Gedichten

Vertaling: Daan Bronkhorst 

De hemel is te peilen

De hemel is te peilen
de aarde is te meten,
maar tegen de listen van de mens is geen verweer.
Misschien meen je goedhartigheid te zien
zo zuiver als bloed,
en zijn het maar valse woorden,
vibrerend als de tongetjes in een orgel.
Misschien zegt iemand tegen de hofdame:
‘Uw neus bevalt de keizer niet’
en ze sluiert hem en wekt juist zo
de toorn van haar heer.
Misschien zegt iemand tegen de zoon:
‘Uw vader vraagt dat u de horzels doodslaat’
en hij doet het en vindt zijn vader
als een woeste wolf tegenover zich.
Ach, er zijn vissen op de bodem van de zee
en vogels in het hoogst van de hemel,
die je kunt schieten van heel ver
en vangen van heel diep beneden.
Maar van een mensenhart dat zo dichtbij is
peil je nog niet zoveel
als tussen twee duimen te meten is.

Zien jullie het niet?
Die corrupte premier die achter jullie rug
zo vol is van plezier
verbergt in zijn gegrinnik het dodende mes.
Jullie denken alles te begrijpen:
vorm, stof en hun transformaties.
Maar je weet nooit wat zich verschuilt
achter de boze of lachende gezichten
van mensen.

Het gedicht op de muur

Een dwaas gedicht stond op de muur –
                geen mens die mij nog beminde –
bevuild door vogels en begroeid met mos,
                de letters bijna weggevaagd.
Slechts het gevoel schemerde nog door
                en jij, meneer de hofraad,
schroomde niet het met je zijden mouw
                schoon te vegen en te lezen

Iemand zingt een gedicht van Yuan Zhen

Een nieuw gedicht van je penseel
              dat afbrak net als je roemvolle leven –
oude manuscripten met dik stof 
              diep in kisten opgeborgen.
Onlangs hoorde ik iemand die het
              met zangerige stem reciteerde –
nog voordat mijn oor het volledig bevatte
              was mijn hart al gewond.

(Yuan Zhen was naast Bai Juyi de beroemdste dichter van de 9e eeuw. De twee waren harstvrienden.)

Man en vrouw

dat op de bodem
               van de zee het stof stuift,
               die dag zal nog komen,
dat ik op een berg;
               zelf een rotsblok word, 
               die tijd zal aanbreken.
Maar verlaat een man
               eenmaal zijn jonge vrouw, 
               wie gelooft dan werkelijk
wanneer de scheepsboeg
               goed en wel uit zicht is,
               dat hij ooit terugkomt?

Bloem als geen bloem

Bloem als geen bloem, mist als geen mist,
in diepe nacht gekomen, ‘s ochtends vroeg weggegaan,
kwam ze als zoele droom, de uren lieten geen teken,
ging ze als ochtenddauw, ik zoek en vind geen spoor.

Liefde

Mag ik vragen:
het tij van de rivier,
het water van de zee,
hoe lijkt dat op
de liefde van een man
of het hart van een vrouw?
Als ik je mis
als ik verlang
had ik liever het getij,
dat houdt z’n belofte,
begin ik te beseffen
de zee is zo diep niet.

De eerste verjaardag van Goudklokje

Bijna veertig was ik, kreeg ik een dochter. Goudklokje.
Nu is ze net één. Zitten heeft ze geleerd, praten nog niet.
Ach en hoeveel wijsheid heb ik eigenlijk? Ook ík ben één en al
teerhartigheid, zit weer vast aan dat gedoe.

Het is wel een vreugde, haar zo te zien. Als dat zo doorgaat
moet ik weldra een schoonzoon regelen. En
het plan om me in de bergen terug te trekken,
dat kan weer een jaar of vijftien worden uitgesteld.


Ter nagedachtenis aan Goudklokje

Ziek en vervallen, een man van veertig,
stralend mooi, een meisje van nog geen drie,
geen jongen, heet ‘t dan, maar wat dan nog,
zoveel troost, en hoe ze me omhelsde!

Op een ochtend is ze van me weggenomen,
haar ziel is nu een schaduw in het nergens;
en ik denk aan hoe ze net voor ze stierf
haspelend haar eerste woordjes leerde zeggen.

Zo heb ik geleerd dat banden van vlees en bloed
ons niet anders dan vrachten van verdriet geven,
en alleen door te denken aan voordat ze er was
kon ik met m’n verstand de pijn de baas.

Veel tijd verging sinds mijn hart haar vergat,
drie keer werd het winter, drie keer lente;
maar vandaag ging de wond weer open
toen ik haar oude voedster tegenkwam.


Zware tijden

De tijden zijn zwaar. Een hongerjaar plunderde de velden.
Mijn broers zijn, oost, west, over het hele land verspreid.
Akkers en tuinen zijn er nauwelijks nog na de oorlog.
Families zijn elkaar kwijt geraakt langs de wegen.
Schaduwen en schimmen, verdwaalde ganzen.
Ontwortelde struiken na het geweld van oktober.
Samen kijken we naar de maan en de tranen stromen.
Dat heimwee ons voor één nacht van overal verenigt.