Gedichten

door Jelle Jan Klinkert (1947)

Evangelie

Er waren hoge bomen waar
grote ruwe vogels in nestelden.
Soms gooiden zij een jong naar beneden.

De wolken braken van hun geschreeuw.
De zon was al niet veel beter, scheen
groter en valer te zijn dan met Pasen.

Hij trok zich niets aan van ons roepen,
was verleidelijk, onzinnig uitgedost voor
weer een feest, het licht hielp ons niet.

Wij waren beneden, gevangen in ons rare leven,
anderen lachten om ons, was de deur niet
gesloten geweest, wij hadden geen

uitgang gekend. Maar nu riepen wij,
keken hemelwaarts, vroegen om nog
een jong, waren al half moedeloos.

Er scheen ook licht van buiten, anders
dan ik niet kon vermoeden of vrezen,
of ooit zou dromen. Maar ontwaakt

was de lente binnen geslopen.
Nooit eerder hoorde ik die vogel.
Het regende. Ik was toch gelukkig.


Dit getij

Dit getij brengt een vloed
van zwammen en bladeren.
Het vege licht strijkt alleen
maar aarzelend dunne vingers
over vertragende aarde

Alles draait. Dingen schuiven.
Misschien hoor ik een dier.
Niets weet ik. Geruchten sta-
pelen zich op. Ik kan ook
gaan slapen.

Ik loop met kleine donkere
stappen. Blad en aarde, water.
Ruimte maakt zich om mij
groot. Licht wekt mij en handen.
Ik was niet bang.

Behalve

Die dag: knisperend licht.
Alles is nieuw. Bomen rechtop,
fiere vogels, maar toch

er valt een zwijgen, tonen breken,
achter de huizen lijkt een
geluid op te doemen, ongehoord.

Wie kent de woorden achter
alles wat niet of wel?
Soms verlaat men elkaar.

Alles is. Alles eindigt.
Alles begint. Alles leeft.
Niets is zeker. Behalve.