale cultuurgoed zijn gaan behoren’.
De nadruk ligt op de poëzie van de laatste vijftig jaar; de poëzie van 1880 tot de jaren zestig lijkt er met de haren bijgesleept te zijn. Het moeten gedichten zijn ‘waarvan iedereen [?] een deel of een losse regel kent’. (‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, ‘alles van waarde is weerloos’) en gedichten die niet één of twee keer, maar aan de lopende band worden ‘gebloemleesd’ – de vervoeging is van de samenstellers – zoals ‘Herinnering aan Holland’ en ‘Het huwelijk’. Een steekproef leert, dat dit voor lang niet alle gedichten geldt: zo staan de titelloze gedichten ‘Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen, … ’ van Lodewijk van Deyssel en “k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw, … ’ van Hélène Swarth, de kwatrijnen ‘Gedronken wijn’ en ‘Vloek’ van Jacob Israël de Haan en ‘Dieuwertje Diekema’ van Kees Stip niet in de gezaghebbende bloemlezingen van Komrij en Deleu, en ook niet in ‘Hier komt de poëzie!’ van Ramsey Nasr. In een oudere bloemlezing als – ik noem maar wat – O wereld, jij zingt, speelt en lacht. De bekendste gedichten van alle tijden (Kwadraat – Utrecht, 1994) vind je ze ook niet terug.

Dichters uit de bundel is onevenwichtig samengesteld, onvriendelijk gezegd: het is een bijeengeharkte hoop bladeren. Toch heeft de bundel enige waarde vanwege de periode van 2000 tot nu. Voor het kleine groepje poëzielezers welteverstaan. De meeste festivalbezoekers zullen de bloemlezing links laten liggen.

***
Dichters uit de bundel. Samenstelling Chrétien Breukers en Dieuwertje Mertens (2016). Uitgeverij Marmer, 656 blz. € 29,95

Poëzie Kort 2016/5

Peter van Galen, Je hebt zelf kans op gladheid. Een keuze uit de facebookberichten.

Alle taaluitingen hebben de potentie poëzie te worden, dus ook Facebookberichten. In zijn nawoord zegt Peter van Galen over zijn bundel: ‘Facebookberichten vormen een nieuw genre an sich. Voor deze bundel maakte ik een selectie uit de berichten die ik in de jaren 2012 – 2015 op mijn Facebookpagina plaatste.’ Uit de bundel blijkt dat Van Galen een goede taalbeheersing heeft. Ik neem daarom aan dat de tautologie opzet is, passend bij de humoristische toon van de hele bundel: ‘Het leven is te kort voor euthanasie’; “Ze had d’r eigen laten opereren tot man. Of was het andersom, ik weet het niet eens meer”; ‘Je hebt zelf een douchekop’; ‘Soms moet er iets gezegd worden om te zien waar de voorkant zit’. De berichten zijn per maand gegroepeerd.

De bundel is echter meer dan een serie humoristische berichten, gezien het aantal vragen dat je erbij kunt stellen. Ze draaien uiteindelijk om de vraag wat poëzie is. De oorspronkelijke context is onbekend. Je moet deze zelf bedenken, zodat de berichten meerdere betekenissen kunnen krijgen. Neem ‘Je hebt zelf een zwarte doos’. Op welk woord ligt de nadruk? Op ‘hebt’? Op ‘zelf’? Op ‘zelf’ en ‘zwarte’? Of op ‘doos’? In welke betekenis? Is ‘doos’ straattaal voor vagina of een beledigend pars pro toto voor ‘vrouw’? Of gaat het gewoon om verpakkingsmateriaal?

Nog een vraag: zijn het allemaal posts of zitten er ook reacties op andere tussen? De berichten waarop in die gevallen wordt gereageerd mag je zelf bedenken.
En kun je de opsomming van berichten bij een bepaalde maand beschouwen als een gedicht? Misschien wel, dat hangt af van je leeswijze. Zo zie ik een direct een verband tussen de volgende humoristische posts die achter elkaar staan: ‘Op postmodernisme alleen kun je niet leven’ en ‘Ik vraag me steeds af of ‘The Golden Girls’ echt minder goed is dan Goethe.’
Misschien vormen al die over de bundel verspreide zinnetjes met ‘zelf’ en ‘jou’ (‘Ik zal jou eens acht minuten laten sudderen’) ook wel een gedicht als je ze achter elkaar zet.

Het kan best zijn dat Facebookberichten een poëtisch genre op zich vormen, maar een lang leven is het niet beschoren, lijkt me: het wordt snel meer van hetzelfde. Maar het experiment van Van Galen is geslaagd.

***

Peter van Galen (2016). Je hebt zelf kans op gladheid. Uitgeverij Stanza, 34 blz. € 12,50

 

Jozef Deleu, Het liegend konijn 2016/1

Het Liegend Konijn heeft een nieuwe uitgever, maar het beleid is onveranderd gebleven: ‘twee keer per jaar ‘uit het nest geroofde’, niet eerder verschenen gedichten publiceren van debuterende en bekende dichters uit heel het taalgebied. Het blad wil dé staalkaart blijven van de hedendaagse poëzie in de Lage Landen.’
Dat is gelukt. Je vindt ook dit keer een grote verscheidenheid aan dichters en poëtica’s. Charlotte van den Broeck laat zien dat het succes van haar debuut Kameleon geen toevalstreffer was. Haar gedicht ‘maandag, geel (pastel)’ begint met regels waarvan je het snikheet krijgt: ‘juni, bleke hitte, uit mijn polsen druipen vingers, schaduw / vind ik enkel in ogen achter een zonnebril op mij gericht’. Ellen Deckwitz maakt een lange zoektocht door de straten van januari: ‘Ik probeer nieuwe voornemens / in te lopen, misschien moet ik aan de religie, die welvaartsziekte, die jaarlijks zoveel – nee, denk aan liefde // aan tekeningen in de grotten ( … )’. Piet Gerbrandy heeft ‘Een sjamaan op de toendra’ afgestaan, ‘fragment uit Steencirkels, een episch gedicht in wording’, waarin hij zich als altijd laat zien als een romanticus pur sang. Het zijn gedichten over betovering en de onvermijdelijke onttovering die daarop volgt. Prachtige regels staan erin: ‘liefde kent geen waarde zonder afscheid / smelten schenkt karakter aan het ijs.’ En: ‘Kernfusie is illusie van verliefdsten’. En: ‘Mijn thuis is waar jij mij ontbreken zult.’ De bundel Steencirkels zal begin 2017 verschijnen.
Delphine Lecompte: ‘De mensen in dit dorp ze hollen bieten uit / En maken hun kinderen wijs dat incest goed is voor de oogst.’ Willem Thies: ‘Heer, ik heb een vriend die voor tachtig procent / uit schulden bestaat. Vergeef hem, zijn vrouw // was een ongelukje, zij was haatdragend, de kinderen nevenschade, / een huis scheurt men niet in tweeën.’
Tina van Baren heeft nog geen bundel gepubliceerd, maar uitgevers lezen Het Liegend Konijn ook.

No time

Terwijl ik me verwonder over het vliegmechanisme
van een insect dat niet veel groter dan een punt
neerstrijkt tussen Gizzy’s regels A day mulches
according to gravity / and the sow bug marches

laat aan de oever van de rivier een man stenen springen
over het water loopt een vrouw zingend het pad af
valt een kind en schreeuwt dat hij bloed heeft
en ik lees And everything better than
the present is gone

en blaas naar het insect en hoop dat het
wegvliegt en niet als een roodgele veeg
eindigt in een dichtgeslagen boek
in no time.

Die bundel komt er wel.

***

Het Liegend Konijn 2016/1. Samenstelling Josef Deleu (2016). Uitgeverij Polis, 226 blz. € 20,00

 

Wim de Vries, Zo vaak heb ik haar gedroomd

Het verzameld werk van Wim de Vries (1923 – 1994) is verschenen: Zo vaak heb ik haar gedroomd. De Vries werd bekend als geëngageerd arbeider-dichter. Hij was pijpenbuiger bij Fokker in Dordrecht tot aan zijn pensioen in 1988. (Ik realiseerde me bij het schrijven van de voorgaande zin dat het woord ‘arbeider’ nauwelijks meer wordt gebruikt sinds de verregaande automatisering en het accent op handel en dienstverlening. We leven nu in een totaal andere wereld).
Zijn eerste gedichten publiceerde De Vries eind jaren zestig in het dagblad Het Vrije Volk en het ‘critisch humanistich’ tijdschrift De Nieuwe Stem. Samen met Pierre van Vollenhoven publiceerde hij in 1972 de bundel M’n woord een wapen tot verweer, gedichten uit de arbeiderswereld. Hij was mede-oprichter van het tijdschrift WAR van de Werkgroep Arbeidersliteratuur Rotterdam.
Zo vaak heb ik haar gedroomd bestaat uit een inleiding van Dick Gebuys, alle poëzie, de verhalen (waarin ook een eenakter blijkt te staan), de briefwisseling tussen De Vries en Van Vollenhoven die ook is opgenomen in M’n woord een wapen tot verweer, drie artikelen over ontmoetingen met De Vries, een verantwoording door Henk Verweerd en een uitgebreide bibliografie.

 Kees Klok zegt in een artikel over een van zijn ontmoetingen met De Vries terecht dat hij in hem een dichter zag die toevallig ook arbeider was. Liefde, dood, het werkende leven en de natuur zijn belangrijke thema’s in zijn werk. Kindergedichten schreef hij ook. In zijn gedichten klinkt vaak weemoed door, in tegenstelling tot die van de felle, vaak verbitterde Van Vollenhoven. Symbolisch – maar hoogstwaarschijnlijk onbedoeld – is dat de foto van De Vries op het voorplat dezelfde is als die op het voorplat van M’n woord een wapen tot verweer. Alleen: Van Vollenhoven is eraf geknipt.

De gedichten van De Vries zijn heel persoonlijk:

 Of niet soms

Toen een predikant eens
aan mijn vader vroeg of
hij ook dankte voor zijn
dagelijks brood, antwoordde
hij – Danken? Waarvoor?
Ik heb er toch altijd
keihard voor gewerkt?
En inderdaad hij heeft er
keihard voor gewerkt.
Alleen de dood kreeg het
eelt van zijn handen.

 (Uit: Bekentenissen uit een vervlogen liefdeleven)

Een minpuntje: in de inhoudsopgave vind je de titels van de bundels niet terug, alleen de afzonderlijke gedichten. In het boek zelf herken je ze aan de aanduidingen boven aan de pagina’s. Een voorbeeld. Op p. 251 staat nog: ‘Bekentenissen uit een vervlogen liefdeleven (1989)’ en op p. 252 ‘Terug naar Kassel / Ballade van de waanzin’. Het blijkt de inleiding van ‘Terug naar Kassel’ (1990) te zijn.
Maar: alles van De Vries staat nu in een band. Eindelijk gerechtigheid.

 ***

 Wim de Vries (2016). Zo vaak heb ik haar gedroomd. Verzameld werk. Uitgeverij Liverse, 482 blz. € 29,95

 

Hilda Smits, Die bome reusagtig soos ons was

Er wordt te weinig Afrikaans gelezen. Bij ons zijn vooral dichters als Breyten Breytenbach, Antji Krog en Ingrid Jonker bekend, maar er zijn natuurlijk veel meer goede dichters. Onder hen mag zich nu ook Hilda Smits scharen. Zij schreef een bijzonder debuut: Die bome reusachtig soos ons was.
Smits werd geboren in de stad Potchefstroom en studeerde psychologie in Londen. Op dit moment volgt zij een postdoctorale studie psychotherapie in de Verenigde Staten.
De bundel wordt op het achterplat als volgt beschreven: ‘In hierdie bundel staan die werklikheid van die expat teenoor die wêreld waarin die digter grootgeword het. Klein besonderhede van haar kinderjare kry reusegestalte in die geheue, maar staan in ander kontekste skerp afgeteken teen ’n besef van nietigheid. Skrynende, eerlike jeugdherinneringe en brose familiebande word sonder skroom ondersoek. ’n Ondertoon van melancholie kenmerk die hele bundel.’
In het laatste gedicht van haar bundel verwoordt ze dat besef van nietigheid op indrukwekkende wijze en ook haar poging zich daartegen te verzetten: door middel van poëzie en verbeelding. Of dat lukt is de vraag: de herhalingen zijn veelzeggend.

as daar niks is nie laat my vingers vrot tot woorde
en in sinne hunself bevind rasper my tong gerus daar
is ’n pols daar is ’n pols bewend onder die hartsnaar
daar is beslis ’n pols en ’n insek wat haarself bevind
are getak tot agt pote gereed soos die son om dae teen
die horison te verslind miskien dramaties maar daar
is ’n insek met ’n hartklop wat die plafon beklim en as
daar niks is nie maar daar is ’n insek wat die platform beklim
ogies wat hulself in die ongetemde vlaktes van ’n kamer
bevind vlerke deurskynend wat vibreer vibreer gereed
dus is daar geen god nie maar wel die hartklop van ’n insek
wat alles plafon mure die bed stelselmatig verslind daar is

Afrikaans moet je zeer geconcentreerd lezen. De taal is ons zowel vertrouwd als vreemd en daardoor word je geconfronteerd met de werking van de taal, wat deze poëzie extra-aantrekkelijk maakt. Hilda Smits heeft dezelfde ervaring met het Nederlands. In een gedicht (een brief aan haar vader) over haar bezoek aan Amsterdam schrijft ze onder andere: ‘ ek / het op die punte van my tone geluister soos toe ek as kind / jullie geheime taal wou ontsyfer’.

Nogmaals: het is een bijzondere bundel, bereikbaar voor iedereen die hem wil lezen: er zijn genoeg internetwinkels.

 ***

Hilda Smits (2016). Die bome reusachtig soos ons was. Protea Boekhuis, 52 blz. R 160,- (ongeveer € 10,-).