Recensie van Splintervlerk - Marlise Joubert

ek wil by jou wees lyf

Marlise Joubert
Splintervlerk
Uitgever: Protea Boekhuis ,Protea Boekhuis ,Protea Boekhuis ,Protea Boekhuis ,Protea Boekhuis
2011
ISBN 9781869194727
€ ±12,50 (140 rand)
96 blz.

Marlise Joubert (in 2008 voor Meander uitgebreid geïnterviewd door Sander de Vaan) schreef met Splintervlerk haar zevende dichtbundel. Meer dan ooit ging ze uit van persoonlijke ervaringen, in dit geval van ziekte en herstel.
Er zijn drie afdelingen. In ‘winterklou’ (12 gedichten) staat de rugoperatie centraal die ze moest ondergaan (het gedicht ‘lumbale mikrodiskektomie’ geeft dienaangaande de medische informatie), schrijft ze over de hulpeloosheid die ze daarbij voelde en laat ze gedachten over sterfelijkheid toe. Door te spreken van ‘klou’ maakt ze wat haar overkomt extra bedreigend, maar ze ervaart in die periode ook de nabijheid van haar geliefde.
In ‘rugkaatsing’ (14 gedichten), met de wat makkelijke woordspeling ‘rug /terug’, is er sprake van herstel, wat ruimte geeft aan allerlei herinneringen die helpen haar weer mens te maken.
In ‘dryfgoed’ (24 gedichten) heeft zij haar vrijheid herwonnen en haar leven volledig terug, niet alleen als vrouw en kunstenares, maar ook als iemand met maatschappelijke betrokkenheid.

In het openingsgedicht beschrijft Joubert hoe zij haar leven lang geprobeerd heeft de duivel van ziekte en zeer op afstand te houden, maar zich realiseert nu niet te kunnen ontsnappen. De dreiging is groot:

die aarde weet dit

[…]

nou sien ek hom: bek gesper
die gifgroen spleet in die vuurpyltong
hy was maar altyd daar

[…]

vannag sien ek hom die eerste keer
sy arms angel sekuur
sy borst word ‘n aardbewing
waarin my jare stukkend tuimel
die reuk van swael omring my reeds

in hierdie intensiewe folterkamer
sien ek hom genadeloos deur mure grinnik
van nou af word hy intieme kennis
‘n gousiektebos met die waansin
in sy oë as hy inskeur en my
al hoe rouwer skuur

[…]

De dreiging is zelfs zó groot, dat zij met moeite de twijfel bezweert aan de zekerheid van haar liefdesrelatie: ‘Wil ek glo/ dat jy vir my sal wag/totdat my sinne/ wer seningglad loop// […]/ wil ek glo móét ek glo/ dat jy iewers op my wag’.
Joubert beschrijft uitvoerig hoe zij de operatie heeft beleefd en ‘behandelt’ verder de periode daarna op de ‘enkelkamer’ en op zaal, het bezoek van haar vitale oude moeder, de hunkering naar huis en de belofte die het ontslag inhoudt: ‘nie elke afskeid het ‘n terugkeer nie/ nie elke rit ‘n aankoms nie// maar môre ja môre/ sal alles wórd’. Grote poëzie is het niet, daarvoor is het te anekdotisch en te particulier, maar zij slaagt er wel in de lezer voor haar persoon te interesseren, waardoor deze afdeling toch onderhoudend is.

In het tweede deel zijn we ‘tuis’, dat echter pas zijn vertrouwdheid terugkrijgt, als haar bestaan door de geliefde wordt bevestigd: ‘ek weet slegs dat jy/ die enigste is/ wat ek wil bewoon’. Parallel met haar aanvankelijke moeizame lichamelijke herstel loopt haar poging weer tot dichten te komen, maar zolang zij niet loopt, lukt haar dat niet. Pas als de intimiteit met de geliefde is hersteld (‘ons slaap weer teen mekaar/ wang teen wang: twee vliesige/ blomme in ‘n broeikas gekweek’) en zij in ‘trooslied vir die lyf’ de beperkingen van het ouder wordende lichaam heeft geaccepteerd, is zij in staat letterlijk en figuurlijk stappen vooruit te zetten. Via reisherinneringen aan Cambridge, Brugge, Antwerpen, Praag en een onbenoemd gebleven stad die wel Amsterdam moet zijn, komt zij tot leven. Dit wordt bevestigd in de laatste gedichten van deze afdeling, die betrekking hebben op geboorte en deels eigen kindertijd.

In de slotafdeling is haar persoonlijke orde vrijwel hersteld, vandaar ‘sin’ als eerste gedicht: ‘wag vir die eerste/ puntige sin// om ‘n gedig soos ‘n boontjie/ uit die skil te lig// […]// ek soek na ‘n woord/ wat wegkruip onder vlerke’. Gelijk op gaat haar schilderwerk: ‘na maande vloei die verf weer,// haar verlange geprojekteer/ soos flaminke wat op dun grafietbene dans,// met gelapte vlerke/ gehoorzaam teruggevou’.
Volgen gedichten die het schilderen tot onderwerp hebben en je zou kunnen zeggen dat met de ‘ode aan die gefolterde lyf’ het centrale thema van de bundel wordt afgerond: ‘ek wil by jou wees/ lyf’.

In de gedichten die resteren, gaat het over ouder worden en liefde, komen familiecontacten aan de orde, zijn er natuurbeschrijvingen. Je veert als lezer op, als Joubert een duidelijk maatschappelijk aspect introduceert. De eerste keer gebeurt dat als zij een lange, symbolische wandeling beschrijft waarin zij dwaalt tussen ‘krotte’ en ‘agterstrate’, terugloopt, omdraait, wegvlucht en herhaaldelijk vaststelt ‘ek het genoeg gesien’: ‘want in hierdie land is die wonde van dood/ en verlies ons alma mater, hier grawe ons die nag/ leeg met tuisgemaakte bomme./ hier groei rook soos ‘n boom bo elke dak.’

Bepaald onheilspellend is het gedicht ‘Kerberos’, dat suggereert dat de hellehond de duivels uit de onderwereld niet lang meer zal weerhouden uit te breken en zij dan geen weerstand zal weten te bieden. In de erop volgende gedichten gaat zij verder in op de toestand van haar land en constateert o.a. ‘Afrika bewaar sy bates nie’. Zorgwekkend zijn misdaad en geweld: ‘ons bring helfte of driekwart/ van ons lewens in die bed deur./ maar ons sterf deesdae/ al hoe minder/ daar.’ De Zuid-Afrikaanse samenleving worstelt met de complexe problematiek van criminalitiet, werkeloosheid, etnische haat, slecht onderwijs, incompetentie van bestuurders, de kloof tussen arm en rijk, corruptie en nog zo het een en ander, en dat alles maakt het land tot wat Joubert noemt een ‘hartzeerland’. (de term is van Joubert zelf). Op dit moment zou je kunnen denken dat haar eigen gewondheid misschien een metafoor was voor wat zij in de samenleving constateert, maar dat lijkt toch geen bewuste correlatie te zijn geweest.

De bundel sluit af met enkele mooie liefdesgedichten. Het slotgedicht bewijst hoe evocatief Joubert kan schrijven. Wat jammer toch dat de Afrikaanse letterkunde uit het hedendaagse curriculum verdwenen is.

mos

sagter glip
ons nou oor mekaar

sagter ons hande
oor die mos

in die lyf skryf ons
weer alle verledes af

aan die oorkant
van die wal

waar voëls soos klein
letters wapper in die wind

sagter trap ons spore
in mekaar grafies afgedruk
in elke oorbekende lyn

sagter glip
ons in mekaar

sagter van hart
oor die vel se mos

om later te slaap in ons nes
soos ‘n brief in ‘n swart koevert
onoopgemaak ongepos –

ons heenkome
sonder adres

******
Marlise Joubert (1945) studeerde bibliotheekwetenschappen en filosofie aan de Universiteit van Pretoria. Zij werkte als bibliotecaresse, korte tijd ook als journaliste en dreef enige jaren samen met echtgenoot Louis Esterhuizen een boekhandel. Zij werkt nu full time als schrijver en beeldend kunstenaar. Van 2006 t/m 2009 was zij nauw betrokken bij de organisatie van het dichtersfeest Versindaba, waarvoor zij ook een viertal bloemlezingen samenstelde.
Zij debuteerde in 1971 met ‘n Boot in die woestyn en publiceerde daarna de dichtbundels Domus (1973), So ver en verder (1976), Ontruiming (1986), Lyfsange (2001) en Passies en Passasies (2007). Zij schreef drie romans: Klipkus (1978, in 1981 in Nederland verschenen als Rode Granaat), Oranje Meraai (1996) en Ateljee van glas (2004). Momenteel legt zij zich toe op het schrijven van hoorspelen.

Gedichten

perde

perde is konings van heuvels
en hawer van duine en torings van vuur
perde is konings met mantels van blou
oker amandel skimmel soos grou
swarter as oonde witter as talk
maanhaar verstroom in vleie van wind

perde is konings met keile en hoewe
wat ratel oor berge riviere en rif
savannas en kranse en skeure met drif
o konings van klip met hoewe in vaandels
wat klop ametis ametis
hoewe in steensimbaal
dolomiet dolomiet

robyn is die kykers van perde
robyn soos die sterre teen skemer
waar die stofwolk draai waar die sand
in kringe soos poeier verdwyn

bruin is die oë van perde
bruin soos die maas op modder
waar die son waterpansag
in die somer kom lê

perde is konings wat proes en galop
oor pleine en plato’s van mense
perde dra vragte van kinders en ridders
of oues van dae soos ‘n hut op die rug
perde runnik alleen en verruk in ritmiese bome

perde is visse in waterwoestyne
swiepend van links en na regs
en terug in die lug asof gode
hul koppe in nette wil vang
met hoewe in vaandels
wat klop ametis ametis
hoewe in steensimbaal
dolomiet dolomiet

perde is prinse wat die melkweg kantel
die oggend se as die stadige pas
perde is prinse en draf aan die hand
met spelende spiere wat dans deur die land
en klop ametis ametis

perde is vrouwe wat geheime in paaie ontdek
vroue met flanke wat glim in die sweet van die dag
kampeer tussen mane en sneeu tussen wasem en gras
wat kom lê in ‘n stal soos ‘n ster in ons pas

perde is konings en prinse en visse en vroue
perde is meer as salpeter van asem

*

paarden

paarden zijn koningen van heuvels
en haver van duinen en torens van vuur
paarden zijn koningen met mantels van blauw
oker amandel schimmel zo grauw
zwarter dan ovens witter dan talk
manehaar stroomt in valleien van wind

paarden zijn koningen met manehoeden
en hoeven klopklop over bergen en rif
savannes en kammen en scheuren vol drift
o koningen van rotsen met hoeven in vaandels
klikklakkend voort amethist amethist
hoeven als steencymbaal
dolomiet dolomiet

robijn zijn de kijkers van paarden
robijn als de sterren tegen de schemer
waar de stofwolk draait waar het zand
in kringen als poeder verdwijnt

bruin zijn de ogen van paarden
bruin als de poelen op modder
waar de zon waterplaszacht
in de zomer komt liggen

paarden zijn koningen proestend dravend
over vlaktes en pleinen van mensen
paarden dragen ridders en kinderen
of ouden van dagen als een hut op de rug
paarden hinniken alleen en verrukt op ritmische bodems

paarden zijn vissen in waterwoestijnen
zwiepend van links naar rechts
en terug in de lucht alsof goden
hun hoofden in netten willen vangen
met hoeven in vaandels
klikklakkend voort amethist amethist
hoeven in steencymbaal
dolomiet dolomiet

paarden zijn prinsen de melkweg kantelend
de as van de ochtend de stadige pas
paarden zijn prinsen in draf aan de hand
met spelende spieren dansen zij door het land
klikklakkend voort amethist amethist

paarden zijn vrouwen die paden ontdekken
vrouwen met flanken glimmend van zweet
kamperend tussen manen en sneeuw tussen wasem en gras
die komen liggen in een stal zoals een ster in ons past

paarden zijn koningen prinsen en vissen en vrouwen
paarden zijn meer dan salpeter van adem
 

straatkind

kind
die wêreld ontgaan jou
in al sy onderdele
al swel jou oë soos twee mane
terwyl jy reis deur stede
soms in stegies oornag
langs die brug van vrede
in die sloot van karton
in die laan van die dood

kind
die wêreld kampong jou in
want jy lees nooit koerante nie
luister nie na die nuus nie
jy weet weinig van môre se weer
en niks van hofsake nie
niks van korrupte amptenare
nog minder van onluste
kapings of moord

kind
die wêreld ontgaan jou waar jy opstaan
maar nêrens anders word vingers
gespan met die klag van straatkitare
verwond soos joune nie

*

straatkind

kind
de wereld ontgaat je
in al zijn onderdelen
al zwellen je ogen als twee manen
terwijl je door steden reist
soms in steegjes overnacht
langs de brug van vrede
in de sloot van karton
in de laan van de dood

kind
de wereld sluit je buiten
want je leest nooit kranten
luistert niet naar het nieuws
je weet weinig van het weer van morgen
en niets van hofzaken
niets van corrupte ambtenaren
nog minder van onlusten
kapingen of moord

kind
de wereld ontgaat je waar je opstaat
maar nergens anders worden vingers
zo gespannen met de klacht van straatgitaren
of verwond als de jouwe
 

Eva

daar is die vrou –
ek sien haar stap
gruispad langs versigtig met haar tagtigste jaar
sy val en breek haar been
sit daagliks tussen hulle wat vergeet
hulle wat die siekeboeg verfraai met lappiesdraai
met herhalende prewelings
wat vergeefs tromslaan teen ‘n gipsgeheue

sy lees haar biografieë
die een oor Picasso en Lawrence en Callas
sy wag geduldig op eenkant etes
welwillende hande wat haar saans
van bad na bed toe rol

daar is die vrou wat die pad byster raak
haar identiteit en haar beursie verloor
haar man in haar verbeelding ontman
daar is die vrou wat met dronkverdriet haar grense
verskuif haar man verkul ‘n opmars deur wyn en seks begin
die vrou wat haar hand op die stoof verbrand
en die een wat haar vinger sny met ‘n groentemes
die een wat boetes kry vir woedende spoed
die een wat tronksit oor diefstal
haar trouring in ‘n brander verloor
haar kind in die maling van ‘n somerstad
vir altyd verloor

daar is die vrou wie se vorige lover haar enigste kind vermoor
en sy drie jaar later met borste wat steeds drup
die kind desperaat terug na die lewe wil voed

hoeveel vroue is daar wat was en wag
en weer was en wag asof dit al is wat droogtes pas
of geweld kan nekomdraai
hoeveel vroue spoel uit
in lakens van vergetelheid sterf vermink
in stralende bloed sterf in goiings van verdowing
in ‘n graf uiteindelik glasiggeel
in ‘n uitgesuigde korf van beendere

hoeveel vroue sterf onder versmorende mantels van die nag
en hoeveel van hulle is ek en nie ek nie

hoeveel van hulle versamel onstigtelik
smekend of skreeuend buite my huis
my omsingelde huis
tussen skulpture van wankelende bome
tussen mure van glas –

my enigste verweer teen die al hoe
dunner hekke van die tyd
*
Eva

daar is de vrouw-
ik zie haar langs
het puinpad aan,
voorzichtig, ze is tachtig
ze valt en breekt haar been
zit dagelijks tussen hen die vergeten
hen die de ziekenboeg verfraaien met frutselwerk
met herhalende prevelingen
die vergeefs trommelen tegen een gipsgeheugen

zij leest haar biografieën
die over Picasso en Lawrence en Callas
ze wacht geduldig op het eenzaam eten
welwillende handen die haar ‘s avonds
van bad naar bed rollen

daar is de vrouw die de weg kwijt raakt
haar identiteit en haar beursje verliest
haar man in haar verbeelding ontmant
daar is de vrouw die dronken van verdriet haar grenzen
verschuift haar man bedriegt ‘n opmars door wijn en sex begint
de vrouw die haar hand aan het fornuis brandt
die haar vingers snijdt met een groentenmes
die boetes krijgt voor woeste spoed
die gevangen zit voor diefstal
haar trouwring in de branding verliest
haar kind in de maalstroom van een zomerstad
voor altijd verliest

daar is de vrouw wiens vorige lover haar enige kind vermoordt
die drie jaar later met borsten die nog druipen
het kind desperaat terug in het leven wil voeden

hoeveel vrouwen zijn daar die waren en wachtten
en weer waren en wachtten alsof dit alles is
dat bij droogtes past
of geweld de nek om kan draaien
hoeveel vrouwen stromen leeg
in lakens van vergetelheid sterven verminkt
in stralend bloed sterven in vodden van verdoving
in een graf uiteindelijk glazig geel
in een uitgezogen korf van gebeente

hoeveel vrouwen sterven onder verstikkende mantels van de nacht
en hoeveel van hen ben ik en ben ik niet

hoeveel van hen verzamelen zich onzichtbaar
smekend of schreeuwend buiten mijn huis
mijn omsingelde huis
tussen sculpturen van wankelende bomen
tussen muren van glas –

mijn enige verweer tegen de
slijtende hekken van de tijd

 

waarskuwings

ek moet jou waarsku teen die wind wat roer
die wind wat die hare van gordyne roer
ek moet jou waarsku teen die strooisel vere
wat die tarentale op ons werf kom los
ek moet jou waarsku teen die molle wat sappige wortels
kom vreet die molle wat nikssiende rondhoer
in die tonnels van ambrosia o ek moet jou waarsku
teen die skulpe van sterre wat in bome kom hang
want hulle blink verniet
ek moet jou waarsku
teen die maan se mistige oog
die son se roomwang teen jou gesig
ek moet jou waarsku teen die lam met sy rug na ons gekeer
met sy gebreekte poot en wolkop na die stoof gedraai
ek moet jou waarsku
teen die lam wat sy ore flap in die waaier van lug
teen die honde wat straataf draf sketterend jag na asblikkos
teen die swart lappe van voëls op die wasgoeddraad
ek moet jou waarsku
teen my kissie van roospapier
waarin al my juwele is die krabbers die hangers
en die ringe van topaas

ek moet jou waarsku dat alles niks beteken vir die liefde nie
minder as woorde minder as water minder as brood
want die liefde het net oë vir mekaar
liefde is sonder bril in mekaar
liefde is oë vasgewaai inmekaar

liefde is sonder alles omheen
liefde is ‘n dennewoud
liefde is ‘n beurende dennewoud
waar die boskapper
onverpoos kap

ek moet jou waarsku

*

waarschuwingen

ik moet je waarschuwen tegen de wind die zich roert
de wind die haren van gordijnen beroert
ik moet je waarschuwen tegen de veren
die de parelhoenders op ons erf verstrooien
ik moet je waarschuwen tegen de mollen die sappige wortels
komen vreten de mollen die stekeblind rondwoelen
in de tunnels van ambrosia o ik moet je waarschuwen
tegen de schelpen van sterren die in bomen komen hangen
want ze blinken voor niets
ik moet je waarschuwen
tegen het mistige maanoog
de roomwang van de zon tegen je gezicht
ik moet je waarschuwen tegen het lam
met zijn rug naar ons gekeerd
met zijn gebroken poot en wolkop naar het fornuis gedraaid
ik moet je waarschuwen
tegen het lam dat met zijn oren flappert in de waaier van lucht
tegen de honden die schetterend straten afdraven op jacht naar asemmers
tegen de zwarte lappen van vogels op de wasgoeddraad
ik moet je waarschuwen
tegen mijn kistje van rozenpapier
waarin al mijn juwelen broches hangers
en ringen van topaas

ik moet je waarschuwen dat alles niets betekent voor de liefde
minder dan woorden minder dan water minder dan brood
want de liefde heeft slechts ogen voor elkaar
liefde is ogen vastgewaaid in elkaar
liefde is afzondering van de wereld
liefde is een dennenwoud
liefde is een verlokkelijk dennenwoud
waar de houthakker
onophoudelijk kapt

ik moet je waarschuwen
 

nagvlugte

om nagvlugte te verf
na afloop van die liefde
moet die punt van die kwas sag wees
moet die punt van die kwas kan inbuig
en dans soos die weerlig hoog
in die bondeling van wolke

om nagvlugte te verf
moet die note kan sing
soos ? nokturne in jou hande
losgelaat in die stormwind
téén die verliese van die wêreld
téén die struike van ? donker
afgeskaalde tuin

om nagvlugte te verf
moet die kleur soet wees
soos rooi
ruimskoots geel
en middernagblou
meer syig as die reise van harte

om nagvlugte te verf
moet die punt van die kwas
sag wees vir mekaar

*

nachtvluchten

om nachtvluchten te schilderen
na afloop van de liefde
moet de punt van de kwast zacht zijn
moet de punt van de kwast meebuigen
en dansen als het weerlicht hoog
in de bundeling van wolken

om nachtvluchten te schilderen
moeten de noten kunnen zingen
als een nocturne in jouw handen
losgelaten in de stormwind
tegen de verliezen van de wereld
tegen de struiken van een duister
uitgedunde tuin

om nachtvluchten te schilderen
moet de kleur zoet zijn
als rood
ruimschoots geel
en middernachtblauw

om nachtvluchten te schilderen
moet de punt van de kwast
zacht zijn voor malkander
 

middernag, ’n brief vir Marcelle

hoe anders dat my brief
geen brood sal wees nie
maar ‘n dowwe kaart wat nooit
volmaak die beeld kan wys
nagte kan stukkend val soos glas jy weet
en die oond bly koud

dáár blink die maan teen ‘n blokkie ruit
dáár sny die sterre ‘n donker berg
en dáár borrel ‘n voël onder sy vlerke uit

hoe anders kind as jy slaap
tussen klokke en oker klepels van lig
teen ou mure of sugtend tussen pilare
waar gargoyles van vermaarde
Oxford-kolleges oor jou waak

ek weet jou taal is brood
en kantel saam met die Cherwill-rivier
spaan tot diep in die maagwande
van amber kastele en kamers in klip
villages en grafstene
wat sedig in die eeue hurk

hoe anders dat my brief
eintlik nie eens ‘n tekening sal wees nie
met al die kontoere en lyne afgerond
al die verslete holvoettrappies
wat ek wil klim
tot dáár

want hier
is dit middernag
hier krummel die klanke soos skilferdeeg
sag in my keel

hier het die klok gaan staan
omdat ek so verlang

*

middernacht, een brief aan Marcelle

hoe kan het anders
dan dat mijn brief geen brood is
maar een doffe kaart die nooit
volmaakt kan verbeelden
nachten kunnen stukvallen als glas weet je
en de ochtend blijft koud

dáár blinkt de maan in een blokje ruit
dáár snijden de sterren
een donkere berg uit de nacht
en dáár borrelt een vogel onder zijn vleugels uit

hoe kan het anders
dan dat je slaapt kind
tussen klokken en okeren klepels van licht
tegen oude muren of zuchtend tussen pilaren
waar gargoyles van vermaarde
Oxford-colleges over je waken

ik weet, je taal is brood
en kantelt samen met de Cherwill
spaandiep in de maagwanden
van amberen kastelen en kamers van rotsen
villages en grafstenen
die zedig in de eeuwen hurken

hoe kan het anders
dan dat mijn brief niet eens
een tekening zal zijn
met al de contouren en lijnen afgerond
al de uitgesleten treetjes
die ik wil beklimmen
tot dáár

want hier
is het middernacht
hier kruimelen de klanken als schilferdeeg
zacht in mijn keel

hier is de klok stil blijven staan
omdat ik zo verlang

Verantwoording
Deze gedichten zijn door de Meanderredactie en mij gekozen uit de laatste dichtbundel van Marlise Joubert en op haar verzoek door mij vertaald. Mijn uitgangspunten bij het vertalen waren: er mag niets van de strekking verloren gaan; de surrealistische, intuïtieve stijl moet zoveel mogelijk gehandhaafd blijven; de rijkdom aan klank en functioneel ritme moet behouden blijven; de vertaling mag vrij zijn waar dat nodig is om in het Nederlands te voldoen aan voornoemde uitgangspunten; waar mogelijk moeten de typisch Afrikaanse woordcreaties in Nederlandse woordcreaties omgezet, maar niet ten koste van de begrijpelijkheid; de vertaling moet Nederlands opleveren en geen Afrikanismen (bijvoorbeeld holvoettrappies is niet vertaald als holvoettrapjes, maar als uitgesleten treetjes).

Chris Coolsma, Roden
18 mei 2008