Gedichten

Nu je reeds gemerkt hebt dat ten langen leste
deze oude wereld tot je spreekt met ‘u’.
Waarom drink je dan nog altijd triosième cru?
Waarom spreek je dan nog altijd in rekesten?

Toon mij toch de vogels en hun nieuwe nesten.
Stel mij vragen als: Wat unbidan we nu?
Toon mij dan de boskat in voorjaarstenue.
Zeg mij dat ook ons nog zeven levens resten.

Laten wij vandaag beginnen aan het tweede.
Eens gestorven zijn we immers allebei.
Staak bij deze dus je jammerlijke bede.

Vind vandaag in ‘t veld het eerste kievitsei.
Deel mijn hand en deel mijn huis en deel mij mede:
Deze winter is nu eindelijk voorbij.
 

Condens
over gesloten ogen.
Strijd gestreden.
De aarde een getal gemaakt.
Het firmament geleegd
met emmers.
Aantrekkingskracht
is iets van planeten en appels.

Ik at het voedsel
uit je hand.
Ik dronk de druppels
van je lippen.
Vraag niet
wat ik weten wil.
Laat mij
mij verhullen
in rouw.
Ik denk je liever
dood te zijn.
 

Losprijs

op de derde dag
kocht de taal haar vrij
verstierven woorden
legde haar tong zich in haar keel
en verstopte

op de vierde dag
brak de deur

lange armen zijn er en
stemmen en zoenen
haperende voeten
ze vragen en praten en
bedenken waar haar
gedachten zouden zijn.

maar geen zin kan drijven
op die dagen. er is niets
dan voordat en nadien
en het verschil