Recensie van Over de vloedlijn - Kees Klok

Aan de eblijn

Kees Klok
Over de vloedlijn
Uitgever: Liverse
2017
ISBN 9789492519177
€ 19,50
66 blz.

Als je aan water woont dat in rechtstreekse verbinding met de zee staat, weet je dat het elke dag twee keer eb en twee keer vloed wordt. Zodra het water de vloedlijn bereikt, is het hoogste niveau bereikt. Het stijgt niet meer en het peil gaat langzaam weer omlaag. De bundel heet Over de vloedlijn. De vloedlijn is het punt waarop het water op zijn hoogste punt is en er even niets gebeurt. Eigenlijk gaat het over een impasse, even geen beweging.

De bundel is een verzameling gedichten, die volgens de tekst op achterkant tussen 2012 en maart 2017 is geschreven. De titel is goed gekozen, want het zijn allemaal voorbeelden van momenten waarop niets gebeurt, momenten van rust. Dat geeft evenwicht, distantie, misschien wel een beetje te veel rust, want avontuur gedijt niet bij rust. Dat heb ik wel een beetje gemist, even buiten de lijntjes, een experiment. De dichter had best wat recalcitranter mogen zijn. Volgens mij wilde hij dat ook wel, zoals blijkt uit de laatste strofe van het gedicht ‘Rij’: ‘maar laat mij het jongetje blijven /dat op school, /als de bel ging, /nooit in de rij wilde staan.’

Nostalgie, gelegenheidspoëzie, Dordrecht, Griekenland, eiland, water, gestorven geliefde (soms neigend naar een soort Orpheusmotief, de dichter probeert de gestorven geliefde door zijn poëzie tot leven te wekken), liefde en treinen zijn motieven die ik tegenkwam. Ik vind het heel positief dat de dichter verschillende keren probeert inmiddels weinig gebruikte woorden uit de mottenballen te halen, zoals: ‘toen kolen moesten gerakeld’ (jammer dat hij ‘worden’ weglaat, iets wat de laatste tijd veel te vaak voorkomt in het dagelijkse spraakgebruik), ‘ik wil niet meer horen van dit kolken en verklaren’, ‘starnakelende nacht’ en ‘het zilt van haar stervende vlees’.

Als je ouder wordt, ligt de nostalgie op de loer. Terugblikken op het verleden en dat wellicht een beetje idealiseren, maar dat hoeft niet. Kees Klok geeft duidelijk blijk van een hang naar het verleden, maar hij weet dat mooi te veralgemeniseren. Dat blijkt uit:

Afwezigheid

En maar sporen nalaten:
geurvlaggen, tekens en krassen,
peuken, veel peuken, graffiti –
onvermijdelijke dwangneurose.

En maar zoeken naar het licht,
de schittering van verdwenen jaren –
het oersentiment van een oude zanger.

En maar terugverlangen
naar wat het geheugen
polijstte tot wat het nooit was.

En daarna simpelweg
doodgaan.

Een jonge dichter wil zich op het neurotische af manifesteren en probeert het hoogste te bereiken. Dan wordt het graven in het geheugen en het onvermijdelijke einde volgt logischerwijs. Niets theatraals; ambities, dromen en de dood, niet meer dan dat. Nuchterheid is troef in dit gedicht. Met twee benen op de grond staan, moet wel in een wereld omgeven door water. Daar is het houvast van vaste grond onder de voeten van levensbelang.

Het zal duidelijk zijn, de nostalgie van Klok bevalt me wel, net als zijn beschrijvingen van de plaats waarin hij is opgegroeid. De helden van weleer worden prachtig geschetst in hun omgeving, zonder een vleugje sentimentaliteit, vaak wel met humor bijvoorbeeld in ‘Oral history’ en ‘As tears go by’. Niet alleen Dordrecht neemt een plaats in, maar ook Griekenland, waar hij gewoond heeft, zoals in het eerste gedicht van de bundel ‘Bij Loxias’: een impressie van zijn stamcafé in Thessaloniki. En gemiste kansen …

Luchtfietser

Tja, de luchtfietser met zijn
dromen en illusies,

zijn drang tot het vergeefse,
zijn pogen de tijd stil te zetten.

Fietsen tegen de tijd,
trappen tegen de tijd,

almaar tegen, tegen, tegen dat wat
onbuigzaam voortgaat.

Soms ziet hij een meisje
en kijkt hij even om,

altijd net als zij om
een hoek is verdwenen.

De luchtfietser, de dromer, de dichter leeft in zijn eigen wereld los van de werkelijkheid. Hij probeert de tijd voor te blijven en het onmogelijke te bereiken. Hij laat de realiteit aan zich voorbijgaan, pakt niet zijn kans als die daar is. Het meisje is de hoek al om!

Zowel qua vorm als thematiek is de bundel niet zo vernieuwend. Natuurlijk, het is moderne poëzie zonder rijm en vaste vormen. Aan de andere kant zijn de gedichten erg toegankelijk, goed leesbaar en het zijn geen duistere woordpakketten. Bovendien mooi uitgegeven met een harde kleurige kaft. Geen stormen en hoge vloedgolven, maar statisch evenwicht. Bij vloed verdwijnt veel onder water. Misschien was de eblijn wel interessanter, in ieder geval onthullender, geweest

***
Kees Klok (Dordrecht 1951) is dichter, prozaïst, vertaler en historicus. Hij publiceerde eerder de dichtbundels Aan de Merwede (Kodikas, 1999), In dit laagland (Wagner & Van Santen, 2005) en Het is al laat (Liverse 2009), Hoe de wereld zich zou openen (Liverse, 2012).

Verzamelsite

De oudste laag van Meander bestaat uit de gedichten die van najaar 1995 tot en met voorjaar 1998 op de site zijn gezet.  Het zijn 232 gedichten van 67 inzenders.
Deze verzameling gedichten werd in 1998 als de zogenaamde Verzamelsite een onderdeel van onze website. Na verloop van tijd kregen we nogal wat verzoeken van inzenders om hun gedichten van onze site te halen. Ze schreven inmiddels heel andere gedichten of dichtten helemaal niet meer.  Daarom hebben we na een paar jaar besloten dit gedeelte van de site af te sluiten.
De afbeelding laat de voorpagina van de Verzamelsite zien.

Behalve van de 67 inzenders vinden we hierop ook de namen van de allereerste redactieleden van Meander. Sommige redacteuren hadden toen nog niet eens internet, zodat ik schriftelijk en telefonisch contact met hen moest onderhouden. Het was een mooie tijd, maar gelukkig hoeft het nu niet meer zo.

Elk van de 67 inzenders had een eigen gedeelte op de website. Voor velen van hen maakte ik een aparte afbeelding. Zoals deze voor Hans Hamburger. Dat moet erg bewerkelijk zijn geweest.

Rob de Vos

Recensie van Hoe de wereld zich zou openen - Kees Klok

Gesloten werelden van een geheugen

Kees Klok
Hoe de wereld zich zou openen
Uitgever: Liverse ,Liverse ,Liverse
2012
ISBN 9789491034107
€ 12,95
64 blz.

Hoe de wereld zich zou openen, de titel van de nieuwe bundel van Kees Klok, roept verwachtingen op. Ik was nieuwsgierig hoe hij het zou doen, de wereld, ‘zich openen’. Het gedicht met die naam zegt aan het slot:
‘We hoorden van later en van geduld/ en hoe de wereld zich zou openen// als we maar eenmaal echt schrijven konden.’

Het bracht mij in verwarring. Heeft hij het nu over zijn schrijvers- en dichterschap, of over het schrijven als handeling? Het blijkt om het laatste te gaan. Het gedicht gaat over de manier waarop kinderen hun naam leren schrijven: ‘op het weggesmeten bordkarton/ van andere levens/ die ons groter leken/ dan wij bevatten konden,’.
Het weggesmeten bordkarton wordt in ieder geval benoemd, we kunnen ons er een voorstelling van maken. Maar wat stellen wij ons voor bij ‘andere levens’ die ons ook nog eens ‘groter leken dan wij bevatten konden’? Ik denk niet dat kinderen zich op beschreven manier daarvan bewust zijn. Ik kan mij daar ook geen beeld van vormen.

Dat laatste is een manco van veel gedichten in deze bundel, die overigens lekker weg leest. Wanneer je hem voorgedragen zou krijgen, een glaasje fris erbij, dan kon je er best van genieten, maar: ‘Ik deel een sigarenpeuk uit en wensen/ voor de verdoolde zielen in de hemel/ sla daarna eindelijk de juiste straat in.’ (uit: ‘Te herfstig’)

Mijn hemel! Eén sigarenpeuk uitdelen wordt moeilijk, en lijkt mij niet erg genereus. De dichter blijkt thuis te zijn in de hemel, maar niet in zijn eigen stad. Wat wenst hij de verdoolde zielen daar toe, waarna hij (was het een lange reeks wensen?) eindelijk de juiste straat inslaat? De hemel was vroeger de plaats waar je thuiskwam, bij God de Vader. Blijken er toch nog zielen te zijn die Hem niet kunnen vinden.
Van datzelfde gedicht het slot: ‘Ik stuur mijn paraplu met de wind mee/ sluit de gordijnen, sluit de wereld buiten/ en ontken, eenvoudigweg ontken.’

Dit gedicht staat in één van de reeksen die gewijd zijn aan een dode geliefde. Daar op bovenstaande wijze op te reageren voelt bijna als een misdaad. Niet iedereen die over een dode geliefde schrijft, hoeft een Achterberg te zijn, maar wekt wel de verwachting met de ervaren pijn de lezer(es) te raken. Waarom zou je er anders over schrijven ?
Ik kan mij naar aanleiding van zijn schrijven heus wel een voorstelling maken van wat hij doorgemaakt moet hebben, maar in dit gedicht is dat verworden tot een soort van stoere taal. Wat ontkent hij toch? Zijn liefde? De dood? Zijn verdriet?

Het gedicht ‘En toch’ heeft een motto van Fernando Pessoa:

En als ik sterf zal ik door bijna niemand worden gemist.
Men zal niet zeggen: sinds gisteren is de stad veranderd.

En toch is de stad veranderd,
al was het alleen al omdat
sindsdien de schaduwen
dieper zijn en de stilte
de geluiden van alle dag
steeds nadrukkelijker doordringt.

Ik neem aan dat hij bedoelt dat hij door de stad liep in een cocon van rouw. De intensiteit daarvan probeert hij weer te geven door het donkerder te maken, en de stilte ‘steeds nadrukkelijker’ de geluiden van alledag te laten doordringen. Stel je maar eens voor hoe dat klinkt; steeds nadrukkelijker.
Daarnaast is dit niet zo briljant geschreven dat het een motto van Pessoa rechtvaardigt. Neem de tweede regel: ‘al was het alleen al omdat’ – hoe kreeg hij hem uit zijn pen.

Iedereen kent wel het moeilijk in te tomen enthousiasme bij het tonen van vakantiefoto’s. De meeste mensen kennen het gevoel van verveling wanneer anderen zo nodig hun eindeloze reeks vakantiefoto’s opdringen. Na het lezen van deze dichtbundel moest ik daar onontkoombaar aan denken.
De plaatsen die genoemd worden, die ik niet ken, de riviertjes, de pleinen, een hoedje op Cyprus gekocht, het huis aan de Singel, Mortibus, allemaal zaken die voor de schrijver interessant genoeg waren om ze ons mee te delen. Herinneringen aan Brugge, aan Chester, Düsseldorf. Aan het Navarinoplein, aan hotel Orpfeas, en de tuin bij de Foniás. Herinneringen aan school, een klassenfoto, het stadsplantsoen. Stuk voor stuk zaken die mij vreemd bleven, omdat zij geen herkenning opriepen.

Staan er dan echt geen interessante gedichten in deze bundel?
Jawel, dit is er één van:

Brussel

Je ziet de dag verkleuren
als de gloed van de ramen

achter het Noordstation dooft bij
het naderen van de Grote Markt.

Een najaarsdag met padvinders en
onrijpe meisjes in rokjes van niks.

De gelaatskleur van bijna doden
in de rook van een achterbuurtcafé

een vagevuur van bedrogen toekomst
waar men mokkend de avond afwacht.

En dan de regen en het lantaarnlicht
dat zich spiegelt in de schone schijn.

Ik denk dat het een misvatting is dat schrijven de wereld kan openen. Dat er eigenlijk had moeten staan: ‘als we maar eenmaal echt lezen konden’. Het waarnemen van de wereld is immers ook een soort van lezen. Daarna pas komt het omzetten van die werkelijkheid in taal. Met schrijven open je geen werelden, je maakt er nieuwe mee. En elke lezer opent een andere.

***
Kees Klok (Dordrecht 1951) is dichter, prozaïst, vertaler en historicus. Hij publiceerde eerder de dichtbundels Aan de Merwede (Kodikas, 1999), In dit laagland (Wagner & Van Santen, 2005) en Het is al laat (Liverse 2009).
Hij vertaalde poëzie van Moniza Alvi (Het land aan mijn schouder, Wagner & Van Santen, 2003), John Burnside (Het bal in de inrichting, Wagner & Van Santen, 2008) en Joanne Limburg (Femenismo, Liverse, 2011) en stelde met Stella Timonidou een bloemlezing van Cypriotische literatuur samen (Wij wonen in een taal, Kruispunt, 2004). Daarnaast publiceert hij verhalen en in de vorm van een literair dagboek persoonlijke kronieken.
Meer info hier en hier.

Gedichten

door Kees Klok (1951)

Haar gids

Jawel, wanneer iemand ook maar
even een volkslied suggereerde
kroop ze achter de piano
volksliederen
niets dan volksliederen

jarenlang had ze het Franse geoefend,
het Nederlandse, het Griekse
en met wat aarzeling het Russische
al leken ze altijd verdacht veel
op elkaar.

Het kwam door Wim, zei ze,
Wim had het haar geleerd
hij zond de noten vanuit het hiernamaals
avond aan avond
of na maandenlange stilte.

Dan probeerde ze haar eigen liederen
volksliederen met het karakter
van landen die nog
moesten worden ontdekt.

Ja, ze zou op reis gaan om te ontdekken
wat het ook kosten mocht, wanneer Wim
het zei, tot haar kwam en haar zou leiden,
daar moesten we niet aan twijfelen.

In tijden van gelukkige communicatie
als Wim weer in de ether was
voorspelde ze zelfs de toekomst
voor een paar stuivers extra.

Zeg maar niets

Als ze gevraagd werd om haar
favoriete uitspraak zei ze steevast
zeg maar niets
en herhaalde dat eindeloos
of ze ging uitweiden
over hoe het was

om in een vogelnest te kruipen
de warmte en vochtigheid te voelen
en mee te moeten gaan met het
ritme dat leidde tot een climax van
zeg maar niets.

En als het niet dat was,
dan was het de openbare tegen
de christelijke school
of weg met alle papen

of de dag dat ze een helm vol modder
omkiepte boven het hoofd
van die jongen die te vroeg doodging

net als zijn vader
eeuwig in de kroeg en geen enkel
gevoel voor verantwoordelijkheid

tenslotte wisten ze dat die auto
stokoud was, maar ze gaven nooit iets
om dingen waar ze makkelijk aankwamen.

Te herfstig

Het is te herfstig vandaag.
Daar komen verschaalde ideeën van
en gedachten die verschrompelen
tot povere herinneringen.

Onderweg naar huis als gewoonlijk regen
de straten glibberig van zwervers
en dromen van daklozen.

Ik deel een sigarenpeuk uit en wensen
voor de verdoolde zielen in de hemel
sla daarna eindelijk de juiste straat in.

Ik stuur mijn paraplu met de wind mee
sluit de gordijnen, sluit de wereld buiten
en ontken, eenvoudigweg ontken.

Recensie van Het is al laat - Kees Klok

Nog een schaduw te volgen

Kees Klok
Het is al laat
Uitgever: Liverse ,Liverse
2008
ISBN 9789076982595
€ 10,-
48 blz.

Het is al laat van Kees Klok bevat 35 gedichten, niet onderverdeeld in afdelingen en chronologisch geplaatst. Ze werden voor het merendeel geschreven tussen 2004 en 2008, maar de bundel opent met vier oudere gedichten die al eerder in eigen beheer werden uitgegeven. Het eerste, ‘Americain Dreams’ werd opgenomen omdat het voor Klok een verwijzing bevat naar zijn eerste ontmoeting met de december 2007 overleden Griekse dichteres en vertaalster Stella Timonidou, zijn grote liefde, aan wie de bundel ook is opgedragen. De bundel eindigt met ‘De tuinman en de droom’, een variatie op het bekende gedicht van P.N. Van Eyck. Hier wil de ik-figuur de dood echter niet ontlopen, maar juist ‘[…] verrassen/ met een snelle wending,/ een onverwachte uithaal’, waarbij het onduidelijk is of er sprake is van uitlevering aan de dood, of van een poging diens eerdere werk ongedaan te maken. Het lukt uiteraard niet, want ‘Hij blijft de onbetrapte schaduw/ uit een droom/ waaruit ik niet kan ontwaken.’ Het is dezelfde schaduw als die hij aantrof in een van de reisgedichten uit de bundel, het in Lissabon gesitueerde titelgedicht ‘Het is al laat’. Zonder dat Klok zich ook maar iets aanmatigt (hij is het prototype van de bescheiden dichter), is er sprake van een zekere identificatie met Pessoa, ‘[…] in solide brons die veelgespleten dichter/ nu als één op zijn terras?’ De slotstrofe luidt:

Van de Cais do Sodré waait goedkoop parfum.
Een muzikant
sjokt stilgevallen langs.
Je schraapt herinneringen bij elkaar,
vouwt heteroniemen in je reistas.
Dan ga je maar,
je hebt tenslotte
nog een schaduw te volgen
en het is al laat.

‘Wat zal zijn, wanneer het zal zijn, zal zijn wat het is’, schreef Pessoa’s heteroniem Alberto Caeiro in ‘Wanneer de lente komt’ (uit: De hoeder van kudden en andere gedichten) en Klok moet beamen dat al het andere een illusie is. Het is de grondtoon van de bundel. Dat het een geluid is dat zich niet te nadrukkelijk opdringt, is te danken aan het feit dat Klok schrijft over een veelheid van onderwerpen, waarvan zijn stad, kunstwerken, reizen, de natuur en nostalgische herinneringen de belangrijkste zijn. Doordat hij de gedichten niet thematisch heeft geordend, switcht de lezer tamelijk abrupt van het een naar het ander, maar een nadeel is dat niet. Het is alsof de bundel telkens opnieuw begint.

Klok schrijft vrije verzen in een parlando dat al snel vertrouwd is. Zijn taalgebruik is verzorgd en beheerst, er is een lichte neiging beelden net wat te compleet te maken en meer te benoemen dan op te roepen. Het zou door zijn achtergrond als leraar kunnen komen, dat hij wel eens wat te expliciet en te cerebraal is.
Een verantwoording van zijn dichterschap geeft hij in ‘Dichten’:

Dichten

Het strelen van ijdelheid,
het weren van angst,
het bezweren
van wat niet te stoppen is;
het zoeken naar rituelen
van geruststelling,
van toenadering,
maar ook het zagen van een ketting,
het bestieren van eb en vloed;
twijfelen tussen leegtes,
zonder nut of noodzaak
en daar, even maar, om glimlachen,
of niet.

Het is geen bijzonder goed gedicht, maar het is een aansprekend idee dat je in poëzie zowel het mogelijke als het onmogelijke moet zien te realiseren en dat dat tegelijk alles en niets is, even zinloos als noodzakelijk. Het typeert Klok, die zich enerzijds met grote betrokkenheid in de wereld onderdompelt, maar anderzijds vooral de waarnemer en beschouwer is, ook van het eigen leven.
Een van de beste gedichten uit deze bundel is ‘De lyra’. Het laat horen hoe Klok zijn gedichten wil laten klinken.

De lyra

Nu nog leren de lyra te bespelen,
het zomergras te kleuren,
de dagen van stormen en het beven
van de aarde te dromen desnoods.

Nu nog de echo van mijn voetstappen
herkennen in de verlaten stad
met zijn uitgesleten trappen en kaalgebrand hout
dat herinnert aan verwaarloosde vriendschappen.

Nu nog de oertaal leren
en wat het steen van de berg ons zegt,
leren luisteren ook naar de olijfbomen
met hun wanen van vrede,
hun stoere kwetsbaarheid –

luisteren naar hoe ze meetrillen met de lyra,
naar hoe het sap door de nerven
schrijnt en schuurt.

In de beste gedichten stroomt dat sap. Een aanrader, deze bundel.

****
Kees Klok (Dordrecht 1951) is dichter, prozaïst, vertaler en historicus. Publiceerde eerder de dichtbundels Aan de Merwede (Kodikas, 1999) en In dit laagland (Wagner & Van Santen, 2005).
Vertaalde poëzie van Moniza Alvi (Het land aan mijn schouder, Wagner & Van Santen, 2003) en John Burnside (Het bal in de inrichting, Wagner & Van Santen, 2008). Stelde met Stella Timonidou een bloemlezing van Cypriotische literatuur samen (Wij wonen in een taal, Kruispunt, 2004) en schreef een beknopte geschiedenis van Cyprus (Afrodite en Europa, Dioskouri, 2005).
Meer info hier en hier