Signalementen 2017 / 1

Samuel Vriezen, Netwerk in eclips

Netwerk in eclips gaat over poëzie in het digitale tijdperk. Leidraad vormen de bewerkte posts op Vriezen vindt … , de weblog die hij bijhield van 2006 tot 2013. Op het voorplat staat onder de titel de typering ‘essay’, maar dat is misleidend. Mijn eerste associatie was die met het ‘pak van Sjaalman’ uit de Max Havelaar: in zijn boek wisselt Vriezen poëzie af met essays en ‘passages’ over de meest uiteenlopende onderwerpen, zoals geëngageerde poëzie, eigenschappen van blogs, netwerkpoëtica’s en de lezer, waardevolle muziek en literatuur die ‘unboring boring’ zijn, honderd zinnen over Arjen Duinker en Jeroen Mettes, Thoreau en burgerlijke ongehoorzaamheid en de interpretatie van de laatste, lege post van Jeroen Mettes.
De teksten zijn gegroepeerd rond vier kernen: de werking van taal en poëtische vorm, ‘netwerkpoëtica’s’ en de implicaties daarvan, het ontstaan van subjectiviteit en ‘artistieke projecten die botsen met de (politieke) werkelijkheid en veelal stuklopen.’ Je hoeft het boek niet per se lineair te lezen: net als op internet maak je je keuzes op grond van het moment, je stemming, interesse et cetera.
Het is een aantrekkelijk boek, niet in de laatste plaats omdat de auteur regelmatig discussie uitlokt. Zo schrijft hij op p. 99: ‘Poëzie ontstaat niet uit reeds klaarliggende gedachten die dan verwoord worden of uit onderwerpen die behandeld worden in een bijzondere stijl.’ Hier generaliseert Vriezen. In een noot bij een betoog waarin hij zich afvraagt of er gevaarlijke poëzie bestaat, zoals weleens wordt verkondigd, schrijft hij: “Mohammed Bouyeri droeg het gedicht ‘In bloed gedoopt’ op zijn lijf, in de hoop door politiekogels doorzeefd te zullen worden na Theo van Gogh te hebben vermoord. Het bevat regels als ‘Tegen de vijand heb ik ook wat te zeggen / Je zal zeker het loodje leggen.’ Dat is wel degelijk poëzie.” Het lijkt me een schoolvoorbeeld van poëzie die wel op deze manier is ontstaan.

***
Samuel Vriezen (2016). Netwerk in eclips. Wereldbibliotheek, 349 blz. € 29,99

 

Frans Kuipers, Geen ander antwoord

Aan de nieuwe bundel Geen ander antwoord van Frans Kuipers gaat een citaat van Borges vooraf, waarin hij stelt dat poëzie ontstaat in de omgang van het gedicht met de lezer. Dat is natuurlijk zo, maar als je die probeert in te palmen, kan het mislopen. De valkuil van Kuipers is zijn behaagzucht: ‘[Ik] zei de gek zal u zeggen waar het om gaat: / een paar regels recht voor zijn raap, / het duister in dichterlaaie te zetten.’ Ik zei de gek. In dichterlaaie. Hij laat hier zijn ambities zien, maar doet dat op bescheiden, goedmoedige wijze: hij is maar een gewone jongen. Een gevoelige dromer is hij ook: ‘Het hart is de luchtkasteelpomp van mijn lied’. En grappig: ‘Nooit wordt Kuifje ouder. / Niets brandt in het donker gouder/ dan eerstelieven lang geleden / hoezeer ook dikke tantes heden.’
Tot slot toont hij met enige zelfspot een deemoed die het in spirituele kringen ongetwijfeld goed doet: ‘Ik ben maar een eenvoudige, door de wringer van de zee gehaalde, / veelmaals verdwaalde dienaar van de Glimlachende zonder Gezicht.’

De bundel zou beter zijn geweest zonder deze behaagzucht.

***
Frans Kuipers (2016). Geen ander antwoord. Atlas Contact, 64 blz. € 21,99

 

Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (samenstelling), Aan de andere oever van het verlangen

Aan de andere oever van het verlangen is een uitgave van PEN Vlaanderen. De ondertitel luidt: ‘Arabische auteurs verleiden Vlaamse auteurs’ en dat is precies wat er gebeurt. De bundel bestaat uit paren van verhalen en gedichten. Ieder paar begint met een Arabische auteur en wordt gevolgd door een Vlaamse. De titels maken nieuwsgierig: Alhadi Agabaldour (Soedan, 1971) schreef het gedicht ‘De gekke papegaai’, Delphine Lecompte volgt met ‘De profetische teckel en de analfabetische jongenshoer’. In die nieuwsgierigheid word je niet teleurgesteld. Soms zijn de paren thematisch aan elkaar verbonden, soms ook inhoudelijk. Een voorbeeld van dat laatste zijn de gedichten van Adnan Adil (Irak, 1971) en Annemarie Estor. Op Adils lange gedicht ‘Een lichaam bemest met de verwachting van Larissa en het ei van Gilgamesj’, reageert zij met een eveneens lang gedicht dat ongeveer dezelfde vorm heeft: ‘Een lichaam verlangend naar een luik en naar de hersenen van Heidegger’. (In de inhoudsopgave staat gek genoeg een variant op deze titel). Adil – of beter: zijn lyrisch ik – heeft een gedicht voorgelezen, waarin een passage voorkomt die door het ‘ik’ van Estor wordt geciteerd: ‘De aarde heeft een luik openstaan / Daar kijk ik door naar de echtheid.’ Hij snapt niet dat zij daar bang van wordt, hij beseft niet dat zij die passage verbindt met zijn ogen die ‘glanzen als ruwe olie’, die ‘de galblaas van de nacht’ hebben geroken, ‘de bodem’ hebben gezien, die ‘ooit [zaten] ondergedompeld in de inktpot van de lasteraar.’ Maar die ogen ‘zijn vrolijk tegelijk.’ Hebben pijn en vreugde een geheime relatie met elkaar?

Een aanrader, deze bundel.

***
Joke van Leeuwen en Annemarie Estor (2016). Aan de andere oever van het verlangen. Uitgeverij P, 86 blz. € 16,50.
De opbrengst van dit boek gaat naar twee projecten van PEN Vlaanderen.

 

Mark Meekers / Marcel Rademakers, Alleen in een lied kan ik wonen

In de periode 1955 tot ongeveer 1970 schreef Mark Meekers – het alias van Marcel Rademakers – een indrukwekkende hoeveelheid ‘poëtische chansons’ die hij zelf uitvoerde. De muziek was leidend bij het schrijven van de teksten en dat is een wezenlijk onderscheid met poëzie, die veelal bedoeld is om te worden gelezen. Dat neemt niet weg dat er een wisselwerking plaatsvond tussen Meekers’ chansons en zijn gedichten; hij zal zich ongetwijfeld kunnen vinden Gerbrandy’s uitspraak ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. Meekers schreef zelf een inleiding en onder zijn eigen naam, die hij als beeldend kunstenaar gebruikt, illustreerde hij het voorplat – sober en mooi. Een CD is meegeleverd, zodat de lezer die Meekers als zanger niet kent een goede indruk krijgt.
De chansons uit de tweede helft van de zestiger jaren vormen een herkenbaar tijdsbeeld: het is de tijd van de protestsongs van Bob Dylan, Boudewijn de Groot en anderen. In Vlaanderen was de macht van het episcopaat voor de meerderheid van de bevolking nog overheersend. Jongeren van de generatie ’68 verzetten zich daartegen en Meekers was een van hen, maar niet per se vanuit een anti-religieuze houding.
In zo’n omvangrijk oeuvre vind je natuurlijk veel meer dan protestsongs. Meekers bezingt het platteland op een weemoedige manier en toont zich daarmee verwant aan chansonniers als Jacques Brel en Ede Staal. Ook de stad is een bron van inspiratie, met name Antwerpen: ‘Ach, mijn stad, mijn stad, Sinjorenstad, / Havenstad, wonderstad’.

Het is lang geleden dat Meekers zijn laatste chansons schreef. Misschien komt het er opnieuw van als Antwerpen hem de functie van stadstroubadour aanbiedt.

***
Mark Meekers / Marcel Rademakers (2016). Alleen in een lied kan ik wonen. Concept, 160 blz. € 20,00

 

Germain Droogenbroodt, De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo

De efemere bloem van de tijd is een Nederlands-Spaanse bundel; de Spaanse versie schreef Droogenbroodt in samenwerking met de auteur Rafael Carcélen García. De bundel maakt al nieuwsgierig voor je hem hebt opengeslagen, want op het achterplat staat een intrigerend citaat van dichter en uitgever Thachom Poyil Rajeevan, mogelijk uit een brief aan Droogenbroodt: ‘Uw gedichten bevatten een serene diepte en kennis, een zeldzame kwaliteit in de hedendaagse internationale poëzie. Alleen Tagore benadert de manier waarover u over het woord mediteert.’ Tagore, de winnaar van de Nobelprijs 1913!
De Spaanse dichter, die ook het voorwoord schreef, acht Droogenbroodt eveneens hoog. Hij vindt hem een dichter van dezelfde hoogte als Celan, van wie hij niet alleen de overvloedige diepzinnigheid, vernieuwende lyrische stijl en stilte ‘perfect [heeft] geassimileerd, maar ook verrijkt heeft met het legaat van de taoïstische, hindoeïstische en boeddhistische tradities die hij in zijn werk doet samenvloeien.’
Die loftuitingen zijn vooralsnog wat overdreven. Strofen als de volgende komen bij Celan en Tagore niet voor: ‘Zoals de dag naar het morgenrood hunkert / zo hunkert ook het witte blad / naar het woord.’ De dag hunkert dus naar het begin van de dag. Vreemd. Of zou de voorgaande dag al naar de volgende hunkeren? Dat zou kunnen. Maar het woordje ‘ook’ maakt de strofe onzinnig. Vergelijk hem met een zin als: ‘Zoals hij hunkert naar het morgenrood, zo hunkert ook zij naar frisse lucht.’
Desondanks kan de bundel aantrekkelijk zijn voor mensen die houden van Oosters aandoende poëzie. Een van zijn ‘Reflecties’: ‘Het water dat zichzelf niet laven kan / berust er zich in / water te zijn.’

***
Germain Droogenbroodt (2016). De efemere bloem van de tijd. La efímera flor del tiempo. Point-Editions & Boekenplan, 167 blz. € 15,90

 

Ron Elshout, In het voorbijgaan

In de nieuwe bundel van Ron Elshout staat een reeks van zeven gedichten over de schrijver Georges Perec. Het derde heeft als titel: ‘Al het andere’:

‘Het is de ervaring gevat
op het niveau van de omgeving
waarin het lichaam zich beweegt,

de handelingen die het doet,
heel de alledaagsheid die samen-
hangt met de kleren die je
draagt, het voedsel dat je eet,
de reizen die je maakt, hoe
je je tijd besteedt en hoe je
de ruimte verkent.

Al het andere blijft ongezegd –‘

Dit gedicht had geschreven kunnen worden als een karakteristiek van Elshouts werkwijze in deze bundel: hij schetst een zelfportret, in de eerste plaats door het beschrijven van personen – veelal vrouwen en meisjes – die hem lief zijn of waren. Daarnaast dicht hij over kleine wederwaardigheden uit het dagelijks leven, over musici, schrijvers en dichters die hij bewondert en, via natuurobservaties, zijn ‘winterse geest’.
De poëzie overstijgt het autobiografische. Het eerste gedicht, ‘Een opdracht aan mijn vrouw’, eindigt met de veelbetekenende regels: ‘Maar deze opdracht is voor andere ogen: / dit zijn eigen woorden aan jou in ’t openbaar.’ Hier spreekt een dichter die weet wat hij wil: hij maakt het persoonlijke herkenbaar voor de lezer en hij doet dat in ‘eigen woorden’ op een vormvaste, soepele manier die klassiek aandoet.
Enkele van die liefdevolle portretten doen wat vlak aan. ‘Angeliek’, een reeks van vier gedichten, heeft teveel ‘ik vin je zoo lief en zoo licht’- formuleringen om me te boeien. Een voorbeeld: ‘De slanke lelieblanke aanschouwt, / mijmert, weifelt, schudt haar hoofd, / / waarna ik haar met licht omgeef / dat nabij haar elpenbenen zwanenhals // breekt in de glinstering van haar / oorbel. ( … )’.
Maar die gedichten zijn in de minderheid. In het voorbijgaan is een aantrekkelijke bundel.

***
Ron Elshout (2016). In het voorbijgaan. Uitgeverij Liverse, Bordeauxreeks 37, 90 blz. € 15,95

Recensie van Het moet nog ergens liggen - Joke van Leeuwen

Wat poëzie al niet vermag

Joke van Leeuwen
Het moet nog ergens liggen
Uitgever: Querido
2016
ISBN 9789021403977
€ 17,99
64 blz.

Auteur van proza voor zowel kinderen als volwassenen, dichter, tekenaar, graficus en performer, ziedaar de veelzijdige Joke van Leeuwen. En één en ander op een uitzonderlijk hoog niveau en met een al even uitzonderlijk hoge productie.
In 1952 werd zij geboren in Den Haag; zij studeerde grafische technieken in Antwerpen en in Brussel en in die laatste stad ook geschiedenis.
Al bij haar debuut viel ze op en won de C. Buddingh’- prijs. Hierna werd ze gelauwerd met onder andere nominaties voor de VSB Poëzieprijs en de Herman de Coninckprijs. Naast gouden en zilveren griffels voor haar kinderboeken, penselen voor haar illustraties, won ze ook nog de Gouden Ganzenveer voor haar oeuvre tot nu toe en de Constantijn Huygensprijs.

Het moet nog ergens liggen bestaat, behalve een openings- en een afsluitingsgedicht (respectievelijk ‘Binnenkomst’ en ‘Erbarmen’) uit vier delen: ‘Zijn er nog vragen’, ‘Voortbestaan’, ‘Een halte denken’ en ‘Visioenen’.
Ik zal over alle iets zeggen.

‘Zijn er nog vragen’ is doordrenkt van ongemak en maatschappijkritiek, die de luchtige toon niet kan verhullen. Vele malen komt voedsel ter sprake, brood vooral, in de zin van gebrek eraan, angst steekt de kop op: ‘[…]Hier de schoenen, nee , geen schoenen / schuilhutten voor bange voeten […]’ uitHier het dansen’; de mens die wordt vermalen door bureaucratie : ‘[…] Men wordt verwerkt. Er wordt ingegrepen. / Maar melden moet dus eerst, want anders / geen beginnen aan. Ook niet ten overstaan/ van wie bestaan ziet en in vel zal knijpen. / Vel telt niet. Nee. Helaas. Dus eerst bewijzen / er te zijn, want ooit te zijn geboren’. (Uit ‘Melden’).
Na een koele chronologische aaneenrijging van oorlogen met de Tweede Wereldoorlog als laatste eindigt het gedicht ‘Geschiedenis’ met de woorden: ‘en toen werden we welvarend en heel bang’.

Het tweede deel, ‘Voortbestaan’, borduurt voort op het vorige, maar nu worden met name overledenen en hun al oudere nabestaanden in het onzekere heden en een te vrezen toekomst betrokken.

Nabestaan

Soms zie ik jullie gaan, bezig met inzicht, kinderen
en kosten, twee wat gekromde ruggen in een

toen nog groene laan. Zo lang al samen op een
steen geschreven, onder een bloesemboompje

dat kan sneeuwen. Mijn haren worden wit
ik weet me wees op leeftijd, draag nieuwe

vouwen in mijn vel. Er wordt veel digitaal
geschreeuwd, er is nog altijd popmuziek

tussen het nieuws, over de liefde, voor zover –
oorlogen woeden weer, er raakt weer veel

ontwricht, men eet hier nu quinoa en spelt
had ik dat al verteld, en haast geen kaantjes

meer, er wordt onthoofd en onbedaarlijk soms
gelachen. De herfst is prachtig nu. Dat licht.

Die laatste strofe met Dat licht aan het eind, die terloopse ironie, dat is Joke van Leeuwen ten voeten uit. Hier wel erg wrang.

‘Een halte denken’, het derde deel, is opgewekter, de lichte toon valt meer samen met de strekking van de tekst. Het is poëzie zoals we die uit vorige bundels kennen, maar dan gerijpter.
Meerdere gedichten doen denken aan de decemberfeesten: ‘Geschenken blijven ingepakt, er is nog feest omheen / we zitten in een cirkel, vragen hoe het gaat / weten te vertellen, eten wankele toastjes // […]Buiten lopen mensen rond / die niet zijn uitgenodigd en niet weten wie er wat / op dit geëigende moment zou willen krijgen.’ (Uit Feest).

Gerelateerd aan de subtitel dit gedichtje in zijn geheel:

Bestemming

Een barstensvolle tram op een verlaten plein
wij, achter plakkend glas, moeten er nog niet uit
de regen steekt de stenen buiten. We weten

dat laatst iemand zeer zorgwekkend is verdwenen
we hoorden voor het eerst een naam, we hoorden
van een tatoeage in de nek, een moedervlek en

kijken naar elkaars gestalte, krassen, bulten, vegen
vlinders, doodskopjes, gotische vage kreten.
Nee nee, we zijn niet zoek, we denken ons een halte.

Het laatste deel, ‘Visioenen’, verraste mij in de meest positieve zin.
Wat direct opvalt is de vorm; geen witregels, geen experimenten met uitlijnen en centreren, geen titels. Elk gedicht begint links bovenaan en eindigt rechts onder zoals bij een bladzijde proza. Meestal hindert mij deze ongebonden vorm en kan ik me na lezing weinig of niets van de afzonderlijke zinnen herinneren. (Zoals het bij stamppot niet eenvoudig is de afzonderlijke ingrediënten te onderscheiden).
Hier heb ik daar echter geen last van. Omdat als in een droom het één onontkoombaar volgt op het andere, hoe onlogisch ook. Angstdromen zijn deze visioenen meestal niet, daarin wordt het onheil steeds heviger om in een schreeuw van verschrikking te eindigen, hier wordt het er ook niet al maar vrolijker op maar aan het eind van elke bladzijde is daar toch ineens een deus ex machina die voor opluchting zorgt. Joke Van Leeuwen maakt er geen geheim van dat ze ook voor kinderen schrijft. Heerlijk!
Elk gedicht begint en eindigt respectievelijk met regels als deze: ‘Ik zit op een bank en de stad komt voorbij […] Ik sta van mijn bank op, de ochtend is jong.’ en ‘Ik sta in de zee elke golf in de weg […] En ik sta in hun zee als tevreden.’
De droombeelden tussen deze zinnetjes gaan de verwachting zover te boven dat ze paradoxaal genoeg als vanzelfsprekend overkomen: ‘[…] Niet wetend wat zij willen horen begin ik / te praten, ik zeg goedemiddag en grondverzet, vrede en aardappels / communicerende vaten en braadpannen, prachtpak, versiering […]’

Hiermee wilde ik deze recensie beëindigen, maar het van hoogtepunt naar hoogtepunt golvende afsluitingsgedicht ‘Erbarmen’ trof me dermate dat ik u daarvan enkele zinsneden niet wil onthouden:

geachte bedachte
zie ons aan
welgeschapen schapen dat we er zijn
met hier en daar een constructiefout
zoals harten van waaibomenhout
[…]
erbarm u
[…]
zie hoe wij gissen en ons vergissen
hoor ons smachten naar wat we niet bezitten
zie ons bezitten waar we niet meer naar smachten
[…]
erbarm u
[…]
morrel onze marmeren gedachten los
kietel ons ijzeren gelijk
bescherm ons met uw schaterlach

erbarm u

[…]

Een bundel, die verontrust en gelijktijdig door het lenige en vooral levendige taalgebruik vermaakt.
Wat poëzie al niet vermag.

Recensie van Half in de zee - Joke van Leeuwen

Gedichtendagbundel 2012

Joke van Leeuwen
Half in de zee
Uitgever: Querido / Poetry International ,Querido / Poetry International
2012
ISBN 9789021442204
€ 2,50
16 blz.

Van initiatiefnemers Poetry International en Stichting Lezen Vlaanderen moest Gedichtendag dit jaar staan in het teken van ‘Stroom’. Voor haar Gedichtendagbundel Half in de zee trok Joke van Leeuwen zich van dat thema weinig aan, al zou je met wat goede wil de titel wel van toepassing kunnen verklaren.
Tien gedichten staan er in Half in de zee en mede dankzij het vijftal illustraties vormen ze een echte Joke van Leeuwenbundel: lichtvoetig, speels, misschien een tikkeltje baldadig, maar met genoeg ernst om het niet oppervlakkig te maken.

De onderwerpen zijn divers. Achtereenvolgens wordt er wegens vertraging eindeloos gewacht op een luchthaven, verschijnt er aan huis een als tamelijk weerzinwekkend ervaren geüniformeerde controleur (onschadelijk gemaakt met de constatering ‘gel houdt zijn haar bijeen, de gulp staat open’) en is er een asverstrooiing waarbij de gecremeerde zelf de instructies geeft voor zijn asbestemming.
Dan volgt er waterschade na een brand, een oude vrouw in wier hoofd het duister wordt, een variatie op een raadselvers en zijn er overdenkingen tijdens het langzaam opschuiven in een wachtrij en overdenkingen tijdens het snorkelen.

Afwisselender kan een bundel niet zijn en ieder gedicht heeft wel iets innemends, kent die specifieke Van Leeuwentoets. Het bundeltje eindigt toepasselijk:

NAWOORD

Hij had beloofd te komen spoken en hij kwam
doorzichtig als verwacht en zonder buik.

Hij liep niet in de weg, geen kijk toch uit
geen zou je dat wel doen, hij zag haar aan

en dekte haar gedachten langzaam toe
toen ze in bed lag, lispelde nog: leef

het is gedoe, maar geef jezelf je jaren
van nergens moe van worden word je moe.

Zoals Menno Wigman in het onlangs uitgebrachte Mijn naam is Legioen negen gedichten opnam uit De wereld bij avond, de Gedichtendagbundel 2006 en daarmee al bijna een kwart van zijn nieuwe bundel kon vullen, zo heeft Joke van Leeuwen met de gedichten uit Half in de zee haar nieuwe bundel dus ook al weer voor een deel klaar. Dat zal met deze basis een goede worden.

***
Joke van Leeuwen (Den Haag, 1952) studeerde in Antwerpen en Brussel grafische technieken aan de kunstacademie en geschiedenis aan de universiteit van Brussel. Ze schrijft naast poëzie proza voor kinderen en volwassenen, ze is illustrator, maakt theaterprogramma’s en treedt op als performer.
Ze ontving o.a. de Theo Thijssenprijs voor haar kinderboeken (2000) en de C. Buddingh’-prijs voor haar dichtbundel Laatste lezers (1994). Andere bundels zijn Vier manieren om op iemand te wachten en het voor de VSB Poëzieprijs genomineerde Wuif de mussen uit (2007). In de bundel Hoe is ‘t verzamelde zij de gedichten uit haar tijd als stadsdichter van Antwerpen. In 2010 ontving Joke van Leeuwen de Gouden Ganzenveer voor heel haar oeuvre.

Interview met Joke van Leeuwen

Soms geen woorden, soms publiek, dan weer de stilte

 

Joke van Leeuwen is voor twee jaar aangesteld als stadsdichter. Na Tom Lanoye, Ramsey Nasr en Bart Moeyaert is zij degene die de stad Antwerpen mag vertegenwoordigen. Van Leeuwen presenteerde tijdens de officiële aanstelling haar eerste stadsgedicht Hoe is ‘t? Het bewegende gedicht wordt geprojecteerd op een muur en is op wisselende locaties te zien. Het geeft een indruk wat we kunnen verwachten van het veelzijdige talent.

Goed gezelschap
Joke van Leeuwen schrijft al heel lang poëzie en is begonnen met cabaret. ‘Het schrijven van poëzie komt voort uit de liedjes die ik eerst schreef. Ik had behoefte aan een grotere vrijheid en veelvormigheid, en zo evolueerde dat naar mijn huidige poëzie’, vertelt de dichteres. Ze beleeft er veel plezier aan: ‘Ik geniet van de concentratie, het zoeken naar het juiste woord, de zin die het Is, de ritmiek, de klank, de vreugde als ik het gevoel heb dat het is gelukt’. Critici vergelijken haar poëzie vaak met het werk van Judith Herzberg. Van Leeuwen ziet hier niet echt een probleem in: ‘Een deel van wat ik doe heeft enige verwantschap met haar mengeling van parlando en diepgang, kan ik me voorstellen… Maar laat degenen die dat vinden maar een antwoord op het waarom zoeken. Ik vind haar alleszins zeer goed gezelschap.’

Foto: A. Koeleman

 

Kinderboeken
Joke van Leeuwen is vooral bekend als kinderboekenschrijfster. Toch staan de verschillende disciplines voor haar los van elkaar. Haar gedichten worden niet beïnvloed door het feit dat ze kinderboeken schrijft: ‘Behalve dat er soms een kind in voorkomt, maar dit kan ook het geval zijn bij dichters die geen kinderboeken schrijven. Elk genre is een project, waar ik een tijd alleen mee bezig ben voor ik op een ander genre overstap. Dat is nu, met het stadsdichterschap, toch een beetje anders.’ Volgens Van Leeuwen verschilt het schrijven voor volwassenen niet wezenlijk van dat voor kinderen, maar wel wat het perspectief betreft: ‘Volwassenen kunnen genieten van een goed boek dat geschreven is voor kinderen; andersom is dat meestal niet zo’.
Ook heeft ze niet het idee dat ze meer erkenning heeft gekregen als schrijver en illustrator van kinderboeken dan als dichter. Van Leeuwen verklaart: ‘Ik heb als dichter drie maal een prijs gekregen en ben ook nog een paar maal genomineerd, maar ik heb meer kinderboeken geschreven en er zijn wellicht ook meer kinderboekenprijzen.’

Beeldend kunstenaar
De dichter en kinderboekenschrijfster staat ook bekend om haar beeldende kunst. Deze discipline heeft haar poëzie wel beïnvloed: ‘Ik denk dat mijn kijken daardoor is aangescherpt. En tijdens mijn stadsdichterschap denk ik niet alleen na over de gedichten, maar ook over de vorm waarin ze in de stad terecht kunnen komen.’
Er is niet één discipline waarin Van Leeuwen zich het meeste thuis voelt. Ze legt uit: ‘De combinatie is fijn. Soms geen woorden hoeven te gebruiken. Soms het rechtstreekse contact met het publiek en dan weer de stilte achter het bureau. Ik ben blij dat ik dat kan doen. Ik wil wat ik heb meegekregen ontwikkelen en naar buiten brengen. Daarbij ben ik me altijd bewust geweest van de geschiedenis van vrouwen en hoeveel vrouwelijk talent verloren moet zijn gegaan door vooroordeel en onderschatting.’

Gerechtigheid
Van Leeuwen heeft in tal van plaatsen gewoond, maar voelt zich echt thuis in Antwerpen. ‘Ik heb hier lang geleden gestudeerd en ben er na mijn scheiding weer uit eigen keus gaan wonen’, licht ze toe. Ze verwacht Antwerpen beter te leren kennen door haar stadsdichterschap: ‘Ik verwacht een bijzondere tijd die mij de mogelijkheid geeft meer achter de schermen te kunnen kijken van wat er hier allemaal gaande is. Een unieke mogelijkheid om gedichten een openbare rol te laten spelen, terwijl je toch je eigen artisticiteit mag behouden.’
Op de vraag wat het betekent dat Antwerpen nu voor het eerst een vrouwelijke stadsdichter heeft, antwoordt ze: ‘Gerechtigheid (lacht). Nee, het eventuele subtiele verschil dat er misschien helemaal niet is. Daarover kan na twee jaar geoordeeld worden.’

Gedichten

VIER MANIEREN OM OP IEMAND TE WACHTEN

1.   Zittend. Denkend aan liggen. Je handen
      strijken rimpels in het tafellaken glad
      rond een gerecht dat moeilijk en te veel
      voor twee en niet als op het plaatje is,
      maar ruikt, het ruikt de ramen uit, het
      doet zijn best niet in te zakken, zoals
      een ingehouden buik niet bol te zijn –
      ook andersom is vergelijken.

2.   Lopend. Bijvoorbeeld naar de ramen
      en terug en toch weer naar de ramen,
      omdat geluid zich buigt naar wat je
      horen wilt, maar het niet is. Er danst
      een stoet voorbij, verklede mensen die
      iets onverstaanbaars juichen, van elkaar
      goed weten hoe ze heten en te kijken
      dansen dat je kijken moet.

3.   Staand. Bij een ingang, uitgang waar je zei
      dat, maar er zijn er drie, je weet niet meer
      of die of deze. Van blijven staan komt
      niemand tegen, maar met bewegen
      wordt haast bereikt wat net verdween.
      Zeker nog niet gezegd wie blijft en wie
      beweegt en wie dan wie wanneer
      en van hoe ver weer ziet.

4.    Niet.

Uit: Vier manieren om op iemand te wachten (2001), uitgeverij Querido

 

VEL

Wat trager toch en moeilijker
getekend dan geschreven:
kilometers krentenbollen,
massa’s met behoeftes,
warme macedoine,
kus van nog zonet,
bijvoorbeeld, enzovoort.

Teken een muur: het is erachter.
Trek een rivier: het veer mag varen.
Teken een streep: herken de verte.
Wit papier is winter.

Uit: Wuif de mussen uit (2006), Uitgeverij Querido