Gedichten

Arjan Keene (1963) stond vier keer in de top-100 van de Turing nationale gedichtenwedstrijd en won de Willem Wilmink Dichtwedstrijd in 2013. Hij heeft o.a. gepubliceerd in De Revisor, poeziepuntgl, Ballustrada, Meander, Krakatau, De Contrabas, Het Vrije Vers, en in diverse verzamelbundels. Stadsdichter van Ede van 2012 tot 2015. Bundels: Papilio Domestica, Boekenbent, 2010 (e.b.); Het zal de leeftijd zijn, De Contrabas, 2013.
 

Een film die in de stilte draait

Het is als het verslapen van de geest,
stel ik mij voor. Een ondertiteld dromen
van wat er was en wat wellicht zou komen,
een carnaval van beelden. Als een feest.

En wat voor één! Een optocht van fantomen
waarin je eindeloos de lippen leest
van iedereen die hier ooit is geweest,
waarvan nooit meer een teken is vernomen.

Maar dit is een parade zonder woorden
en nergens klinkt muziek of hoorngeschal.
Men danst met knekels op een dodenbal.

Je schreeuwt vergeefs, verstomd, je eigen naam.
Er is geen god of liefde die het hoorde.
Intens geleefd. En dan de poppenkraam.

Onzegbaar

Niet onuitsprekelijk, maar onvangbaar,
als een vis die langs je vingers glijdt,
of een vlinder die, wanneer je beter kijkt
en naar haar middel reikt, zich oprolt,
een cocon wordt in een hologram.

Of hoe dat vreemde woord dan gaat bewegen,
hoe de beelden in een onverwachte nacht
gekomen zijn in tegenstribbelende stromen.
En hoe de wereld tijdelijk te klein lijkt
voor de kamers die zich langzaam openen.

Alsof je aan je eigen lichaam bent ontstegen
en neerkijkt als getuige, die er toen niet was.
De vader die geen vader is. Je wordt betast,
nabije handen zo koelbloedig op je huid.
Wat niemand wist. Of niet voor waarheid zag.

Met dit gedicht haalde Arjan een gedeelde 3e/4e plaats in de vijfde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Gedichten

Taco van Peijpe (1946)

Poëzie is voor mij een taalspel en een binnenweg naar het gevoel.

VEER

Naast de smalle steiger ligt
de oever links en rechts uit zicht.
De overkant omarmt een breed verlangen.
Daarheen vaart het veer en weer
landen wij aan onze kant.
Onder water keert de aalscholver
weerom.

STATIONSPLEIN

We zagen om ons heen maar tevergeefs.
Lindebomen stonden voor de gevel
geen wijzerplaat verbond ons met de tijd
wingerd overwoekerde de gele
vertrekstaat in de hal. Het fluitsignaal
verwaaide in de bomen op het plein
en liet ons een geluksmoment beleven:
hoe onmisbaar is een trein?

Ramon van den Dungen (1970)

Zusje

van limonade iglo’s bouwen
smarties smelten in het ijs
foto’s maken van de toekomst
aan smalfilm slingeren door de tijd

hersengevechten voor het slapen
wanen wiegen zolang ze krijsen
met cellen uit hun navelstrengen
jouw naam over de mijne schrijven

sterren kweken in de kelder
uitstrooien over een barre nacht
samenwonen in mijn spinsels
maanlicht filteren uit de gracht

dit alles zou ik met jou delen
als jij niet doodgeboren was

Arjan Keene (1963)

Voor mij is poëzie een levensvorm, een religie wellicht, een noodzakelijke muzikaliteit. Hoewel ik niet voortdurend schrijf of lees kan ik me niet voorstellen dat ik zonder poëzie zou kunnen. Ik werk als software engineer, misschien is het ook een balans die ik nodig heb, twee uitersten in de taal.

Papilio Domestica

Als kind verzamelde ik vlinders
toen ik woonde op de evenaar.
Ik holde met een schepnet achter
gevaarlijk fladderende kleuren aan.

Ik was safariman, ving vlinders
als vliegende vissen in mijn net.
Voorzichtig kneep ik het leven
uit verfijnde middenriffen.

Geen chloroform, geen glazen
potjes, geen mensvriendelijke
middelen kwamen er aan te pas.
Ik prikte ze op en hing ze achter glas.

Nu ben ik ouder, verzamel geen
vlinders meer maar kinderen.
Mijn handen passen nog steeds
om hun colafleswespentailles.

Soms heb ik weer de neiging
om kort en hevig door te knijpen,
ze op te hangen aan het prikbord,
zodat ze altijd bij me blijven.

Robin Wim Hutse (1993)

Schrijven is voor mij een neerslag van esthetiek, verbanden en gedachten die te kwetsbaar zijn om verduidelijkt te worden in gesprekken en relaties; ze zijn te traag, te minuscuul of rationeel om een plaats voor zichzelf te vinden.

III. kartuizer

dat je vader het maar niets vond
als de grasmaaier niet recht liep
of dat wij vergaten
wat je moeder die zomernacht hoorde

zo lijnt je lichaam nu
vlakkend uit

in scheut en luwte
een langzaam ontsteken in het molm, het helmgras
van je liezen

zo keelt een dynamo je huiswaarts
van tussen de klaprozen en het wolfskoren
dat schalig onder je vel jankt en

de drank die m’n kop op scheuren zet

Recensie van Het zal de leeftijd zijn - Arjan Keene

De ironie van een huismus

Arjan Keene
Het zal de leeftijd zijn
Uitgever: De Contrabas
2013
ISBN 9789079432691
€ 15,00
64 blz.

Nadat ik de dichtbundel had dichtgeslagen, peinzend over de tot mij genomen poëzie, besefte ik ineens hoe goed de omslag en de illustraties van Annet Muller bij de gedichten pasten: Het zal de leeftijd zijn van Arjan Keene is huiselijke poëzie bij uitstek! Op de omslag zie je een man, shawl om, boek in de hand, die evenals de poes/kater achter hem verstoord opkijkt van de bank of het bed waarop hij ligt. Ik wist ook meteen met welk gedicht ik deze bespreking wilde openen:

De gelukkige huismus

Geluk, dat huist bij mij in kleine dingen:
een stuk papier, een potlood en een gum,

het dragen van gekleurde penisringen,
een samenklaarkomst met wat zacht gehum,

het tellen van de vogels op het dak,
het tikken van een wijsje op de ramen,

het draaien van een drol met labbekak,
het zingen van Vivatio tezamen,

een opgeruimde zolder, knus berooid
en navelstarend in de ruimte gapen.

Mijn halve leven heb ik weggegooid,
het andere ligt nu naast mij te slapen.

Laten we het eens bekijken. De dichter zit blijkbaar op bed, waar zijn vrouw; zijn halve leven, of zijn betere (weder-)helft, ligt te slapen, en hij overdenkt waar zijn geluk uit bestaat. In ‘Seizoensdrift’, het gedicht waaraan de titel van de bundel is ontleend, had ik al iets gelezen over zijn libido – ‘(…) heeft een zwaar gemoed,/ verlangt naar toen ik jou nog echt beminde./’ – wat het gebruik van penisringen verklaart. Dat je gekleurde hebt wist ik niet, maar ik vermoed dat niet zozeer het gebruik van die ringen hem gelukkig maakt, maar het feit dat zijn edele deel daardoor wat langer staande blijft. ‘Samenklaarkomst’ zou het niet slecht doen bij een vrolijk kerkgenootschap waar intiem wordt geneuried. Maar het heeft toch ook iets geremds. Goddank is onze dichter met dit kleine geluk tevreden. ‘Een drol met labbekak’. Een labbekak is ‘een schijterd’. Bedoelt de dichter ermee dat het heerlijk is om je angst eruit te schijten? Het ‘Vivatio’ dat tezamen wordt gezongen zal wel duiden op een heilwens. Maar voor wie? ‘Navelstarend in de ruimte gapend’? Ja, het staat er echt; maak je daar maar eens een voorstelling van…
De genoeglijk verarmde zolder, ontdaan van zijn nutteloze halve verleden – het stemt hem gelukkig dat hij zijn blijkbaar ongelukkige verleden heeft kunnen weggooien. Half. Eindelijk. De rest behelst zijn slapende vrouw.
Aan het eind zijn we weer terug op het bed van de dichter. Tevreden gaat hij slapen.

Ironie is een moeilijk stijlmiddel. Komrij, naar wie elders in de bundel met de regel ‘Het Komrij-wezen, hondenkop en fabeldier;’ wordt verwezen (‘Het eeuwige labyrint’), was een meester. Vooral van de zelfspot.
In: ‘Laatste woorden’ schrijft Keene over ironie:

Ook als de ironie het af moet leggen,
dan zoekt hij naar een vorm die daarbij past,
die weergeeft wat hij daarover kan zeggen,
al is hij nu dan zelf niet meer vormvast.

Het blijft een lullig puntje aan het leven
de clou is van tevoren al gegeven.

Een van mijn bezwaren tegen deze poëzie is dat het meestal voelt als ongeïnspireerd maakwerk. Invuloefeningen. Een melige woordspeling moet vaak het werk doen. ‘Het vermoeden van Goldbach’, echt wel een charmant gedicht, is zonder het rijm geen poëzie meer. Het rijm geeft het hoogstens de schijn ervan.
Ook de niet rijmende gedichten hebben er last van niet meer te zijn dan wat magere gedachten:

De kop van Vinkenoog

Ooit een cursus van hem gehad,
op een schrijfmanifestasie.

In die eerste regel gaat het al fout: Dat ‘cursus’ slaat nergens op. Een ‘schrijfles’ lijkt mij al een te groot woord. Verder is die zin natuurlijk morsdood. De s waar een t moet staan, zal wel naar Vinkenoogs alternatieve spelling verwijzen.

“Dichten is het stromen van je bloed
in het kloppend hart van taal.”
Of zoiets.
In die tijd blowde ik me ook suf,
dus ik weet het echt niet meer.

De enige levende regels blijken die van Vinkenoog. Maar hij weet het niet meer. Suf geblowd. Zeggen ze nog dat blowen geen kwaad kan…

Hij is mooi oud geworden.
Zijn gezicht barstte van de groeven,
zijn ogen spraken hele boeken.
Niets atonaals meer aan.

Wanneer er een ding aan Simon Vinkenoog opviel, was het zijn levendigheid, zijn kwikzilverachtige geest. Niet pas toen hij oud was. Ook toen hij nog ‘atonaal’ was. Ik kan het weten; ik heb weleens samen met hem geblowd, achter de Soefitempel in Katwijk aan Zee – Maar waarom zou ik het daarover hebben? Om de roem van Simon op mij af te laten stralen? En tezelfdertijd een oordeel over hem te kunnen vellen?

Hij was geen dichter meer,
maar mens.

Laten we het de dichter maar vergeven.
Een curieus gedicht wil ik u niet onthouden.
Ik loop op het gedicht vooruit, opdat u, lezer, niets mist straks.

Het lijkt zich op een bed af te spelen, met daarop een sprei, maar met de derde regel zitten we onverwachts in een bioscoop of theater, niet ver achter ”t rode meisje’ met de zomersproetjes ‘op de eerste rij.’ Curieuze sproetjes, die blijkbaar aan de achterkant zitten, want er wordt naar gestaard. Het zal, gezien de sproetjes, wel het haar van het meisje zijn dat rood is, niet haar blozende gezicht. De dichter vertelt naar haar voeten te willen. Ieder zijn meug. De manier waarop vind ik pas echt curieus: Je bijna onbedwingbare drang om in de sprei te gaan wroeten! Je beheerst je zodanig dat je haar (die sprei?) kan beroeren zonder razernij. Dan is het aan ons, lezer, lezeres, om met alle aandacht te proeven van het zoete, ‘alsof je likt aan aardbeiengelei’. Ik heb van vrouwen wel het een en ander geproefd, maar nooit alsof ik aan aardbeiengelei likte. Intiemspray? Vlees smaakt zonder geur- kleur- en smaakmiddelen echt gezonder, zelfs voor een vegetariër als ik. Maar de dichter eindigt echt verrassend met humor:

Onder stroom

Het blijft een curieuze vorm van moeten,
de Sturm und Drang op deze witte sprei.
Het is als staren naar de zomersproeten
van ‘t rode meisje op de eerste rij.

En na de sproeten wil je naar de voeten.
Geduld. Eerst langs de ronding van haar zij.
Je moet niet zomaar in de sprei gaan wroeten,
maar haar beroeren zonder razernij.

Proef dan met alle aandacht van het zoete,
alsof je likt aan aardbeiengelei.
Dan komen ze, in langgerekte stoeten:
gebonden verzen met hun zacht geschrei.

Ik wil eindigen met het slot van ‘Seizoensdrift’, een niet louter door rijmdrang gedreven gedicht:.

Het zal de leeftijd zijn. Gaat dit voorbij
en ligt het enkel aan het jaargetij?
Het mist. In mei komt alles vast weer goed.

***
Arjan Keene (1964) is stadsdichter van Ede. Hij is winnaar van de 17e Wilmink dichtwedstrijd (2013)
Het zal de leeftijd zijn telt vier titelloze afdelingen met elk elf gedichten, onderscheiden door linoleumsneden van Annet Muller.