Interview met Bas Belleman

Over zestien sprookjes

 

Bas Belleman (1978) schreef twee dichtbundels: Nu nog volop ventilatoren en Hout. Hij debuteerde in de Sandwichreeks van Gerrit Komrij en werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij schreef recensies voor dagblad Trouw, De Groene Amsterdammer en Awater. In 2012 verscheen Sonnetten voor de donkere dame, waarin hij de laatste 28 sonnetten van Shakespeare op onorthodoxe wijze vertaalt en toelicht. Onlangs verscheen De drift van Sneeuwwitje, zestien sprookjes door Belleman hertaald naar poëzie.

Bas BellemanBas, bedankt voor een ontzettend fijne bundel. Hoe is deze tot stand gekomen?
De sprookjes dienden zich vanzelf aan. Zoals een muzikant een album met klassiekers opneemt, zo wilde ik de mooiste en bekendste sprookjes opnieuw vertellen: Assepoester, Blauwbaard, Sneeuwwitje, De rattenvanger van Hamelen … Er staan ook een paar minder bekende sprookjes in, maar die hebben klassieke thema’s. Het eerste sprookje is Koning Lijsterbaard, een variant van The taming of the shrew van Shakespeare.

Zijn er momenten geweest dat de hertaling van de sprookjes zich extra goed leenden voor poëzie?
Eigenlijk hield ik me nauwelijks bezig met de vraag of ik er nou poëzie van maakte of niet. Het wordt wat uitzinniger bij de angst van Blauwbaards bruid, de dood van Sneeuwwitjes stiefmoeder of de twijfel van de keizer die zijn nieuwe kleren niet kan zien. Maar de gelaarsde kat is natuurlijk een laconiek dier. De sprookjes kozen zelf hun toon.

Waar komt jouw fascinatie met deze sprookjes vandaan?
Bijna iedereen heeft een zwak voor sprookjes. Daarom worden ze steeds weer verteld, geschilderd, op muziek gezet, in pretparken gevangen en weer doorgegeven. We hebben nog steeds een koningshuis. Het is niet vreemd om van sprookjes te houden, op een of andere manier.
Ik las ze weer met aandacht toen ik ze aan mijn kinderen ging voorlezen. Al snel wilde ik ze liever zelf vertellen dan voorlezen, omdat ik telkens dacht dat het beter kon dan in het sprookjesboek. En ik besefte weer – wat ik al wel wist – dat het eigenlijk geen kinderverhalen zijn. Ze gaan over hartstocht en wanhoop. De klassieke sprookjes zijn bedacht door grote vertellers. Ik las de verhalen zoals ze zijn overgeleverd en voor dit boek zocht ik door die overlevering heen naar het oorspronkelijke verhaal.

Je hebt ook sonnetten van Shakespeare vertaald. Dat is wel even andere koek. Toch zullen er vast ook vergelijkingen te trekken zijn tussen deze twee werkzaamheden? Welke?
Als een sonnet in mijn kladvertaling nog wat stijfjes klinkt, komt dat meestal niet door rijmwoorden of ritmeproblemen. Het komt doordat ik het oorspronkelijke sonnet nog niet helemaal doorgrond. Zo ging het ook met sprookjes. Alle prinsen, prinsessen, heksen en koningen hebben hun eigen karakter, hun eigen motieven. De sprookjes hebben allemaal een eigen ziel. Los daarvan zijn er genoeg overeenkomsten tussen Shakespeare en de sprookjesvertellers. Net als de stukken van Shakespeare vermengen de sprookjes hevige emoties met platte grappen en subtiele ideeën. En net als Shakespeare blijken sprookjesvertellers zich ten volle bewust van standsverschillen. Verder hebben de sprookjes veelal een complexe moraal; ook daarin doen ze niet voor Shakespeare onder.

Is er iets (nieuws) dat je hebt geleerd van of over de sprookjes tijdens je hertaalproces?
Dat ze nog mooier en subtieler zijn dan ik dacht en dat de makers werkelijk grote kunstenaars zijn geweest. Een populaire opvatting is dat de sprookjes van generatie op generatie worden doorverteld en dan evolueren als plantensoorten, waarbij ze zich telkens aanpassen aan de cultuur en tijd waarin ze verteld worden, maar dat doet onrecht aan de kunst ervan. Je kunt wel zeggen dat de schilderijen van Van Gogh de generaties na hem hebben beïnvloed, maar niet dat de schilderkunst zich blind heeft geëvolueerd en dat de generaties na Van Gogh alleen maar per ongeluk afweken van zijn schilderijen, of alleen omdat ze hun portretten aan de tijd en cultuur moesten aanpassen.

***
Bas Belleman – De drift van Sneeuwwitje. Sprookjesgedichten
Van Gennep 2014; 160 blz.; € 18,90
ISBN 978946164264
6

Interview met Merlijn Huntjens

Mensen zijn prachtig en tegelijkertijd gruwelijk

 

Merlijn Huntjens (Heerlen, 1991) heeft een steeds veranderende visie op poëzie. Zijn leven, en dus zijn poëzie, is een experiment omdat zijn ongerichte nieuwsgierigheid niet te stillen is. Experimenteren binnen poëzie is naar zijn idee zoeken, maar niet weten waarnaar.

Merlijn HuntjensMerlijn, onlangs won je, samen met stadsgenoot Michelle Bracke, de pre-finale van DichtSlamRap in Boxtel. Gefeliciteerd. Hoe ga je met je succes om?
Erkenning is fijn. Ik weet in elk geval zeker dat ik nu mag slammen, want ja, blijkbaar deed ik dat. Ik moet ook maar even zien te ontdekken wat mensen over het algemeen onder succesvol verstaan, voordat ik snap hoe ik daaraan kan voldoen. Ik heb vast talent, maar ben ook zeer streng voor mezelf en mijn ontwikkeling. Bij mij is veel aan experimenten onderhevig. Ik heb niet altijd in de gaten wat goed of mooi is. Meningen vind ik daarom ook lastig. Als ik zo een pre-finale win, denk ik: blijkbaar ben ik goed. Daar wordt een mens gelukkig van.

Je staat inmiddels bekend als rasperformer. Hoe bereid je een optreden voor?
‘Rasperformer’, ik weet niet of dat zo is. Wat in elk geval een feit is, is dat ik mijn werk uit mijn hoofd knal (en ik ben daar niet heel goed in, dus dat kost wel even wat tijd). Verder meen ik het allemaal. Ik doe niet aan voordrachten. Ik vertel mensen gewoon even hoe het zit. Een beetje zoals ik onder het genot van een pilsje met iemand aan een tafeltje kan kletsen, zo hou ik een monoloog. Iedereen aankijken. Lief teruglachen. Vooral laten zien dat je een mens bent, zoals zij. Ik vind een podium als fysieke verhoging daarom ook zo’n gek ding. De zaal is net zo belangrijk, daar wil ik niet graag boven staan, even losstaand van het feit dat mensen mij beter kunnen zien als ik op een podium sta.

Je studeert toegepaste psychologie. Wat neem je van je studie mee in je poëzie?
Alles. Ik studeer ‘hoe moet ik omgaan met al die mensen’. Dat onderzoek ik ook in mijn werk. Mensen zijn prachtig en tegelijkertijd gruwelijk. Maar o, wat moddert het interessant aan. Ik zie niet zoveel verschil tussen dingen. Ik doe ook aan vechtsport. Dat is bijna hetzelfde als poëzie. Misschien moet je me die vraag over een jaar of twee nog eens stellen, dan heb ik wat meer overzicht. Dan ben ik afgestudeerd en liggen die structuren misschien beter bloot. Ik zit midden in die onoverzichtelijke aaneenschakeling van gedachtes. Ik weet niet zo goed welke gedachtes nu in het onderzoek dat ik tussendoor op school doe terecht komen, of welke een gedicht worden. Over twee jaar, dan heb je een gaaf antwoord.

In je werk speelt vaak een jij-persoon een rol. Schrijf je die gedichten in gedachten aan een poëtisch personage, of aan één of meerdere echte personen?
De jij-persoon is meestal een samenvoegsel van vele jij-en. Soms ben ik de jij. Dat weet ik in elk geval zeker.

Je bent op jonge leeftijd wees geworden. Heeft dit invloed gehad op je creatieve proces?
Ja. Je zou kunnen stellen dat toen mijn moeder in 2010 om het leven kwam, ik met alles opnieuw moest beginnen, ook met schrijven. En in 2011 overleed mijn vader… Dat klontert samen. Ik was toen 19, maar dan ben je voor de overheid al geen wees meer. Doordat mijn moeder op een bepaalde manier is gestorven, is er bij mij een trauma aanwezig waar ik bijster veel last van heb. Dat sluipt bij mijn poëzie naar binnen.
Als ik verdriet heb, dan zet ik de muziek op van mijn ouders en huil ik een uurtje op de bank. Als ik een tijd niet schrijf, huil of lach, en die tijden zijn er, dan weet ik dat er iets niet goed is

Kun je (nog) een aantal tekenende gebeurtenissen noemen waaruit blijkt dat je poëzie parallel loopt met je leven?

Ik merk dat de poëzie goed is als ik groei, dus als er letterlijk nieuwe ervaringen zijn of er nieuwe verbindingen worden gelegd in mijn hoofd. Als ik moet leren gaat dat ook moeizaam. Als ik per ongeluk leer doordat ik toevallig eerst nieuwsgierig was geeft me dat een eurekagevoel. Dat is die parallel. Als ik kalm ben is de poëzie kalm. Als ik gestrest ben is de poëzie dat ook en heeft het geen tijd voor me, net zo min als ik dan tijd voor de poëzie heb. Maar nee, niet echt gebeurtenissen dus. Ik ben geen scenariodenker.

Je experimenteert veel. Hoe krijg jij het experiment en de poëzie die je de wereld in stuurt met elkaar gerijmd?
Door de dood van mijn ouders ben ik gemakkelijk angstig en heb ik depressieve buien. Om daar tegengewicht aan te geven probeer ik rustig te blijven. Vaak lukt het best aardig, soms helemaal niet. Dat is vallen en opstaan, dus experimenteren. Dat is zoeken, zonder dat je weet wat je zoekt.
Met Joey van Doesburg deed en doe ik dat nog steeds graag. Nu treden we wat minder op met Tromboëzie, maar voor onszelf zijn we vaak genoeg zoekende. Hij niet met zijn trombone en mijn poëzie en ik niet met mijn poëzie en zijn trombone. Er zijn wel gave reacties na een optreden. We worden geboekt. Dus blijkbaar vonden we iets.

Wat zijn de plannen omtrent het schrijven en de poëzie?
Ik wil graag optreden op leuke plekken en biertjes drinken met mensen die ook van poëzie houden. Ik wil Heerlen wat meer op de kaart brengen op poëtisch gebied omdat ik erg trots ben op mijn stad. Met Michelle Bracke werk ik aan een poëtische voorstelling waar we mee willen optreden dit jaar. De kunst die mijn vriendin maakt wordt ooit gecombineerd met mijn poëzie, dat beloven we elkaar steeds. Verder zit ik in de redactie van Ochtendlicht, een literair tijdschrift voor en door Limburgse jongeren. Enorm mooi werk ook. Gepubliceerd worden is ook gaaf. Dat soort dingen. Vooral veel leren. Dingen die ontwikkelen leven pas echt.

Gesprek met Ester Naomi Perquin

Steden schuilen niet wanneer het regent

Steden schuilen nietMijn vader, na het openslaan van Steden schuilen niet wanneer het regent: ‘Wie heeft er nou in zitten kleuren?’
Ik: ‘Dat hoort. De gemarkeerde zinnen staan te lezen op vuilniswagens in Rotterdam.’

Fraai. Zo noem je geloof ik bloemlezingen als ‘Steden schuilen niet wanneer het regent // 25 jaar Het gedicht is een bericht’. Fraai zou het goede woord niet zijn. In het prachtig vormgegeven boek staan zo mogelijk nog mooiere gedichten van uiteenlopende dichters. Gemarkeerd in de gedichten de zinnen en regels die worden rondgereden door de vuilniswagens van Rotterdam. Alles is tot in de puntjes verzorgd ook. De eerder genoemde vormgeving, de fotografie, interviews met bekende en onbekendere Rotterdammers, maar vooral heel veel steengoeie poëzie.

Ik sprak met Ester Naomi Perquin, oud-stadsdichter van Rotterdam, over haar bijdrage aan het project.

De zin ‘dingen gebeuren / in huizen waar je nooit bent geweest’ uit jouw gedicht ‘Verklaring’ is op een vuilniswagen gedrukt. Vind je dat regels en zinnen uit (jouw) gedichten een eigen leven mogen krijgen door ze toch wel enigszins uit hun verband te trekken?
Ik ben zelf heel onbeschoft als het om poëzie gaat. Ik peuter voortdurend zinnen los. Zelfs een woord of een beeld. Bij de meeste gedichten kan dat ook – er zit dan al zoveel in één regel dat je daar heel lang mee kunt doen. Mij vallen dikwijls regels in. Vaak weet ik daardoor dat ik iets mooi vond. Iets heeft zich uit het gedicht losgezongen en in je hoofd vastgezet, hardnekkig als een foute reclameslogan. Ik ben er dus een voorstander van, zou je kunnen zeggen.

Wat is jouw favoriete dichtregel/zin?
Aan favorieten doe ik niet (ik zou daar gek zijn met zoveel mogelijkheden) maar ik heb er aantal die me regelmatig invallen. ‘Het water in de vijver, zag ik, was vis geworden,’ van Jan Glas bijvoorbeeld. Glas grossiert trouwens echt in mooie regels, evenals Menno Wigman natuurlijk: ‘Ik ben je dagboek niet’. Ik denk ook aan die hele lichte, maar hele wrede regel van Eva Gerlach, hoewel je die eigenlijk alleen voor vol aan kunt zien als je het gedicht kent (‘Solve et coagula’ uit Een bed van mensenvlees): ‘pieng, pong, de eerste voorzichtige tonen’. Daar denk ik vaak aan als ik mijn kind weer eens in een veel te hoge boom zie klimmen. En van Erik-Jan Harmens heb ik ondermeer ‘maar rsv rsvp’ in mijn hoofd zitten. Dat is niet eens een volledige regel maar een gedeelte daarvan. Het snelste en ontroerendste gebed dat ik ken.

Met je poëzie in de openbare ruimte verschijnen, ben jij als oud-stadsdichter natuurlijk wel gewoon. Vind je dat poëzie vaker op mag duiken?
Ik ben een voorstander van poëzie in de openbare ruimte, maar wel poëzie die een relatie aangaat met die ruimte. Dan pas wordt het spannend. Een aantal keren heb ik projecten kunnen doen waar dat idee centraal stond. Iets schrijven voor een specifieke locatie, iets bedenken dat veranderlijk is of de sfeer beïnvloedt. En niet te netjes denken, niet te veel naar hoe het er vaak uitziet. Met richtingenpaus Paul Mijksenaar mocht ik eens bewegwijzering ontwerpen voor de spoorzone in Tilburg. We zaten als blije kinderen achter de tekentafel om te bedenken hoe mensen zich bewegen en hoe ze zich laten sturen. En hoe niet. Het resultaat was weliswaar een gedicht, maar dan eentje waar je zelf doorheen kon lopen. Er kwamen merkwaardige bordjes aan te pas. Inmiddels is het helemaal verdwenen. Voornamelijk gejat door voorbijgangers. En zo hoort het ook.

Heb je misschien nog een leuke, korte anekdote met betrekking tot het project Het gedicht is een bericht.
In het boekje staat de meest ontroerende anekdote al beschreven…

En daarmee doelt Perquin op het verhaal van vuilnisman Paul Keijzer. Hij vertelt dat hij aan de regel ‘Zonlicht overkomt je, net als het leven zelf’ veel waarde is gaan hechten, temeer vanwege zijn verhaal: ‘(…) Dat komt ook omdat er dit voorjaar iets heel bijzonders is gebeurd. Mijn maat was bezig in het centrum, toen er een vrouw naar hem toekwam. “Dank je wel”, zei ze. “Waarvoor? Ik doe gewoon mijn werk”, zei hij. Wat bleek? De vrouw was vorig jaar zwanger, maar zag dat niet zo zitten. Ze dacht erover het kindje weg te laten halen. Toen zag ze onze wagen, met die regel: “Onverwacht zonlicht is een gebeurtenis.” De zon ging als het ware weer schijnen voor haar en toen besloot ze het kindje te houden. En deze lente , toen ze onze wagen weer zag, kwam ze mijn maat dus bedanken. Haar baby lag in de kinderwagen.’

Mijn vader, poëzieleek maar vooral opa in hart en nieren, kon dit verhaal wel waarderen. Ik ook. Maar zo’n verhaal maakt nog geen mooi boek. Iedereen die heeft meegewerkt aan de bundeling van deze gedichten, verhalen en foto’s heeft dat wel gedaan. Elke Rotterdammer zou dit boek moeten bezitten. En ook elke poëzieliefhebber. Want zo bijzonder zie je ze doorgaans niet.


Winkelprijs is 15,- , online via poetry.nl 18,50 (inclusief verzendkosten).

Interview met Aline Gailliaert

'Een groepje vreemde vogels langs de kant van de weg'

 

Aline Gailliaert (Brugge, 1996) schrijft sinds haar veertiende poëzie. In 2012 won zij de Belcampo-prijs bij Doe Maar Dicht Maar (de prijs voor een score van de beste drie gedichten) en dankzij die prijs mocht ze voordragen op Dichters in de Prinsentuin. Ook in 2013 kwam zij bij de beste tien van haar leeftijdscategorie. Aline is redacteur van Puberpoëzie.nl en is daar zelf ook zeer actief. In haar vrije tijd volgt ze toneellessen.

Aline Gaillaert (zelfportret)Aline, van harte gefeliciteerd met de prijzen bij Doe Maar Dicht Maar. Ik hoorde dat met name je voordracht enorm was opgevallen bij de prijsuitreiking in 2012. In hoeverre draagt de voordracht voor jou bij aan een gedicht?
Ik vind het heerlijk om me uit te leven in een gedicht als ik het voordraag. Het is een kans om bij het publiek over te brengen hoe ik me bij mijn woorden voel. Een kans om te grijpen. Het doet me deugd om daarvoor van anderen ook echt erkenning te krijgen. De voordracht van een gedicht betekent in mijn ogen heel veel. Ik heb zelf vaak gedacht als ik naar iemand luisterde: ‘Dit is wel een mooi gedicht, maar de dichter laat het niet bij me overkomen.’ Zoiets vind ik erg jammer. Voor sommigen is voordragen maar een detail, omdat het gedicht nu eenmaal al gerealiseerd is. Maar ik denk dat de voordracht de kers op de taart kan zijn.

Hoe ben je met poëzie lezen en schrijven begonnen?
Ik was dertien, en zoals bij veel dertienjarige meisjes gebeurt, brak één of andere jongen mijn hart. Je bent nog zo jong en je hebt hoge en vooral romantische verwachtingen van de liefde. De mijne werden alleszins niet beantwoord, en om dat liefdesverdriet toch een plaats te kunnen geven, ben ik alles gaan opschrijven. Voor ik het wist, werden dagboekfragmenten gedichten. Competitief als ik ben, streefde ik er ook direct naar mijn schrijven verder te ontplooien tot iets wat ook anderen graag zouden lezen.

In het gedicht ‘Ik ben geen poëet’ ontken je op poëtische wijze de werkelijkheid van de dichter. Vind je dat er een mythe rond het dichterschap heerst?
Er heerst een mythe voor de mensen die geloven dat er een mythe heerst. Het dichterschap is niet zus of zo. Ik heb zelf een tijd met het gevoel rondgelopen dat dichters zich aanstellen, ongeacht het gegeven dat ik dat dus zelf ook deed. Schrijven is een kunst. Mensen die er niet intensief mee bezig zijn, schilderen dichters algauw af als een groepje vreemde vogels langs de kant van de weg. Je weet als je schrijft, dat je dat voor een beperkt publiek doet. Het dichterschap is een doolhof, waarin niet iedereen de weg vindt.

Als redacteur van Puberpoëzie.nl kom je vast enorm veel poëzie tegen. Lees je zelf nog graag andere dichters?
Natuurlijk lees ik zelf graag gedichten. Anders zou het schrijven maar heel oppervlakkig blijven. Ik hou er niet zo van iemand als een lievelingsdichter te gaan omschrijven. Er zijn veel dichters die onwijs sterke gedichten hebben, maar daarnaast ook een hele boel die mij absoluut niet bevallen. Het scala aan dichters en gedichten is gigantisch. Als ik dan toch iemand zou noemen, kan ik meegeven dat Leonard Nolens mij heel vaak weet te boeien. En iedereen houdt uiteraard van Herman de Coninck.

Je produceert vrij veel werk. Neem je soms ook de tijd om oudere gedichten te herzien?
Ja, ik neem die tijd wel, maar het kost me altijd vrij veel moeite en emotie om een gedicht te hervormen. Er is een reden dat ik het toen schreef zoals ik het schreef. Om daar later op terug te komen en te denken ‘dit is toch niet helemaal goed’ moet ik vaak diep in mezelf tasten. Soms mislukt het restaureren van een gedicht, soms slaagt het. Het is wel zo dat ik dat schrappen probeer te vermijden.

Hoe zie je de toekomst van je schrijverschap?
Dat is een vraag die ik mij ook vaak stel. De schrijverswereld is heel onvoorspelbaar. Ik blijf mij inzetten om wat ik doe steeds naar een hoger level te brengen, maar voorlopig is mijn houding nog zoals in het gedicht ‘Ik ben geen poëet’. Ik heb geen verwachtingen. Ik doe wat ik doe en hoop daarbij zoveel mogelijk mensen te bereiken.

Geert Jan Beeckman

 

Geert Jan Beeckman Geert Jan Beeckman (1961) werkt als recensent bij tentoonstellingen voor het S.M.A.K. in Gent. Poëzie is voor hem een ziekte waarvan hij niet kan genezen. Hij publiceerde twee bundels bij Uitgeverij P in Leuven en verscheen in verschillende magazines als Het Liegend Konijn, Dighter, Meander en Poëziekrant. Ook belandde hij in een aantal bloemlezingen zoals VSB Poëzieprijs 2013 en Naakt lopen met je hersenen (bloemlezing Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012).