Gedichten

Zitten

Hij is mijn ezel
op de weg
naar de oceaan.

Het oog valt op
de slijt, de rafels
aan de stof
voor ik omkeer,

ga zitten.

Als ik letters tik
lees op het scherm
praat over de krant,
altijd draagt hij mij.

Hij kraakt en piept;
mijn hersenen
slapen op de golven.


Langs zijn branding

Ik kan de meeuw volgen,
stijgend langs het duin.
Als een vlieger zweeft hij
boven het helmgras, sta ik
met beide voeten op de grond.

De klos in bedwang, klimt hij
rolt de draad zich af
onder de rukkende slagwind.

Hakken in het zand, snijdt
de meeuw de lucht, schreeuwt
als een baby tegen de zee.

Meegenomen boven de suizing
in het neerdalende grijs, reizen
mijn ogen langs zijn branding.

Uit: Oud zink, 2008, In de Knipscheer


Praten met Schiller op Documenta 12

Over zijn ‘esthetische brieven’

Het gezicht van de schoonheid glanst, craquelé,
verdwijnt in de geborduurde vinger op een verbrande huid.
Dezelfde huid waaronder in de borst het hart klopt
bloed stuwt naar de ogen, de voeten van mij, de bezoeker.

Een man sjouwt stenen van achteren naar voren
stapelt ze op het zebrapad voor de oversteek.
Op textielrollen beelden van Chang’an straat, rijen
kantoortorens – dit is waar jouw ‘barbaar’ zich schuilhoudt.

Hier paradeert jouw ‘spel van het kind’ voortgejaagd door ‘de wilde’
de slaaf van de zintuigen, machinegeweerbenen uit de aanrechtkast.

Vergeef me dat ik buig voor de wetten van de verfhuid
verf van de vrijheid, het blinde rondtasten in noordlicht.
Ik ben zwart trek het rode shirt uit, slaap in de metro
in het bronzen ‘oog’ van Barbara op het gazon.

Ik huil met de bloemen van Kashmir, verkracht
vertrapt door soldaten. Een schedel verbleekt
in het ‘crystal palace’ waar ook de jerrycanboot
zijn odyssee aanvangt, koers zet naar de plattegrond
van de Bastille.

Ik ben niet in staat te wachten, stap voor een auto bij rood.
Langs de kapitelen buigen de stalen pijpen zich als dansers
stijgen op transparante satijnvleugels.

Ik vergeet de zee van bloed in de woonkamer,
geef me over aan de leeuw in het bonsaiwoud.
Hoe heb ik het kind kunnen vergeten? Het rolt
over het tapijt in de moskee, het ontmaskert
een geheim agent die zijn laden opent in mijn hoofd.

Klauwhamer in rood fluweel – kom in mijn huisje –
zegen me met een regenbui van broeken en hemden
zegen me met de fall out uit de fantoomtruck. Bezweer
in de golven de tweede schepper die drinkt
van mijn ogen, van mijn ziel, meegesleurd
in de kolk van quarks.