Recensie van Honger, dorst & verlossing - Hans F. Marijnissen

Hoop die opflakkert …

Hans F. Marijnissen
Honger, dorst & verlossing
Uitgever: Heimdall
2018
ISBN 9789491883897
€ 9,99
46 blz.

Inleiding                                                                                                                              
De nieuwe dichtbundel van Hans F. Marijnissen (1949), inmiddels zijn 4e bundel, telt 34 gedichten die alfabetisch zijn geordend. De gedichten zijn een selectie uit recent werk van de dichter wiens dichtader overvloedig stroomt getuige zijn voornemen in het najaar 2018 nog een bundel te publiceren terwijl de 6e bundel al klaarligt. De titel Honger, dorst & verlossing suggereert dat er na fysieke uitputting of – in overdrachtelijke zin – na donkere tijden weer hoop gloort aan de einder dan wel verlossing wacht uit lijden. Dat is ook zonder religieuze connotatie een hoopvol vooruitzicht.

Wat opvalt in zijn poëzie is dat veel gedichten in de ik-vorm zijn geschreven. De meeste van die gedichten zijn episch, hier en daar overgoten met een laagje lyriek. Een groot deel ervan richt zich in dialoogvorm tot een bekende, gefantaseerde of onbekende persoon. De dichter dient zich er voor te hoeden dat deze vertelinstantie zijn dichtwerk domineert. Het frequente gebruik ervan dreigt soms een ostentatief karakter aan te nemen wat bij de lezer irritatie kan oproepen.

De typografie van enkele verzen is afwijkend op een manier die doet vrezen dat er sprake is van zetfouten. Dat er in de bundel geen voorwoord of korte inleiding staat, is jammer. Natuurlijk, gedichten kunnen beschouwd worden als autonome entiteiten maar zij zijn in essentie geen dingen of objecten. Achter elk gedicht schuilt een persoon, een auteur die communiceert met de lezer, die hij betrekt in of deelgenoot maakt van zijn denkbeelden, gevoelens, ervaringen en gedachten. De bedding waarin poëzie wortelt en tot wasdom komt, kan een welkome aanvulling zijn op het begrijpen en duiden van dichters werk. Zo herkent de lezer in het woordgebruik van Marijnissen regelmatig katholieke verwijzingen, wat geenszins bevreemdt; Marijnissen is immers geboren en getogen in het met wijwater doordrenkte, Brabantse land.

Vorm
De gedichten in de bundel zijn bijna alle opgebouwd uit rijmloze strofen die qua omvang variëren van tweeregelig tot en met veertienregelig. Kortom, een enorme diversiteit qua strofenbouw. De versregels zijn over het algemeen kort; Marijnissen beperkt zich tot regels met een gemiddelde lengte van 4 à 5 woorden. Enerzijds brengt dat de nodige vaart in het lezen; anderzijds dijen de gedichten daardoor in lengte uit. Metrum ontbreekt; het lijkt in veel hedendaagse poëzie te zijn verbannen. Stijlfiguren die de dichter met regelmaat hanteert, zijn de (a)syndetische enumeratie en ellips, zoals respectievelijk in strofe 3 van ‘Boodschappen in de universiteit’ (p11): ‘agenda’s en roosters, / colleges en practicums, / koffiebekers, suikerzakjes, / poedermelk en wachtrijen.’ en in strofe 2 van het gedicht ‘Brandstichting’ (p.12): ‘Een brandstichting, dit ontwaken. / Bomen ongevraagd / omgezaagd langs de berm.’

Het taalgebruik wisselt en is afhankelijk van onderliggende drijfveren zoals verworven kennis, observaties, ontmoetingen of mijmeringen. De taal kan alledaags zijn; omgangstaal die bijvoorbeeld het eerste gedicht van de bundel ‘Afspraken´ (p. 9) en het gedicht ‘Buiten’ (p. 15) karakteriseert. Zijn taal kan daarnaast lyrisch zijn of daartoe neigen, wat onder meer voelbaar is in ‘Een niet normaal landschap’ (p. 20, 3e strofe):

Golvende heuvels kantelen,
glooien en stromen opwaarts
—————, naderen
af en aan , nemen op, stoten af,
verre dorpen en kerken, cipressen,
korenvelden en figuren.

Als Marijnissen in zijn taalgebruik kiest voor een meer lyrische toonzetting, ontstaan er creatieve vormen van beeldspraak, zoals de als-vergelijking in ‘De opvolger’ (p. 18): ‘Hij maakt van een woord taal / als van een vonk vuur’, of zoals in ‘Café aan de rivier’ (p. 16): ‘Luchtende dekens / hangen uit vensters als tongen.’ of de asyndetische vergelijking in ‘Kringloop’ (p. 31): ‘De kassa van de kringloop / mijn altaar, en ik dronk / haar wijn, brak haar brood’. En dan zijn er nog de in het oog springende pleonasmen waarvan slijkzwart, aardebruin en nachtzwart in ‘Kleuren in disharmonie’ (p. 22) sprekende voorbeelden zijn.

Inhoud
In de bundel overheerst het thema relaties dat zich in allerlei gedaantes openbaart. Marijnissen manifesteert zich in deze bundel dan ook primair als relationeel dichter. Hij beschrijft vanuit de ik-perceptie verhoudingen met anderen en houdingen ten opzichte van anderen. Die kunnen zakelijk, dromerig, liefdevol of verlangend zijn, steeds geschreven vanuit een vertellende of belevende vertelinstantie. In ieder geval is zijn relatiepalet niet saai. In ‘Afspraken’ (p. 9) toont de ik-figuur zich zakelijk: ‘We doen het zo: / jij brengt wijn / en hapjes mee. / Ik breng (…)’. In ‘Buiten’ (p. 15) is er sprake van kwetsbare afhankelijkheid: ‘Help me. / Help me elke avond / als ik thuiskom.’ In ‘Wetsteen’ (p. 19) is er de eenzaamheid om het heengaan van een geliefde: ‘Het wisselen van de seizoenen / raakt mij niet meer. / Het is winter in mijn hart / en er is geen later / sinds zij mij verliet.’ En in ‘Kringloop’ (p. 31) is er sprake van het in fantasie dwepen met een toevallige passante aan de kassa, wat even doet denken aan Rika van Piet Paaltjens (1): ‘Wat was het in die glimlach / dat mij het verstand ontnam?’

Een bijzonder, weliswaar bescheiden, thema in de bundel is het drieluik (p. 20 – 24 ) dat over de schilder Vincent van Gogh gaat. Hierin manifesteert zich in epische fragmenten en in fraaie, bewonderende of ontroerende bewoordingen het fenomenaal kunstenaarschap van de schilder, zijn lijden aan de wereld en zijn emotionele en financiële afhankelijkheid van broer Theo. Het voortdurend herhalen van de regel ‘ik ben niet normaal’ in ‘Een niet normaal landschap’ (p. 20-21) is als een tijdbom onder het leven van de aan zware depressies lijdende Van Gogh. Uit het tweede gedicht ‘Kleuren in disharmonie’ (p. 22-23) blijkt uit de vele biografische details dat Marijnissen zich goed heeft ingelezen in leven en werk van de schilder, ofschoon het benoemen van Van Goghs talrijke verblijfplaatsen wat gekunsteld aandoet. Het derde gedicht van het drieluik ‘Kraaien komen me halen’ (p. 24) kan opgevat worden als een prelude op de onvermijdelijke dood. Kraaien zijn hierin de boodschappers van onheil, ‘die neerstrijken (…) voor de deuropening van mijn ogen.’

Resumé                                  
Hans F. Marijnissen is erin geslaagd met zijn nieuwe bundel Honger, dorst & verlossing leesbare en toegankelijke poëzie te schrijven. Zijn gedichten, strofen en versregels ontstijgen in de meeste gevallen het niveau van de ontelbare, plain vanilla – gedichtjes die in het Hollandse dichtlandschap zo welig tieren. De bundel verdient het, indien leraren Nederlands in het voortgezet onderwijs verzen van hem opnemen in hun poëzielessen. Welkome aanvulling daarbij is dat zijn werk zich uitstekend leent voor mondelinge voordracht. Is er dan nog iets waarmee de dichter verder kan? Ja, wellicht dat hij scherper let op de eerder genoemde aandachtspunten.

(1) het gedicht Aan Rika van Piet Paaltjens (1835 – 1894) beschrijft één van de kortste/vluchtigste ontmoetingen uit de Nederlandstalige literatuur.

***

Hans F. Marijnissen (1949) is dichter en schrijver. Hij heeft inmiddels in relatief korte tijd diverse dichtbundels en romans gepubliceerd, waaronder de bundel Tot waar het Wringt (2014) en Koorddansen op Klompen (2013), een boek dat het eerste deel is van een driedelige romancyclus. Marijnissen is als Brabander actief in dichtgezelschappen in en rond De Meijerij en Kempenland. Daarnaast is hij redacteur van Poethëment, een periodiek van de PoëzieClub Eindhoven.

Recensie van Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen - Xavier Roelens

Volkspoëzie of kunstpoëzie?

Xavier Roelens
Onze kinderjaren, kindergedichten voor volwassenen
Uitgever: Atlas Contact
2018
ISBN 9789025452285
€ 21,99
120 blz.

Inleiding
Xavier Roelens (1976) toont zich in zijn nieuwste, inmiddels 3e gedichtenbundel allereerst een intercommunicatief dichter. Hij streeft naar een interactieve samenwerking met zijn lezers. Zijn lezers zijn onbekende volwassenen, wie hij vraagt hun prilste jeugdherinneringen met hem te delen. Roelens smeedt vervolgens in zijn smidse het ruwe materiaal tot eigentijdse tekstvormen. Daarbij geeft hij zijn leveranciers de mogelijkheid tot terugkoppeling die hij dan weer verwerkt.

Roelens is ook een menselijk dichter. Hij brengt zijn medewerkers – voor de totstandkoming  van zijn nieuwe bundel zijn dat er 365 – hulde: hij vermeldt hun voornaam op de titelpagina. Dit collectief is de auteur van de bundel; de dichter zelf wordt  slechts onderaan op de achterkant van de bundel genoemd. Roelens noemt zijn werk dan ook open-sourceliteratuur. Niet het ego maar het collectief staat centraal; zelf ziet hij zich als een literaire gids die mensen op weg helpt naar poëzie.

Daarnaast is Roelens creatief, want hoe realiseer je een dergelijk ideaal? Het interviewen van 365 mensen kost veel tijd. En ook dichters moeten eten.  Als je er dan in slaagt het Vlaams Fonds voor de Letteren te enthousiasmeren voor jouw project: de schepping van – zoals Roelens dat noemt – democratische poëzie, getuigt dat van vindingrijkheid. Als het Fonds vervolgens een werksubsidie beschikbaar stelt, ontbreekt het Roelens eveneens niet aan innemende overtuigingskracht.

De opbouw van de bundel
In de bundel staan volgens de informatie op de achterzijde 77 gedichten. Deze gedichten zijn geconstrueerd uit het materiaal dat 365 mensen door middel van interviews de dichter hebben aangereikt. Voor de gedichten is dus gemiddeld uit bijna vijf levende bronnen geput. Onvervalste groepspoëzie dus! Al bladerend en lezend blijkt echter dat de aanduiding gedichtenbundel de lading niet dekt. De bundel bestaat namelijk uit relatief weinig gedichten weergegeven in cursief of romein, uit enkele getoonzette liedjes en veel prozastukjes. Er is eerder sprake van een tekstbundel dan gedichtenbundel.

Verder valt op dat de teksten geen titel dragen. Ze hebben wel als verwijzing een jaartal of een twee- of meerjarige periode. De eerste tekst in de bundel refereert aan de tijdsspanne 2004 / 2002, dan worden enkele jaren overgeslagen en vervolgens begint de telling terug te lopen van 1999 naar 1911. Ongetwijfeld verwijzen de jaartallen naar de eerste herinneringen van  Roelens’ doelgroep. Er is in ieder geval sprake van een chronologische spreiding van herinneringsmomenten uit de vorige eeuw en er zijn – gezien de opsomming van voornamen op de voor- en achterkant van de bundel – zowel mannen als vrouwen geïnterviewd. Opvallend daarbij is dat er geen islamitische namen tussen zitten, hetgeen je wel van een grensverleggende dichter als Roelens zou verwachten.

Het ontbreken van titels heeft als gevolg dat er geen inhoudsopgave in de bundel is. Het maakt het lezen er niet gemakkelijker op. Titels heten de kortste en kernachtigste aanduidingen te zijn van een tekstinhoud. Blijkbaar wil Roelens de lezer geen richting opsturen. Wat wel een welkome aanvulling op de teksten is, zijn de jaartallen die erboven staan. Zij geven een kleine eeuw geschiedenis weer van de prilste herinneringen van mensen. Interessant daarbij zijn de verwachtingen die bij de lezer worden opgeroepen. Zijn deze herinneringen universeel? Of zijn ze meer tijd- of milieugebonden? Zijn ze oppervlakkig en materieel van aard? Herkent de lezer zichzelf in de herinneringen? Kortom, het maakt hem nieuwsgierig naar de inhoud.

De vorm van de teksten als literaire expressie
De gedichten in de bundel vallen qua vormgeving in de categorie (post)modernisme. Ze zijn in hun verschijningsvorm rebellerend tegen de traditionele vormgeving. Rationele analyse alleen schiet te kort. De mens is in de visie van de modernisten namelijk meer dan louter ratio. Hij is ook irrationeel en juist daardoor ontstaat ruis in de interactie omdat deze verstoord wordt door het medium taal dat bij uitstek zijn betekenis ontleent aan redekundige synthese en zorgvuldige interpunctie. Van dergelijke leibanden zijn hedendaagse dichters avers. Een voorbeeld daarvan is te vinden op p. 47, jaartal 1974.

een kaartendek als
soundtrack bij ons
vliegen spreiden we als
zilvermeeuwen onze
ontgoochelingen uit
een tuinstoel komt op
adem bij
het raam nu jij opkijkt naar een
vensterbank vol
beukennoten paarse kanten
zakjes en iets simpels als
de zonnige groeten van je
ouders altijd maak je
plaats voor
kaarten altijd streel je
je gezwollen buik
de oudste eerste tastbaarste komt thuis en ruikt …

En zo dendert het gedicht door: een aaneenrijging van betekenisdragende substantieven en woordgroepen die uit hun herkenbare, natuurlijke context zijn gelicht en vervolgens in vervreemdende combinaties worden samengevoegd. Tel daarbij op de a-syntactische en interpunctieloze zinsbouw en we krijgen een tekst als flard van een perceptie die zelfs de metafysica dreigt te ontstijgen. Zijn er dan in Roelens’ tekstcreatie geen andere aanknopingspunten te vinden in eerdere literaire perioden of genres? Ja, die zijn er.

Middeleeuwse stijlfiguren
In middeleeuwse kunstuitingen staat het ego niet voorop. In tegendeel, veelal ontbreekt een naam; kunst is niet zelden anoniem. In middeleeuwse (volks)poëzie, parabels of fabels wordt niet alleen een appèl gedaan op logica maar ook op andere vormen van kennis zoals geloof, fantasie, visioen en zintuiglijke waarneming. Middeleeuwse zinsconstructies wijken daardoor af van die uit recentere perioden, ook al omdat veel van deze kunstuitingen bedoeld zijn om te horen en te beluisteren.

Een aantal van die zinsconstructies behoort als stijlfiguur tot de klassieke retorica. Hieronder vallen onder meer de anakoloet, een stijlfiguur die zich kenmerkt door zinnen waarin de logische samenhang ontbreekt. Bekend is eveneens de apokoinou, een stijlfiguur waarin een zinsdeel dienst doet als onderdeel van twee zinnen of zinsdelen. Ook van anaforen, stijlfiguren die zich kenmerken door herhaling van steeds dezelfde woorden of woordgroepen, is de dichter niet afkerig. In de teksten van Roelens’ bundel zijn deze middeleeuwse stijlfiguren regelmatig – waarschijnlijk onbewust – door hem opgenomen. Van genoemde stijlfiguren geven we een voorbeeld. Het cursief in de voorbeelden is van de recensent.

Anakoloet p. 21, jaartal 1987

een
busje steken ze in
brand vanuit je 
drang te bestaan

Apokoinou, p. 19, jaartal 1987

IN JE VIZIER RUKKEN
de betogers aan als in
een film ben je
geschiedenis nog voor je schiet

Anafoor, p. 41, jaartal 1977

de schrik dat … r.7
de schrik dat er … r.9
de schrik dat ik in … r.12
de schrik te verhuizen van een … r.14

en zo voort.

De inhoud van de bundel
De bundel is de weerslag van de vroegste herinneringen van 365 mensen. Hoewel de teksten als gevolg van Roelens’ (post)modernistische visie op literatuur meestal raadselachtig, chaotisch en niet altijd toegankelijk zijn, zal de lezer – zij het met de nodige volharding – er veel herkenbaars aantreffen. In 1986 (p. 22) doen kinderen op speelplaatsen nog volop aan zakdoekje leggen. En ook in 1984 (p. 26) hebben kinderen nachtmerries en in 1977 (p. 39) zijn er nog steeds peuters die achter de spijlen van hun ledikantje moeten huilen.

Natuurlijk zijn er in de bundel grappige herinneringen, zoals in 1977 (p. 39) waarin een herinnering teruggaat naar het moment waarop een klein kind in plaats van op een krukje op een emmer met water gaat zitten. Katholieke lezers zullen glimlachen als zij lezen hoe in 1946 (p. 92) een kind de kap van een non aftrekt. Zo wordt in terugwaartse chronologie een levendig tableau geschetst: beelden die voor de lezer vertrouwde, hekenbare, nostalgische of juist verdrongen beelden uit een ver of nabij verleden oproepen.
Wat de liedjes in de bundel betreft: dat is wel aardig maar de meeste mensen kunnen geen noten lezen, laat staan een muziekinstrument bespelen. Ze leveren geen toegevoegde waarde aan de bundel.

Resumé
Wil Roelens een groter publiek bereiken, dan zal hij moeten zorgen voor een functionele interpunctie in zijn teksten. Zal hij af moeten van die onstuimige, voor de gemiddelde lezer onnavolgbare woordenstroom, zoals het prozastukje hieronder dat terug is te vinden op p. 90 en betrekking heeft op een herinnering uit 1948.

MET EEN FIETS DUS eigenlijk een roodgeverfde fiets gekocht met
feitelijk het eerste kindergeld begint het dus bij adhemar dus
niet met dieren eigenlijk niet met vogels die in de winter eigen-
lijk in de sneeuw dus feitelijk voeder zochten en enzovoort dat
ik zelf ook een beetje van dat voeder strooide samen met dus
adhemar eigenlijk in de bossen dus in de bossen waar we eigen-
lijk feitelijk woonden enzovoort maar niet voor adhemar pas in
het eerste leerjaar eigenlijk het begint voor adhemar niet voor
zijn communie …

Pas dan kunnen zijn literaire creaties van en voor het volk zijn. Dan ontstaat democratische poëzie of volkspoëzie, zoals Roelens die voorstaat. Soms lichten in zijn bundel dergelijke passages op. Op die momenten toont Roelens zich de dichter, wiens talenten hij in deze bundel jammer genoeg te weinig etaleert. Zie, p. 110, jaartal 1923; de cesuur // is aangebracht door de recensent.

NILS KRAAKT DE BERIJPTE
plaatsen op wat tot voor kort
bietenvelden waren // kraakt onder
zijn klompen het stilleven van
kou …

Nu is zijn poëzie te veel kunstpoëzie: grotendeels hermetisch afgesloten teksten waarvan juist het volk verstoken blijft. En dat is nu juist wat Roelens niet propageert!

***
Xavier Roelens (1976) is een Vlaamse dichter, performer en verzorgt poëzieworkshops. In 2007 verschijnt zijn eerste bundel Er is een spookrijder gesignaleerd. Daarna volgt in 2012 zijn 2e bundel Stormen, olielekken, motetten. Daarnaast is hij actief (geweest) als redacteur in de literaire tijdschriften Kluger Hans en En er is.

Recensie van Kinderroof & Bijzang - Brigitte Spiegeler

Dialogen en andere hybride zangen

Brigitte Spiegeler
Kinderroof & Bijzang
Uitgever: In de Knipscheer
2018
ISBN 9789062659944
€ 17,50
93 blz.

Structuur
De nieuwe gedichtenbundel van Brigitte Spiegeler (1971) telt 69 gedichten. De bundel omvat vijf afdelingen; bedrijven die voorzien zijn van titels ontleend aan het klassieke theater – en toneeljargon. Zo verwijst het eerste bedrijf ‘Kommos’  naar de klassieke drama’s waarin acteur en koor elkaar in beurtzang afwisselen. Het tweede bedrijf heet ‘Reidans’ en refereert aan de klassieke tragedies waarin koorzang met of zonder dans een akte afsluit en een nieuwe aankondigt. ‘Changement’ is de titel van het derde bedrijf en betekent decorwisseling. Dan volgt het vierde bedrijf, de ‘Contr(e)apasso’, die voor hellestraf staat, een  stijlfiguur  die  in Dantes La Divina Comedia  furore maakt. De bundel wordt afgesloten met een vijfde bedrijf ‘Hamartia’. Deze aanduiding verwijst naar een fatale beoordelingsfout van de protagonist in tragedies, waardoor hij – zoals ooit Lucifer – ten val komt. 

Het lijkt erop alsof de dichteres met deze verwachtingsvolle aanduidingen preludeert op dialogen met imaginaire lezers. De ene keer is het als wil zij hen wakker schudden uit indolentie; de andere keer wil attenderen op bijzondere voorvallen of ervaringen en dan weer wil informeren over de absurditeit van het leven.  Het is aan de lezer om te ervaren of en in welke mate er een verband bestaat tussen de titels van de vijf bedrijven en de daarin gegroepeerde gedichten.

Vorm
De poëzie van  Spiegeler is qua vorm wars van traditie;  rijmschema’s zijn verwaarloosbaar, alliteratie en assonantie komen nauwelijks voor, er is geen metrum,  bijna geen interpunctie en de strofen zijn onregelmatig van bouw en regellengte. Moderne poëzie dus die eveneens afrekent met de traditionele  veelal aan natuur en liefde ontleende beeldspraak en conventies.

Haar poëzie kent daarentegen wel andere opvallende stijlfiguren zoals  enjambementen en apposities die al in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Kinderroof & Bijzang’, p. 13  worden toegepast. De cursivering, ook in volgende fragmenten, is van mij.

Ik liep de liefde in
viel in een slangenkuil
Kinderroof puur sang
een volle krabbenmand

Een ander, regelmatig gebruikt stijlmiddel is de hypallage, zoals die op p. 15 in r. 6 en 7 van het gedicht ‘Bevlogen oor’ voorkomt.

Dat ziet alleen een rennend oog
Een bevlogen oor bekoort daarentegen het ware gezicht                 

De ellips is evenzeer een beproefd stijlmiddel; een mooi voorbeeld daarvan treffen we aan op p. 20 in de derde strofe van het gedicht  ‘Een poedel op tafel in Gent’.

In een glazenkast
met wattenstaafjes restaurerend
vol hart en ziel
Een poedel op tafel in Gent
zo kun je niet worden weggezet                            

Spiegelers taalgebruik verbindt ongebruikelijke woordcombinaties, onlogische enumeraties, bizarre en absurdistische woordassociaties die bij de lezer enerzijds verwarring en vervreemding oproepen en anderzijds een schok of reflectie teweeg brengen. De lezer moet bijgevolg voortdurend op zijn qui-vive blijven om niet hopeloos in de dichterlijke infrastructuur met weinig verkeersborden, met doodlopende stegen en in een wirwar van zijpaden en omwegen te verdwalen.

Niet verbazingwekkend is het dan ook dat haar gedichten niet zelden geschraagd worden door een geheel eigen toonzetting. Een toonval die zich kenmerkt door verrassende en onvoorspelbare combinaties van zins- en woordwendingen, die een pandemonium veroorzaken als gevolg van de vele  perspectiefwisselingen en die zich onderscheidt door een vocabulaire dat zo als flarden van de straat, als oneliners op reclameborden, van muurteksten en uit krantenkoppen geplukt zou kunnen zijn.  Zo ontstaat poëzie als een literaire collage van quotes, allusies, designaties en aan eigen inzicht en  werkkring ontleende tekstelementen.

Apollinische of dionysische perceptie?
Nu de titels van de vijf bedrijven in haar nieuwe bundel zo ostentatief verwijzen naar literaire termen uit de klassieke oudheid rijst de vraag of de poëzie van Spiegeler tendeert naar de apollinische of juist naar de dionysische conceptie van het wereldbeeld. Het eerste begrip vertegenwoordigt de wereld van de ratio, van de orde, harmonie en regelmaat. Het tweede begrip staat voor een irrationeel wereldbeeld waarin andere bronnen van weten en kennen worden gemobiliseerd zoals de zintuiglijke waarneming, de roes, de associatie en disharmonie, de ambiguïteit en het onderbewustzijn.  Al lezende kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het dionysische aspect in het werk van Spiegeler domineert. Zo zegt de ik-figuur in het gedicht ‘Kanariefokkers’ op p. 82 in de tweede  strofe:

Liever heb ik een leidende gedachte
dat zorgt voor schouwspel
en veel gefladder,
flaneren met figuratie
De essentie is daar
Over nieuwe vormen van kunst
maken mensen zich altijd kwaad. 

En al eerder schrijft Spiegeler in het gedicht ‘Utopische wens met beunhazerij’ in de laatste strofe op p. 76:

Het speelveld is een kader,
een doek of een kast
Voor een keurslijf geldt dat eveneens
niet buiten de stippellijntjes komen
het talent om langs gevaarlijke klippen te loodsen.

Allusies
Het is alsof de dichter in haar poëzie een kunstexpressie vindt om te ontsnappen aan het dagelijkse juridische keurslijf waarin haar woorden gevangen zitten, namelijk in wet, canon of verdrag. Het is het leven zelf dat de dichter daaruit bevrijdt en dat haar in een ongebonden poëzie doet opstaan met retorische vragen als ‘Welke brandhaard is er nu weer aangestoken?’, p. 74, r. 9. Het leven waarin de dichter volkspredikers in de huidige maatschappij met verfoeide slogans als vol is vol ridiculiseert en  in een achteloos parlando poëzie riposteert met: ‘is echt de grootste onzin ooit gehoord’, p. 24, r. 2.  En een leven waarin de dichter soms vermaant zoals in het gedicht ‘Smetteloosheid’, pagina 72, r. 5-7 ‘Zodra de taal / geld begon te verdienen / verslofte de moraal.’ //  

Daarnaast schuwen de gedichten, wat inhoud betreft, de grote maatschappelijke problemen niet waarmee op grote en kleine schaal geworsteld wordt, zoals ‘Tweedracht zaaien / onder moslimknuffelaars / en zionistenvriendjes’ //, eerste strofe, p 38; zoals ‘Paranoïde Russen’, r. 12, p. 31; en zoals ‘’Liggend aan een infuus van drank, / pillen, peuken en lijm / De uitwassen van je eigen kapitalisme / r. 11 – 13, p.33.     

Soms geeft Spiegeler aan wat in het leven evident is. In het gedicht ‘Straffeloos’ op p. 37 geeft de laatste strofe van die evidentie een mooi voorbeeld.

Altruïsme is belangrijk
Dit geldt eveneens
voor empathie,  idealisme
en het godsinstinct.

Resumé
De poëzie van Brigitte Spiegeler is complex en niet altijd even toegankelijk en begrijpelijk. De inhoud van de gedichten moet door de lezer bevochten worden. Er ontstaat als het ware een woordkamp tussen dichter en lezer die ten langen leste bezworen wordt en vervloeit in de harmonie dan wel disharmonie van de oude beurt- en koorzangen zoals die ooit in de drama’s van weleer gesproken en gezongen werden.

Haar poëzie is als een moderne symfonie waaraan onze oren niet gewend zijn. Spektakelstukken die keer op keer beluisterd moeten worden om enigszins begrepen te worden en die soms  – geheel onverwachts, zoals een oester zijn parel – de luisteraar hun schoonheid tonen.   

*** 
Brigitte Spiegeler (1971) debuteert als dichter in 2015 met de bundel Krijgskunst. De besproken gedichtenbundel Kinderroof & Bijzang (2018) is haar tweede gedichtenbundel. Zij is daarnaast actief als beeldend kunstenaar en fotograaf; kunstexpressies waarmee zij sinds 2013 naar buiten treedt.