Recensie van Ik heb geslacht - Josse Kok

Voortvluchtig ademen

Josse Kok
Ik heb geslacht
Uitgever: Liverse
2013
ISBN 9789491034138
€ 12,95
44 blz.

Dit is de volledige tekst van het achterplat:

Josse Kok (Zeist, 1983) begon rond 2001 met het schrijven van gedichten. Sinds 2010 treedt hij op met ingetogen bombast en plichtmatige euforie. In het Poetry Slam-circuit sprak men van de literaire bohemian, de tedere viking en het Beest van Dordrecht.
Na drie hardvochtige jaren inktfurie is hier dan zijn debuut ‘Ik heb geslacht’.

Zijn verzen, zijn telgen, nemen de lezer mee naar een hoofd waarin naïviteit langzaam de nek wordt omgedraaid met zinnen die blijven schakelen tussen het spelende kind en de verloederende volwassene. Het is een indrukwekkende dropping in een naaldbos van ruwe ergernis en ontwapenend leedvermaak. Er wordt zelfs een sporadische bloem geplukt.

Werk van hem verscheen zowel digitaal als vleselijk in bladen en e-zines als De Contrabas, Optimist, Meander en Absint.

Ook al is het – dat hoop ik tenminste – een grappig bedoeld stukje, gechargeerd, vol ironische overdrijving, toch gaat hier een bundel welbewust op zoek naar een bepaald type lezer. Een lezer die zich thuis voelt bij de opgewonden drukte van poetry slampoëzie en bovenmatig gecharmeerd is van alles wat wild, woest en ongeremd is in gedichtenwereld.
Zo’n lezer ben ik niet. Normaal gesproken had ik het bundeltje daarom stilletjes teruggelegd op de tafel van mijn – inmiddels helaas virtuele – boekhandel en zou ik het een moment later vergeten zijn. Maar van recensie-exemplaren gaat een dwang uit waaraan je je niet gemakkelijk kunt onttrekken: er móet gelezen worden. Achteraf zeg ik: gelukkig maar.

De eerste verrassing die Ik heb geslacht biedt is de inhoudsopgave. Alle dertig gedichten hebben één woord als titel, telkens de aanduiding van een bepaalde persoon: Schepper, Messias, Telg, Pupil, Slaaf, Blinde, luiden de eerste titels; en aan het eind: Doemdenker, Regisseur, Schim, Engel, Hogepriester.
Weinig vikingachtig, wel meteen intrigerend, omdat het titels zijn die verwachtingen wekken. Een serie filosofische en psychologische portretten? Een cerebraal rollenspel? Schepper en Messias openen, Engel en Hogepriester sluiten af en in het hart van de bundel staan Acteur en Dualist.
De bundel lijkt zo te zijn opgebouwd, dat alleen de titels al een bepaalde inhoudslijn suggereren. Nu wíl ik lezen.

Schepper

In flarden dwarrelt het. Vergaar.
Verricht het. Hak uit steen en vorm
in klei contouren. Geef het reden.

Schep gestalte, huis een adem. Zet
de zomen uit in lijnen, pointilleer ze.
Steek een naald van homp tot homp,
bevestig ledemaat en kop. Schilder
de ogen in en zaai de haren uit.
Besluit tot kleur.

Hol elke ronding ongelijk, verklaar
het af en hijs het recht. Bespeur
een noodzaak, blaas het leven in.
Verwarm, bezing en tast.

Maak klemmen los en leer het lopen.
Spoor het aan, waak voor een wil.

Betreur de nacht, waarin het zich
verwerpt en uit gedachte vlucht.

En dit is meteen de tweede en blijvende verrassing. Dit is een gedicht dat dwingt tot herlezing, dat van de lezer aandacht en betrokkenheid vraagt, hem voor een interpretatie tot keuzes dwingt – dat, kortom, papieren noodzaak heeft en een roezemoezig podium niet zou mogen worden aangedaan.
Het beeld is duidelijk: hier wordt een soort golem gemaakt als ooit volgens de Talmoed de eerste mens werd gekneed in een vormeloze homp en proces en resultaat kunnen beschouwd worden als metafoor voor de dichtkunst. De dichter als leven gevende schepper dus, die gelet op alle imperatieven, de daartoe benodigde handelingen echter in doelgerichte ‘opdracht’ doet – de vraag is van wie, welke ‘macht’ hem dwingt – maar zich tegelijktertijd door een soort toeval moet laten leiden: ‘In flarden dwarrelt het.’ Prikkelend is de laatste strofe: ‘Betreur de nacht, waarin het zich/ verwerpt en uit gedachte vlucht.’ Ik moest daarbij even denken aan Achterbergs bekende adagium ‘Wat niet goed is, is niet geschreven’ en zeker ook aan het vervolg: ‘Ik hoop te mogen hopen op het vers.’ Het gedicht gaat zijn eigen gang, gaat wegen die de dichter niet kent.

Het tweede gedicht, ‘Messias’, beschrijft dan in een Maria-achtige context – een afgewerkt motel geeft niet thuis, een schuur is er niet – een geboorte, en wel van de ‘telg’ uit het derde gedicht, wiens gang van zaad- en eicel tot voldragen foetus beschreven wordt. Op dit punt ben je er als lezer vrij zeker van, dat de bundel een duidelijke epische lijn heeft, maar die blijkt toch niet te worden volgehouden. Wel is duidelijk dat er een mens tot leven komt die de moeite waard is.

De gedichten die volgen zijn van wisselende kwaliteit, maar hebben gemeen dat ze hoe dan ook een bepaalde intensiteit hebben. Soms blijft die steken in een te gemakkelijk effectbejag, zoals in ‘Nachtbraker’, dat begint met ‘Toch weer de kroeg, dat donker hol./ Die drang naar kolkend vrouwenbloed.’ en eindigt met ‘De ochtend treitert, spot met licht./ Wanneer de zon haar schedel splijt,/ ontwaakt in jou de nacht.’
‘Globetrotter’ is een voorbeeld van een onevenwichtig gedicht zoals er meer in de bundel staan. Het bevat regels als ‘Nooit stopt mijn trein. Nooit springen/ stoplichten op kleuren die ik ken./’ en dat laatste is, hoewel het wel lekker klinkt, gewoon onzin. Het contemplatieve slot maakt dan weer veel goed:

Ik tref geen doel waarop ik jaag.
Ik reis naar niets dan een bevestiging.

Dat het niet draait om aankomst
of vertrek, maar om de ik

die mij bedekt. Een noodgedwongen
aangemeten vluchtigheid.

Die ‘vluchtigheid’ is een belangrijk motief in de bundel. Wat is de mens? ‘U draagt een loodzwaar weefselpak./ Een hoofd vol geesten op een rek / van botten’ heet het in ‘Gids’. ‘Excuseer het leeghoofd, dat model staat/ voor dit lichaam.’, staat er in ‘Acteur’. ‘Ik adem uit/ onwetendheid, logeer wat in dit vel.’, stelt ‘Streber’, dat zich net als ‘Orator’ laat lezen als een illusieloos zelfportret van de dichter die zich plaatst in het aloude spanningsveld van het gelijktijdig ervaren van een vast geloof in zin en betekenis van leven en werk en het moedeloze besef van de zinloosheid ervan.

Orator

Je ademt wat. Je kunt niet anders.
Uitgebreid ben je op zoek gegaan
naar oorsprong en naar reden.

Jouw verwekkers treft geen blaam.
Zij deden ook maar iets gewaagds.
Chapeau, nu zit je na een jaar
of dertig met jezelf aan tafel.

Met een duim waaruit het woorden
druipt. Een hoofd waarin verhaal
ophoopt. Een hart dat ‘s nachts
op knappen staat. Een stem, die
in zichzelf gelooft.

Gebakken lucht. Je poogt iets
puurs in ritme aan te dragen
maar je rot als ieder ander.
Je omhelst jezelf. Je praat.

‘Acteur’ bevat een strofe die alles bevat wat de poëzie van Josse Kok kenmerkt.

Ik haal voortvluchtig adem, soms naïef
de schouders op en plaats mijn toonbeeld
op een voetstuk. Doe maar net alsof

ik echt ben […]

De enjambementen, tot over de strofe-afbreking heen, zijn sterk, maar toch ook wel heel nadrukkelijk. Voortvluchtig ademen lijkt een vondst, maar wordt bij herlezing steeds sterker slechts een woordspeling.
Voor het toonbeeld op een voetstuk geldt hetzelfde. Het is een voorbeeld van wat ik epaterend schrijven zou willen noemen: bij eerste lezing ben je onder de indruk, maar als je kritischer leest, tref je een bepaalde leegte aan, ook in de taal. Hoe ‘naïef’ de dichter ook meent te mogen zijn, zo’n samentrekking die ademhalen en je schouders ophalen gelijkschakelt, is onvergeeflijk, zelfs als ‘Alles […] bedrieglijk [is]’ of het een kwestie van ‘nasynchronisatie’ zou zijn, termen die elders in het gedicht vallen.

Bij ‘Regisseur’ (eerste regel: ‘Laten wij uit sterven gaan.’) moest ik niet alleen sterk denken aan Hans Groenewegens bundel en gingen uit sterven (uit 2005 alweer), maar vooral ook aan ‘De dood’ van Vasalis (uit Parken en woestijnen). In beide gedichten worden middelen en mogelijkheden aangereikt om het zover te laten komen. Bij Vasalis spijker en touw, dranken, pillen, pistolen, gaskraan, steile daken, bad en scheermes, bij Kok keukenmessen en glasscherven, een ligbad met benzine, een touw en rattengif. Bij Vasalis moet ‘een klein portretje’ de daad voorkomen, Kok zegt: ‘Een goede reis doet wonderen.’ en daaruit blijkt meteen dat deze poëzie toch vanuit een vitale basis geschreven is. En, dat is ook duidelijk, in een traditie staat.

Waarop is nu die tekst op het achterplat gebaseerd? Het zal o.a. op een gedicht als ‘Doemdenker’ zijn, typisch een lekker bekkend podiumgedicht. Dit is de zevende, voorlaatste strofe ervan:

Dit is zijn lichaam.
Aderschilderij. Hij is een toren
van gelei, een wankel beeld uit DNA.
Mocht zich iets nestelen, dan spat
zijn klamme borstkas uit elkaar
en kerft het woorden in zijn buik
om aan littekens te wennen.
Laat hem sudderen in tijdig weefsel.
Geef zijn reden strekking.

In de laatste regel van het laatste gedicht vallen de woorden die de bundeltitel werden. Een hogepriester heeft het te offeren dier naar het altaar gebracht en het geslacht. De omstanders applaudisseren, maar hij heeft bloed aan zijn handen. Een duidelijke metafoor voor dichter, dichterschap en receptie.

We hoeven Josse Kok niet toe te juichen, maar een meer dan beleefd applaus is op zijn plaats!

Gedichten

Binnen

Tussen deze drukke muren
van zelfontworpen algebra
vol helden en momentopnames
borrelt onze wereld.

Hier sturen wij de dwergen aan.
Zij schilderen en schrijven, nemen
foto’s van objecten, dirigeren wat
ons op het lijf geschreven staat.

Buiten is het anders.
Buiten wandelen de reuzen.
Starre stropdasdragers, die
ons willen kneden, taken geven
tot wij hen produkten schenken.

Zij reizen ieder weekend
naar de keizer, een cycloop
en knielen voor zijn lege blik,
getekend door het winstoogmerk.

Wij blijven liever binnen.
De dwergen zijn vrijwilligers.
Wij vieren ieder weekend
al hun luttele creaties.

Fortuna

Wij streven iets na als onhandige massa
in conglomeraties van hier en van nu.

Wij mompelen, smeden in schedels plannen
precies als de anderen, knikken tevreden

en dansen op gala’s van autonomie
tot wij haperen, struikelen over de hiel
van een winnaar. Ivoor valt langs tronen
aan stukken. Geen scherf die ons wijst

op de schaal van geluk als de iris
die fonkelt wanneer zij ontwaakt.

Stamgast

Ik draag een hemel in mijn hoofd.
Daarin ben jij ook uitgenodigd.
Sterker nog, je moet er zijn.
Die engelen, ze roken niet.

De barman met de witte baard
zal ons een straffe drank
serveren. Dat is hem geraden.
Ons gezelschap, onbetaalbaar.

De laatste ronde is voorspeld.
Met horeca zijn wij bekend.
De hemel in een dronken hoofd
giet ons vol bijgeloof.