Genieten van de tussentijd in Watou

In de zomer van 2015 lijkt heel Vlaanderen in de ban van de moderne kunst. Kunst overspoelt stadskernen en stranden. Een kleine nederzetting blijft moedig weerstand bieden aan deze overvloed en maakt het leven van de bezoekers aangenaam. Het Kunstenfestival Watou 2015 zet voor de zevende maal zijn deuren open. Yves Joris bezocht voor u deze tentoonstelling en kreeg het niet alleen warm van de zon, die op die dag een nieuw warmterecord brak.

Watou, het ingedommeld dorp aan de Schreve, laat de kunstrel  die zich aan de kustlijn afspeelt aan zich voorbijgaan. Kunst dient om in stilte van te genieten en mag niet vervallen tot een orgiastische publiekstrekker die de gemeentekas moet vullen.  Verstilling en soberheid zijn dan ook de twee kernwoorden van deze ondertussen al zevende editie die onder het motto ‘In de luwte van de tussentijd’ op 4 juli van start ging. Naast kunst en poëzie is Watou ook steeds een moment van stilstaan, van hommage brengen. Grote namen als Herman de Coninck en Leonard Cohen passeerden reeds de revue en dit jaar plaatst de organisatie Remco Campert en Herman Van Veen in de kijker. In het Gemeentehuis hangen drie gedichten van de hand van de 85-jarige Vijftiger.

Credo

ik geloof in een rivier
die stroomt van zee naar de bergen 
ik vraag van poëzie niet meer 
dan die rivier in kaart te brengen

ik wil geen water uit de rotsen slaan 
maar ik wil water naar de rotsen dragen 
droge zwarte rots 
wordt blauwe waterrots

maar de kranten willen het anders 
willen droog en zwart van koppen staan 
werpen dammen op en dwingen 
rechtsomkeert

Met dit gedicht keren we terug naar Camperts beginjaren, waar we een gedreven dichter aantreffen.  Zijn gedichten bevinden zich in gezelschap van werk van de Vlaamse fotografe Géraldine van Wessem (°1984), die in 2010 afstudeerde als Master Beeldende Kunsten aan het Gentse KASK. Haar desolate landschappen vormen niet alleen een prachtige visuele ondersteuning van Camperts poëzie, maar tegelijkertijd tonen ze wat er niet meer is: samen met Sybren Polet is Remco Campert de laatste der Vijftigers. Op 29 juli wordt hij 86, een verplaatsing naar Watou laat zijn gezondheid niet meer toe.

Watou is een ruimte voor tussentijd, de tijd waarin woord en beeld het overnemen van kloktijd. Kronos wordt kairos om het met de woorden van de Nederlandse filosofe Joke Hermsen te zeggen. Dit verglijden van tijd komt ook tot uiting in het werk van Jonas Vansteenkiste. In samenwerking met het artistiek atelier van Mivalti, een centrum voor mensen met een verstandelijke handicap, creëerde hij het werk Regressie.  In de catalogus die bij de tentoonstelling hoort,  wordt verwezen naar Vitruvius, de grootvader van de architectuur, die beweert dat elke creatie moet voldoen aan drie voorwaarden: schoonheid, bruikbaarheid en stevigheid.  Niets van dit alles in echter aanwezig in Vansteenkistes werk. Zijn gebouw is opgetrokken uit was en wordt binnenin verlicht. De warmte van de lampen zorgt ervoor dat de fragiele houten constructie uiteindelijk zijn draagkracht zal verliezen. Het huis dat bescherming biedt, verandert doorheen de tentoonstelling in een vormeloze wasmassa.

Er slaapt een man in huis. Soms noem ik hem de mijne.
Hij neemt fauteuil en ether in, hij snijdt mijn adem af.
Dan sluip ik nors de kamer uit, ze werd te veel de zijne.
Te veel zijn lucht, zijn bloed, zijn brood dat ik wel eten moet.
De hand die ik dan buit en die me steeds weer voedt.

En dat ik zwaarder werd van heupen met de jaren.
Dat is het kind van hem waarop ik eeuwen broed
en wellicht nooit zal baren. Alleen de man zuigt zog,
hij sloeg de diepte wond. Hij scherpt mijn bloedbaan aan
en zet mijn angels klem. Van alle huizen woon ik liefst in hem.

Lut de Blocks titelloze gedicht houdt Vansteenkistes Regressie gezelschap. Wat de dichter met was schept, doet de dichteres over.

Jonas Vansteenkiste, Regressie ©Yves JORIS

Voor grote namen moet je niet naar Watou komen. Subsidies nopen tot creatieve oplossingen, dwingen om keuzes te maken. De bezoekers moeten hier geen namen kijken, maar zich laten onderdompelen in de stilstaande tijd. Maar zelfs in Watou vreet de tijd ongenadig aan het verleden. De betonnen kubus van Stéphane Beel, een lege plek om te blijven, verdween een paar jaar geleden van het marktplein. Het charmante Grensland waar ooit het gedenkmonument van Eddy Van Vliet stond, is nu vervangen door een villa die getuigt van veel geld, maar minder smaak. De voormalige woning van Gwij Mandelinck, de oorspronkelijke organisator van de eerste poëziezomer, is een B&B geworden. 

Locaties komen en verdwijnen, afhankelijk als ze zijn van de grillen van de eigenaars.  Het huisje op de kleine markt is een perfecte omgeving voor het werk van de Nederlandse Ise Schute. Haar visueel dagboek is een persoonlijke database van de voorbijgaande tijd. De muren van het kleine huisje worden als het ware geschraagd door een overdonderende hoeveelheid tekeningen. ‘Schute ziet de wereld als door een camera en isoleert beelden uit de stroom aan informatie die we dagelijks te verwerken krijgen’, lees ik in de catalogus. Een kind staart verwonderd naar de verschillende tekeningen en komt verrassend snel tot de conclusie dat ‘dit’ de mooiste tekening is. Op minder dan een minuut heeft ze uit tientallen werken haar keuze gemaakt en licht deze toe aan haar ouders.

Ies Schute, Sing for the moment ©vzw Kunst

Watou appeleert dit jaar niet alleen aan het zicht, maar ook aan de geur. In het voormalige klooster vergast Peter De Cupere (°1970) de bezoekers op The Scent Reader. In een totaal witte kamer staan bureautjes opgesteld waarop zich een geurenboek en zwanenhals bevinden. Hij nodigt de toeschouwers uit om hun ogen te sluiten en zich te laten wegglijden in de geuren van een verleden. Is het de geur van een karamelbonbon? Ruik ik oma’s wapperende was aan een vergeten wasdraad? Een bijhorend schrift nodigt ons uit om deze geuren of het gevoel dat ze bij je oproepen, te beschrijven. Ik lees de olfactorische reminiscenties van mijn voorgangers. Heel veel herinneringen aan oude mensen en andere dingen die voorbijgegaan zijn.

Peter De Cupere, The Scent Reader, ©vzw Kunst

In de kerk trekt het werk Demon of the Growth II van de Tsjechische kunstenaar Krištof Kintera de aandacht. Zijn kleurrijke installatie bestaande uit tientallen soorten ronde voorwerpen, verbeeldt moleculen die oncontroleerbaar geworden zijn. Hun kleurrijk geweld vormt een schril contrast met de serene kerkomgeving.

Krištof Kintera, Demon of the Growth II, © vzw Kunst

Ondanks het feit dat deze editie van het kunstenfestival als titel de luwte van de tussentijd meekreeg, is het niet gemakkelijk om alle locaties op een dag te bekijken. In het Brennepark heeft men de poëzietelefoontoestellen uit een vroegere editie gerecycleerd. Opnieuw weerklinken dichterstemmen uit de telefoonhoorn. Het is spijtig genoeg te warm om te genieten van hun woorden. Watou is een dorp met een eigen brouwerij en een horeca die een graantje meepikt van dit kunstenparcours. Met andere woorden: tijd om in de schaduw te genieten van een hommelbiertje.

Stil de tijd,
stil de tijd,
stil, stil, stil de tijd.

Deze woorden van Herman Van Veen die ik lees in de eregalerij van de Douviehoeve geven perfect het Watougevoel weer. Maar ik laat Van Veen links liggen. Ik luister liever naar de man in de intieme omgeving van mijn woonkamer dan zijn teksten te moeten lezen in het gezelschap van enkele luidruchtige tentoonstellingbezoekers.  Crash whispers is wellicht het meest gefotografeerde werk van deze editie. ‘Er is een ademend wrak. Er is een tekst. Meer is er niet nodig om de wemelende gedachten te horen van iemand die crasht’. Aanleiding van dit kunstwerk is het auto-ongeval dat schrijver Peter Verhelst in 2014 had. Bij het inhalen van een voertuig reed hij over het losgeraakte wiel van een vrachtwagen met een spectaculaire crash tot gevolg. Verhelst overleefde wonderbaarlijk en schreef er de roman De kunst van het crashen over. Watou zorgde voor beeld bij de woorden. Een autowrak waaruit van tijd tot tijd rook opstijgt, verbeeldt de traumatiserende ervaring van Verhelst. In tegenstelling tot bij Herman Van Veen heerst hier een ingehouden stilte. De aanwezigen willen geen enkel woord missen van de man die er bijna niet meer was.  De ruimte waarin Giuseppe Licari (°1980, Italië) exposeert ruikt naar vochtige aarde. Zijn werk Humus bestaat uit boomwortels die uit de zolder groeien, een ruimte met organische kroonluchters. Als toeschouwer word je door de kunstenaar uitgenodigd om tussen de wortels te wandelen, ze te voelen, te onderzoeken: terug te keren naar de wortels van het bestaan zelf.

Giuseppe Licari, Humus, ©vzw Kunst

Enkele jaren geleden noemde ik Watou nog het feest van de plaatselijke middenstand: het leek dat het festival in de eerste plaats moest bijdragen tot volle terrassen en niet tot esthetische beschouwing. Dat was zoveel jaren geleden. Ondertussen is Watou van een poëziezomer uitgegroeid tot een kunstenfestival waarin poëzie nog steeds een belangrijke rol speelt.  Dapper blijft Watou weerstand bieden tegen de overdaad aan kunstfestijnen die even snel bezocht als vergeten zijn. Daarvoor alleen al is het bijna verplicht om jaarlijks even af te zakken naar dit kleine dorp aan de Franse grens.

De tentoonstelling Kunstenfestival Watou is nog tot 30 augustus te bezoeken.
www.kunstenfestivalwatou.be

 

 

Recensie van samen apart - Sven Staelens

Een eigen stem

Sven Staelens
samen apart
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2015
ISBN 9789490401238
€ 15,-
62 blz.

Het is warm in de café De Nieuwe Vrede in Berchem waar de afgestudeerden aan de Antwerpse SchrijversAcademie op 26 juni uit hun eindwerk voorlezen. Sven Staelens lijkt een beetje nerveus wanneer hij het podium betreedt. Nochtans is hij als docent wiskunde gewend om voor een publiek te staan. Ditmaal is het echter anders: geen wiskundige bewijzen of axioma’s maar woorden die uit het hart komen. Van op een krukje in het café kijkt zijn echtgenote bewonderend toe: samen apart.

Gastheer van de avond en coördinator van de SchrijversAcademie, Xavier Roelens, nodigt na afloop van Staelens’ voordracht de aanwezigen uit om diens eersteling aan te schaffen. Inderdaad, afgestudeerd en onmiddellijk uitgegeven worden, het overkomt weinigen. Binnen deze traditie volgt Staelens in de voetsporen van andere oud-studenten van de SchrijversAcademie als Runa Svetlikova en Kris Van Steenbergen.

Staelens omschrijft zijn werk zelf als gesamplede poëzie. Hij gaat aan de slag met bestaande gedichten en schept opnieuw poëzie. Goedkope gimmick of doordachte taalcreatie? Staat u me toe om enkele gedichten onder de loep te houden.

Wens

Een lege plek. Een huis van rook.
Een wens. Een vrouw. En nog een wens.
Het zompige drogbeeld.

Zolang ik slapend in vuil ondergoed

de openbrekende
droom beheerste,
achtervolgde ik een grens.

Een vrouw.
En een wens.

Ondanks de – op het eerste zicht – gemakkelijke taal, is het gedicht niet bij de eerste lectuur toegankelijk. Is de lege plek waarnaar de dichter verwijst dezelfde waarin Kopland wil blijven? Bij Staelens is de lege plek een doembeeld, geen plek van rust. Daar zorgt een huis van rook wel voor. Een huis is normaal een fundament om te blijven, om een leven op te bouwen. De dichter herleidt deze standvastigheid tot een vluchtig gegeven. Let daarna ook op de dualiteit van ‘wens’ en ‘vrouw’. Is de vrouw zijn wens, of is er een fundamenteel gemis waardoor er naast de vrouw een wens blijft bestaan. Ik vermoed dat het gemis overheerst want nog in dezelfde versregel herhaalt hij de wens nogmaals. Dit is geen vrolijk gedicht. Zompig, drogbeeld, vuil ondergoed. Concrete en abstracte beelden walsen in een bedrukte rondedans. 
Maar omdat ik een beter zicht wilde krijgen op de gesamplede poëzie legde ik de vraag voor aan de dichter zelf.

Ui

Ik kan een raadsel niet misbruiken
en daarna als iemand die van verveling
eten kan je rok in mijn vuist zuigen.

Ik kan geen generaties rozen doden
noch een stem tekenen op mijn tong
die afpelt als een vuile vorm van toon.

Wat ik wel kan: van je drinken
tot mijn bloed klinkt als kalk.
In je mond bijten als in een ui.

Dit gedicht dankt zijn ontstaan aan ‘Inblazing’ van K. Michel en ‘Hemelbed (het mijne)’ van Peter Verhelst. Toeval of niet, maar deze gedichten bevinden zich naast elkaar in Jozef Deleu’s Groot Verzenboek. Staelens omschrijft zijn proces als volgt: ‘Ik liet mijn blik over de gedichten, over de woorden glijden, koos een beginwoord en zigzagde door de tekst op zoek naar andere elementen om mijn tekst te schrijven. Na enkele combinaties (schrappen of eventueel opnieuw beginnen inclusief), kreeg ik meestal een beeld van de mogelijkheden. Ik bleef schrijven tot het gedicht een min of meer definitieve vorm had gekregen.’ Staelens stuurde me als bijlage ook de originele gedichten mee en ik kreeg er een dubbel gevoel bij. Langs de ene kant is het gemakkelijk om vanuit bestaand werk te vertrekken en je daarop te laten inspireren, maar langs de andere kant is het veel meer. Ik herken nog wel tekstflarden en woorden maar Staelens heeft er een totaal eigen invulling aan gegeven. Daarom besloot ik het gedicht opnieuw te lezen, maar dan zonder deze achtergrondkennis.

Qua vorm speelt de dichter in de eerste twee strofes met een negatie om dan in de laatste strofe al zijn demonen te ontketenen. In de eerste strofe ontregelt de laatste versregel. Ik vroeg me meermaals af of een komma geen oplossing zou geboden hebben, maar ik moet het antwoord schuldig blijven. Waar ik het wel moeilijk mee heb is de combinatie verveling eten kan. Dit is niet correct. In de context van het gedicht zou ik kan verwachten bij zuigen en niet bij eten. Uit verveling ga je obsessief eten, kunnen heeft hier dan geen enkele waarde. In de tweede strofe overheersen twee totaal andere beelden die ook hier weer voor verwarring zorgen. Wie heeft er al ooit een roos gedood? En dan vooral een generatie rozen. Met deze personificatie slaagt Staelens er perfect in om mij te laten stilstaan bij dit beeld. Ook de getekende stem op zijn tong is een meer dan geslaagd beeld, waarbij hij een ontastbaar gegeven (stem) omtovert in een concrete vorm (tekenen). In de derde versregel is naar mijn mening net iets teveel moeite gedaan om begin- en middenrijm toe te voegen, waardoor klank wint van inhoud.  De derde strofe is voor mij te abstract. Bloed dat klinkt als kalk en in een mond bijten als in een ui? Ik kan me er weinig bij voorstellen, maar het klinkt in ieder geval mooi.

Voor de meeste gedichten in deze bundel gelden bovenstaande opmerkingen. Staelens tovert prachtige zinnen uit zijn pen (‘je vlees verdween in mijn heden’, ‘op de wenteltrap van werkelijkheid’), maar soms gaan de woorden met hem aan de haal. Ligt het aan de samplemethode waardoor hij zichzelf in een keurslijf moet wringen, of wil hij nog teveel zeggen in te weinig woorden? Momenteel krijgt deze debutant het voordeel van de twijfel, maar ik hoop dat hij snel zijn eigen stem vindt, want die zal mooier klinken dan de samples van anderen.

***
Sven Staelens (1979) schrijft proza en poëzie. In 2015 rondde hij de SchrijversAcademie Antwerpen af. Samen apart is zijn debuutbundel, hier te bestellen.

Recensie van Blakte - Guido De Bruyn

Twee lege flessen en een schaaltje

Guido De Bruyn
Blakte
Uitgever: Uitgeverij P
2014
ISBN 9789491455513
€ 17,95
67 blz.

Guido De Bruyn (1955) geldt als ‘geheimtip in de Vlaamse poëzie’.  Hij won in 2012 en 2014 de poëzieprijs CC Boontje, was tweemaal laureaat van de Klara-poëzieprijs en ook zijn verhalen werden meermaals bekroond. In 2004 verscheen zijn debuutbundel Het achterwerk van het geluk, gevolgd door zijn vertaling van Shakespeares Sonnetten in 2006. Zijn bundel Het huis Augustus (2007) werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs. In 2010 verscheen Een steen in Lissabon, nog geen jaar later gevolgd door Apenverdriet (2011). Ondanks de talrijke nominaties is er op het internet weinig te vinden over deze man. Tijd om er verandering in te brengen.

‘Blakte’ is volgens het woordenboek een vlakke, bewegingsloze uitgestrektheid of een windstilte. De lezer verwacht dus ingetogen poëzie die de pagina’s waarop ze gedrukt werd, nauwelijks durft te beroeren uit angst deze gewijde stilte te doorbreken. De twee thema’s van de bundel, afscheid en schoonheid, leunen dan ook perfect aan tegen deze windstilte. Hoe mooi dit beeld ook mag zijn, het werkt tegelijk beperkend en vooral beklemmend. Het beeld van Flanders’ Field met de wiegende klaprozen brandt zich op mijn netvlies en blijft tijdens de lectuur van de bundel steeds weer opduiken. Dit vooroordeel is echter ten onrechte. De bundel is gelukkig veel meer dan een zoveelste poging om een graantje mee te pikken van de Groote Oorlog.

De bundel is onderverdeeld in vier delen: grondverf, via tintoretto, oefeningen in schoonschrift en wolfskwint. Deze laatste verwijst naar een onzuivere toonafstand in de muziek en is tevens de titel van een van de gedichten:

wolfskwint

als laatste wens koos hij de volle kelk
van haar gelui: haar ui van brons,
gepeld in decibels.
nog eenmaal wou de beier horen
de triomf van wolfskwint, reine kwart,
dikke jacqueline.

men bracht hem op een hondenkar.
boven het geratel zijn versteende grap
over paaseiland, waarop de zeven apen daar
naar zee kijken, en zouden blijven kijken
ook als hij er niet meer was.

wij lachten voor het eerst, zoals het hoorde.
toen was het tijd voor dikke jacqueline.
van haar, die normaal van dopen sprak en
van  de jaarlijkse verrijzenis, klonk nu
gejubel zwart.
de beier in de hondenkar genoot.
ons ontging de wolfskwint, reine kwart.

 

Wat onmiddellijk opvalt is het gebrek aan hoofdletters zonder bepaalde reden. Ontbrekende hoofdletters gaan meestal samen met afwezigheid van interpunctie. Niets is minder waar bij De Bruyn. Hij gebruikt immers veelvuldig leestekens om het ritme van zijn gedicht te bepalen. Verder maakt de dichter het niet gemakkelijk door het gebruik van een specifiek jargon. Een aandachtige lezer heeft wel onmiddellijk door dat het gedicht de laatste ogenblikken van een oude beiaardier  verhaalt, maar het specifieke taalgebruik sluit het gedicht. En dat is spijtig, want De Bruyn dicht met een penseel waardoor hij een levendig beeld schetst, maar tegelijk legt hij teveel nadruk op techniek van het schilderen en niet op het eindresultaat. Als lezer haak ik af bij deze overdaad aan uitleg.

Dat is spijtig want Blakte bevat wel degelijk pareltjes van observatie. In ‘ars morandi’ is schilderkunst, zoals de titel al doet vermoeden, opnieuw prominent aanwezig. Hier zoomt De Bruyn opnieuw in, maar ditmaal zonder te vervallen in uitleggerigheid.

ars morandi

twee lege flessen en een schaaltje
waarop zich een citroen bevindt.
dat is het.
geen ansichtkaart, geen krijsend zwerk,
geen jubelkleuren.
hier staat op het eerste gezicht
niets te gebeuren, dit is het nulpunt
van het alledaagse.

pas in de coulissen van het schilderij
geeft zich het spektakel prijs:
in de nagalm van citroen en schaaltje,
een les in diepte zonder donkerte.
hoe welsprekend plots het zwijgen
van een schaduw, van leegte
in een fles.
hoe zondags nu dit schilderij.

 

Het is duidelijk dat de dichter in dit gedicht de mosterd haalt bij de Italiaanse meester van het stilleven, Giorgio Morandi. Net zoals de schilder slechts enkele alledaagse gebruiksvoorwerpen nodig heeft om tot zijn verstilde kunst te komen, zo heeft ook de dichter in dit geval amper woorden nodig om een verpletterende indruk na te laten. Wat is het verschil met het eerste gedicht? Dat de lezer wel toegelaten wordt. De dichter beschrijft wat de kunstenaar schildert: pen en penseel in perfecte symbiose. Het doet denken aan een andere dichter van de uitgepuurde taal, Roland Jooris die het zo mooi omschrijft in zijn gedicht ‘Minimal’:

Minimal

Vogel wipt. 
Tak kraakt. 
Lucht betrekt.

Bijna niets 
om naar te kijken 
en juist dat 
bekijk ik.

 

Deze uitpuring van de taal bereikt een hoogtepunt in het onderdeel ‘Oefeningen in schoonschrift’, waarin woord en beeld elkaar afwisselen en versterken. Instagramachtige foto’s met veel schaduwbeelden en lijnenspel, voorbijgangers meestal met de rug naar de camera, desolate landschappen illustreren wat de dichter met blakte bedoelt.

broer

omdat hij dood is maakt hij me elke nacht weer wakker
net als vroeger roept hij mij hem in te halen
tot ik hem net niet aan kan raken

 

Fabres kunstwerk dat naar de vlakte staart, een zwarte schaduw prominent aanwezig zonder op enig moment uit de anonimiteit te treden. Samen kijken ze in de verte, beeld en mens, licht en donker, levend en dood: foto en gedicht die elkaar opnieuw vinden en versterken. Deze korte gedichten zijn haiku’s in geest, maar niet in vormvaste letter. Hier is De Bruyn op zijn sterkst. Net zoals Morandi heeft hij weinig nodig om een groots beeld te scheppen. Tijd om de Bruyn en vooral zijn poëtisch werk te leren kennen.

Recensie van Geld - Arnoud van Adrichem

Op zoek naar de wolf van Wall Street

Arnoud van Adrichem
Geld
Uitgever: Atlas Contact
2015
ISBN 9789025445423
€ 21,99
96 blz.

  
Less is more. Toch schrok ik even toen ik in De Morgen de recensie van Paul Demedts las van Van Adrichems bundel. Je kunt best tevreden zijn dat een van de grootste kranten van Vlaanderen aandacht aan je bundel besteedt, maar in zes luttele regels krijg je weinig verteld. Met Geld bewijst  Arnoud van Adrichem in ieder geval opnieuw een ongewone eend in de poëziebijt te zijn.
There is no money in poetry, but then there is no poetry in money, either. Deze woorden zijn afkomstig van de Engelse dichter Robert Graves, wellicht bij ons het meest bekend om zijn historische roman I, Claudius.  Van Adrichem gaat in zijn derde bundel de uitdaging uit te bewijzen dat er wel degelijk poëzie zit in geld, en dan nog wel in de wereld van de Haute Finance. De bundel telt slechts acht gedichten en toch slaagt Van Adrichem erin om meer dan 80 bladzijden gevuld te krijgen.
Wat bij eerste lectuur opvalt, is de lay-out. Sommige gedichten zijn uitgepuurd tot slechts enkele woorden per versregel, terwijl andere gerust prozapoëzie genoemd mogen worden. Vul dit geheel nog aan met haiku’s en je hebt net zoals bij de beurs elementen die naar alle kanten kunnen uitwaaieren.

Hallo, goedemorgen.
Lang niet gezien.
Is uw behuizing afbetaald
inmiddels?
Een vraag, een zaag.
Zo begint elke ochtend
steeds eerder
met een middelvinger.
Achter de deur
staat uw antwoord klaar,
met een glimmende honkbalknuppel.
We kennen dat.
Waterleidingen zingen
inflatoire balladen.
Met betraand oog
roffelt uw wasmachine
een dodenmars.
(…)
In duizenden voortuinen
liggen polissen en kredieten te roesten
als achtergelaten fietsen.
TE KOOP-bordjes schieten
allerwegen uit de grond
(…)

Zo opent de bundel met het gedicht ‘Dagprogramma’ dat nog ettelijke pagina’s lang voortraast. Op het eerste zicht geen spectaculaire poëzie, maar eerder een alledaagse observatie. Laat je echter niet misleiden door de eenvoud van deze verzen, want van Adrichem dwingt je om na te denken over wat je leest. Zie jij al iemand bij de eerste ontmoeting vragen of zijn huis al is afbetaald? Of meer nog: zijn behuizing. Je weet perfect wat de dichter met deze woorden bedoelt, maar is de situatie alledaags en de inhoud van de vraag? Zeker niet. Even subtiel gooit hij daarna de versregel ‘Een vraag, een zaag’ ertussen. Naast het voor de handliggend eindrijm valt hier ook het waardeoordeel op. De vraag levert geen rechtstreeks antwoord op, een opgestoken middenvinger zegt voldoende. Er gaat iets dreigends uit van de honkbalknuppel achter de deur: alsof men iemand verwacht die men liever niet ziet komen. Met poëtische observatie zoomt de dichter steeds verder in op zijn omgeving: het betraand oog van de wasmachine, de polissen en kredieten in duizenden voortuinen. Het gaat niet goed met de omgeving die Van Adrichem beschrijft, en ze zijn met velen. Ondanks de beschrijving van de troosteloze situatie, verliest de dichter nooit zijn poëtische opdracht uit het oog. Wat denk je immers van de hypallage waarin niet de fietsen maar de kredieten roesten?

Kruis of munt?
Rijkman laat het lot bepalen welke bank hij zal leiden.
Er hangt zwaarte in de lucht, een stapelwolklijvig
verlies. Alsof de hemel op het punt staat uit te barsten.
Niet in regen, maar in felle kleuren op trompetgeschal.
Of een of andere onzichtbare waarheid uit zijn jeugd.
Het door zonlicht beboterde muntje wentelt omhoog,
hangt een tel biddend in het ijle, alsof het zich oplaadt
met Rijkmans toekomst. Wij worden er draaierig van.
Het muntje oscilleert nog een keer, zet de afdaling in,
ketst af op zijn hand en valt op de grond. Welke kant?
Nog eens tossen.

Van Adrichem neemt ons mee doorheen de opkomst en val van zijn fictieve personage Rijkman. Bij diens introductie verandert ook de vormgeving van het gedicht. De regels worden gebalder, concentreren zich binnen woordenblokken die elk moment uit hun voegen kunnen barsten.  Poëtische overpeinzingen wisselen af met nuchtere beschrijvingen van deze wolf van Wall Street. Een knappe constructie die voor mij spijtig genoeg niet altijd werkt. Op het ene moment verlies ik me in de zachtheid van het woord ‘stapelwolklijvig’, terwijl enkele seconden later het gratuite ‘Nog eens tossen’ me teleurstelt.  Bij de lectuur heb ik steeds het gevoel op twee benen te moeten balanceren; beschrijving, links, poëzie, rechts. Steeds weer opnieuw. Het klopt inderdaad: je wordt er draaierig van.
Driemaal duikt er een sectie haikugedichten op, onder de noemer ‘(Afschrijvingen)’:

U sluit af met winst.
Het zevende vette jaar,
blauw als kreeftenbloed.

of

U kaart om een Porsche
en verhoogt de inzet met
uw tienerdochter.

De lectuur verwart me. Ik heb constant het gevoel dat ik niet begrijp wat de dichter me wil vertellen. Hoe verder ik binnendring in het leven van Rijkman, hoe meer dit gevoel begint te overheersen. Ik ben niet deelachtig aan het geheel, maar sta achter gepantserd glas toe te kijken. Wellicht is dit de bedoeling van Van Adrichem om zo de ongenaakbaarheid van Rijkman te accentueren en dan is hij in zijn opzet geslaagd.
Geld laat niemand onberoerd is een veelgehoorde cliché. Geld de dichtbundel voldoet voor mij niet altijd aan deze verwachting.

***
Arnoud van Adrichem (1978) is dichter en redacteur van DW B en De Reactor. Hij debuteerde in 2008 met Vis en in 2010 verscheen Een veelvoud ervan. Zijn werk werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en de J.C. Bloem-poëzieprijs; hij ontving de Hugues C. Pernathprijs en het Charlotte Köhler Stipendium.

Recensie van De benen van de hemel - Peter Theunynck

Bomen en bommen

Peter Theunynck
De benen van de hemel
Uitgever: Wereldbibliotheek
2014
ISBN 9789028426023
€ 19,95
80 blz.

Bijna een maand geleden, op 8 oktober, liep de kelder van de Antwerpse boekhandel De Groene Waterman vol. Jong en oud verdrongen zich om een laatste stoel te bemachtigen. Wie geen stoel had, leunde vol verwachting tegen de bakstenen keldermuren. Een oudere laatkomer kreeg onmiddellijk een stoel aangeboden door een jongere – elementaire beleefdheid in tijden van groeiend egocentrisme. Peter Theunynck, de dichter voor wie men in groten getale was afgezakt, keek aangenaam verrast toe en zag dat het goed was.  De voorstelling van zijn bundel De benen van de hemel kon die avond niet meer stuk.

Dichteres  en goede vriendin van de dichter, Lies Van Gasse, leidt de dichter in. Ze noemt De benen van de hemel geen dichtbundel maar een papieren, geletterd bos. Eiken, olmen, iepen: meer dan twintig boomsoorten treden op de voorgrond in deze bundel. In elk gedicht ritselt wel ergens een twijg of blad of duikt een landschap op waarin bomen, struiken en bloemen een prominente rol spelen. Naast bomen spelen bommen een belangrijke rol: in het werk van Theunynck is de oorlog ook nooit ver weg. In het tweede deel van de bundel, dat de passende titel Flanders Fields meekreeg, neemt hij de lezer mee naar het slagveld van de Eerste Wereldoorlog.  De Westhoek en zijn protagonisten vormen naast bomen een tweede rode draad in deze bundel.

KITCHENER

Jij rattenvanger van Hamelen
lokte een heel eiland op straat.
Bij bosjes kwamen de jongens

naar buiten. Net hobbelpaard
en meccano ontgroeid. Net
weg uit hun communiefoto.

Op slag was iedereen achttien.
Nooit hongerde men zo naar dood.

Brieven van moeders,
heldenmoed van maten,
noch identificatieplaatjes

voorkwamen dat de aarde
hen voor altijd aanvaardde.
Er was veel fantasie voor nodig

om die zonnige zomer zin te geven.
Postbodes draaiden overuren.

Lord Kitchener was tijdens de WO I de Engelse minister van oorlog. In deze hoedanigheid werd de voormalige oorlogsheld het gezicht van een lange strijd die ontelbare mensenlevens kostte.  Als voorloper van Uncle Sam’s I want you, riepen posters met het hoofd van Kitchener Engelsen op om in dienst te komen.  Jonge, idealistische mannen gaven massaal gevolg aan deze oproep. Ze waren immers van mening dat de oorlog slechts enkele maanden zou duren en dat ze als helden naar het fiere Albion zouden terugkeren.  Hier begint het gedicht van Theunynck die een duidelijk verband ziet tussen Kitchener en de rattenvanger uit de sprookjes van Grimm. Kinderen worden achteloos weggelokt uit hun vertrouwde omgeving om nooit meer terug te keren. 

Met oog voor detail zoomt de dichter in op de iconen van een verloren kindertijd: meccano, hobbelpaard en een obligate  communiefoto.  Slechts één versregel verder zijn de kinderen mannen. Woordspelingen zijn een vast onderdeel in het werk van Theunynck. Ook hier verwijst op slag subtiel naar zowel de plotse overgang van kind naar man als naar het slagveld waarvan weinigen terug zullen keren.  Als een volmaakte koorddanser houdt Theunynck een perfecte balans tussen taal en inhoud. Naast de reeds eerder vermelde woordspelingen dwingt hij met begin-, midden- en eindrijm zijn woorden tot een gestructureerde taalcadans: moeders, heldenmoed en maten, zonnige zomer zin zijn slechts enkele voorbeelden.

Ook Boom met botten komt uit het gelijkaardige hoofdstuk. Is er een betere manier om de waanzin van een oorlog, de nutteloosheid  ervan aan te kaarten dan met vraagtekens? Elke zin, een vraag. Elke versregel stelt de zin in vraag. Spijtig genoeg vermeldt Theunynck achter de titel de naam van de kunstenares. Was deze duiding nodig? Het lijkt wel dat hij schrik heeft dat we bij gebrek aan duiding zijn gedicht niet zouden verstaan. Hierdoor beperkt hijzelf de kracht van zijn gedicht, want nu lees ik de versregels met de pregnante paardeninstallaties van De Bruyckere in het achterhoofd. 
 

BOOM MET BOTTEN (Berlinde de Bruyckere)

   I

Waarom hangen de paarden hier in de bomen?
Waarom worden wolken verspild en kleine vissen? Waarom
zwijgt pijn in plaats van zingend de rekening te vereffenen?

Kan kreupelhout wandelen in de avondzon?
Kan een been plots in blad komen?
Kan een bloedend bot een vuur ontsteken?

Moet Sebastiaan de pijlen niet uit zijn lijf trekken,
de gaten stoppen met plamuur
en daarna hard en ongenadig uithalen?

   2

Kan een boomfantoompijn voelen?
Kan hij bloeden uit zijn wonden?
Kan een houten mond de nachtzuster roepen?

Zijn er klinieken voor gekwetste eiken?
Bedden voor bejaarde beuken?
Danszalen voor demente olmen?

Kan hij verraden worden door zijn vrienden?
Kan zijn moeder hem omzwachtelen, aanbidden?
Kan hij opstaan uit de dood en halleluja roepen?

Nog tot  15 februari loopt er in het Gentse S.M.A.K. een tentoonstelling met werk van De Bruyckere, dat als kernmotief de kwetsbaarheid van de mens heeft.  Net naar deze kwetsbaarheid verwijst Theunynck in zijn vraaggedicht. Maar de paarden zijn slechts een excuus om dieper in te zomen op de natuur die evenzeer lijdt maar als collateral damage amper aandacht krijgt.  Door de natuur in bovenstaande gedicht te personifiëren roept de dichter vragen op waarbij de lezer noodgedwongen blijft stilstaan. Zijn de bomen werkelijk bomen of vormen ze op hun beurt de verpersoonlijking van het menselijk oorlogsleed?
 
Maar deze bundel beschrijft niet alleen de oorlog. Ook familie en persoonlijke omgeving komen aan bod. Ook hier spelen bomen een belangrijke rol. In onderstaand gedicht duikt zijn vader op. Maar ook hier weer zorgen bomen voor de metaforische beschrijving van de familieband.
 

REGENERATIE

Toen de wereld nog jong was en wij
niet oud genoeg om te sterven,
plantte een vader een boom.

Later beklom een zoon
langs de takken de lucht.
Stilde zijn honger naar hoger.

Nu dalen de wortels
naveldiep in de vader.
Nu klautert de nacht

in de takken , de zakken
vol larven. Laat ze
ontpoppen tot licht.

Lichter dan daar is het zelden.
Zo zaait een vader nu vlinders
over het hoofd van zijn nazaat.

 
Peter Theunynck heeft reeds een serieus oeuvre bij elkaar geschreven waarvan Berichten van de Pan American Airlines & Co uit 1997 wellicht zijn bekendste is.  Dat de dichter zijn inspiratie haalde bij het beeldend werk van Panamarenko zal daarin wel een belangrijke rol gespeeld hebben.
 
Het mooiste gedicht in de bundel blijft voor mij de ode van Theunynck aan de Russische dichter Joseph Brodsky:
 

SAN MICHELE. DODENEILAND
 
Bijna iedereen op de vaporetto gaat naar Murano:
 
de reus op krukken, zwemmend in zijn zwarte anorak,
de dame met een Cadillac van een zonnebril op de neus,
het hondje dat ongegeneerd van leer trekt tegen haar been,
die misericordia van kleverige gelati’s,
het heertje met het jagershoedje en het wapperende veertje
en al die Amerikanen, vinger aan de knop,
om al wat beweegt in vogelhuisjes te vangen.

Het buitendek is een blozende roos.
Op hoge hakken reikt het bloeien hoger.
Ze danst van de ene stengel op de andere alsof
ze walst naar de overkant. Zij gaat met ons aan land
in San Michele, dodeneiland, waar het water zo lang
op de kade inpraat tot de stenen uit de muren springen.

Ze wandelt langs cipressen op olifantspoten
onwankelbaar onder het gieren
van de tijd, langs torenhoog vergeten,
langs marmerwitte nachtjaponnen,
voorbij het Griekse kerkhof waar Igor zijn Vera
voor eeuwig weerspiegeld ziet in steen.

Ze huppelt langs grafkapellen in steigers, langs militairen
stijf in het gelid, professoren van het memorabele,
koks van dagelijkse kost, dokters van het geheimzinnige,
die in kale kamers doodvonnissen prevelden.
Langs kinderweides vol ontijdig uit het veld geplukte –
het ontroostbare druipt nog elke dag van de grafschriften.

Ze schrijdt de Recinto Evangelico binnen. Dag Tine van te veel geleden.
Dag Ezra, betere ambachtsman, in de soberste sponde ooit.
Roos ruikt doel. Daar bij die glasheldere steen in dat jubelperk,
daar houdt heer Brodsky spreekuur. ‘Letum non omnia finit’
fluistert hij uit onbegonnen werk. Ze legt zich in zijn schaduw.
Ze danst zijn lof en wiegt zijn glorie. Ze reciteert John Donne.
Ze strooit de herfstkreet van de havik als verse blaadjes over de lagune.

Niet iedereen op de vaporetto wil naar Murano.

 
Ik hoor dit gedicht voor de eerste keer toen Peter Theunynck op Gedichtendag zijn pleidooi hield voor de poëzie. Tijdens de voordracht van dit gedicht kraakten eeuwenoude houten balken van de Antwerpse erfgoedbibliotheek instemmend. Ik raakte geïntrigeerd door dat meisje dat zo recht op haar doel afgaat. Ik stel ze me voor in een wit zomerkleedje met gekleurde bloemen, open sandalen, spontane schoonheid die te pril is om het zelf al te beseffen. Een nachtegaal die voorbij het graf van Stravinsky zweeft, eerbiedig knikt bij het graf van Multatuli’s echtgenote Tine om dan halt te houden bij Brodsky. De dood eindigt niet alles, herhaalt zij Brodsky’s versregel. Een versregel die ervoor zorgt dat hij onsterfelijk wordt.  Dit is een gedicht dat je toelaat om steeds dieper te graven. Is het een gedicht over een plek? Over onsterfelijkheid? Over de grote doden uit de kunst? Sterke poëzie zorgt dat we deze vraag nooit hoeven te beantwoorden.
 
Bovenstaande gedichten uit De benen van de hemel tonen dat Theunynck nog lang niet uitgeschreven is. Subtiel als de natuur die hij beschrijft, strooit hij woorden uit die zich aarden in de papieren vezels van deze nieuwe bundel.  Met deze woorden beschrijft hij oorlogsleed, familierelaties en observaties uit verre landen. Hij dwingt ons om stil te staan, te luisteren, te observeren. Wellicht is het nu nog het moment om met de bundel het bos of park in te trekken en zijn woorden uit te spreiden tegen het subtiel kleurende gebladerte in de laatste herfstzon.
 
De vele aanwezigen in de kelder van de Groene Waterman hadden gelijk. Met De benen van de hemel heeft Peter Theunynck opnieuw bewezen een dichter te zijn waarmee men rekening moet houden in deze haastige tijden.
 
***
Peter Theunynck (1960) is tekstschrijver, biograaf van Karel van de Woestijne en dichter. Bij Uitgeverij Wereldbibliotheek verschenen eerder de bundels Man in Manhattan (2003), Traangasmaatschappij (2006) en Naar een nieuw zeeland (2010).