Gedichten

Nog een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Wim Klooster (1935)

LATER

hij fietste ’s avonds uit de stad naar huis
laat zonlicht brandde rood in verre ruiten
zestien was hij
sinds zestien maanden uit een ver land nu hier
maar hij was bijna thuis

het brussels lof stond al
op het fornuis en iemand zei kom binnen
’t is koud buiten
nachtsneeuw bedekte traag
zonder geluid een gestorven tuin, de geur van kolengruis

ja alles werd door sneeuw nu toegedekt:
het blauwe bergmeer
vuurvlieg in de holte verborgen
van zijn hand, en angst gewekt in hitte
slijk en lijkenlucht
de volte van kinderjaren

oorlog die uitlekt later
wanneer die sneeuw zal zijn gesmolten

Meliza de Vries (1982)

Zaagillusies

Je stopt jezelf in een kist na een halve pirouette
zou je een ballerina kunnen zijn maar niet vandaag
de goochelaar snijdt je met een zaag doormidden.

Je weet dat de bovenste laag van je huid
voornamelijk uit dode cellen bestaat.

De zaal vraagt zich af of je de binnenkant hebt bekeken
of je ziel een vergaderzaal is wat verder ter tafel komt
weerspiegelt in jezelf.

Soms verandert de goochelaar je in een tijger
je telt je strepen, vindt er één.

Jeannette Jansen-Kim (1957)

over namen smaken en koffie

nu is de tijd dit tempo van slakken dik als stroop vaag in fotofinish
de rug te keren en met rasse schreden drempels beklimmen
in dit land van vlaktes en waterwinnen van hoedjes van papier
en windkracht acht op de Zeelandbrug

een plek voor had-ik-maar en zwanenzang of dan toch eind goed
al goed met wankel evenwicht een laat-maar-waaien pose aanmeten
en kiezen voor een rol als extra een minuut haarscherp flaneren
in een roadmovie die niet opschiet

en vooralsnog velden klavertjes vier ongezien laten omdat zeker zijn
dat ergens op aard geen verval maar een huis met muizen
die in muren slapen we van laatste geld boter melk kaas
soms eieren tijd en klare taal huren voorop staat

een huis waarin we zonder mededogen besluiten of we nu nooit
of wie weet later eenzaam of samen kamers vullen de naam
of namen bij relatie op de Facebookpagina het bordje bij de bel
welke koffiesmaken en het aantal cups

Gedichten

Ann Dewulf (1967)

“Poëzie is een daad -jazeker- maar
het is ook een vorm van zwijgen

ook zwijgen is een daad
het is spreken over wat men
niet zeggen kan” naar R. Kopland

ZIJ

Ze leest haar lippen
in het beeld dat haar
laat spiegelen als
een vraagteken van een vrouw.

De schaduw glijdt traag
over de contouren van
het meisje dat vermist
naar haar glimlacht.

Ooit gooide ze alles
in scherven in de hoop
dat het haar geluk bracht.
Nu wacht ze geduldig
op wat nooit meer terugkomt.

Wat gaat ze mooi
aan zichzelf ten onder.

 Winter

We zijn weer later
alsof we niet beter weten.

De nachten halen de dagen in
en de gordijnen gaan nog nauwelijks open.
We houden de schemer gevangen
in dit gesloten huis van steen.
De wijn warmt wat woorden
niet kunnen en het vuur
krijgt de koude niet gedoofd.

Augustus kleeft azuurblauw
in onze donkere hoofden
toen alles nog licht en luchtig
leek en de zon oogverblindend
met mijn zomerjurkjes speelde.

Hoe geluk bleef duren
alsof we niet beter wisten.

Wim Klooster (1935)

Poëzie is alles naar waarheid invullen en er het beste van hopen.

Juni

had ik je de tuinen al laten zien
en hoe ons nieuw statig huis aardetraag
tegen de zon in kantelt
koester o koester de zomer
die sussende voorbode

wij kennen nog geen bijzonderheden
een piano stamelt in de omgeving

terwijl wind speelt met de zonwering
raakt iets in het ongerede

de klok meent: wij weten niet
echt hoe laat het is

maar de gewone ervaring
leert al anders

Gedichten

Cees Steenmetz (1964)

Als ik literatuur met muziek mag vergelijken, dan is poëzie het equivalent van jazz: geïmproviseerd, vrij en ongepolijst.


Naderend afscheid

Haar hand strijkt zachtjes door haar vaders haar
Grijze resten van zijn blonde kroon
Zijn ogen staren naar vergane tijd
Hoofd van zijn familie, op een leren troon

De schaduw van zijn stem
laat weten dat hij haar niet kent
Zij bidt, smeekt voor een goede dag
waarop hij haar opnieuw herkent

Rustig ordent ze zijn zijden das
Denkend aan de dagen
toen verleden toekomst was

Elk bezoek is er de pijn
De verwarrende gedachte
dat hij spoedig vrij zal zijn

Anne-Marijke Claeys (1957)

Ik probeer elk gedicht tot een geschenk voor de lezer te breien, laat die er zichzelf in terugvinden.


Atlas

Je draagt me
alsof ik vederlicht was
op je stevige schouders
Ik ben een wereld van verhalen,
een karrenvracht vol
opgegraven vragen
Ik ben zo zwaar
als je kracht

en toch blijf je me dragen

Je draagt me
over het ontilbaar lichte
over grijsgetinte wolken
over gladde winterwegen
over zeeën van wilde regen
over heuvels van moeizame stilte
over de grenzen van het begaanbare

Over de stroom die onomkeerbaar westwaarts glijdt
draag je me naar het einde van de tijd

Wim Klooster (1935)

Poëzie is het gedicht vinden waar je zolang naar hebt gezocht, en niet weten waar het gebleven is.


HET BLOND EN HET DONKER

het is telkens opnieuw
mijn regenjas die ik bij je moet ophalen
het is telkens weer
de geur die weet

het is telkens nog
de geur van lager honing
de sigaret die naast het glas
een spoor in het nachtkastje brandt

ik trek je laarzen uit en het is opnieuw
de middag het gretig blauw
het blond en het donker
weer de zon in het water
waarover je stem als een regatta voorbijtrekt

Gedichten

Het punt

Voor een Appel
en het verhaal van een ei
kochten zij een wens op het zuiden.

Hingen Wolkers boven hun hoofd,
legden een pad van lapis lazuli
vanaf een sofa op de derde etage
tot aan de laatste dag van mei.

Ze zeiden donder op een lijf vol regen,
maakten een totempaal van ijs.

Gingen in cirkels.

Schreven hun grootste gedachte
met klamme vingers in stof.

Beten
en maakten elkaar wijs.

Marjon Sarneel (Ava Lon)

‘t mallemoermoerasmeisje

tachtig vergeetachtig vergiet
vergoot tachtig vergeetachtig
vergiet vergeetachtig vergroot

‘t klokt, niest& ‘t staart tegen
friese staartklok klikt&heft
lammegie lammergier open
tot eendrachtig dartel een
dartel drachtige arbeidster,
knie in beemster & in zwerver
schermer schoudert gewricht,
nek onder hersenen & heersen
tot in ‘n purmer leeghwater toe
dwaalt krijn& kwijlt de kraan
nog haarlemmermeer delta
veel meer dijbenen bijbenen

eeltachtig tachtig teelt geel
tolt lach om lach eeltachtig
teel tachtig vee hoef& hoorn

‘t rijdierboerderijdier boert
‘t rijdier boerderijdier, dear!
‘t rijdier boerderijdier rendier
boert ‘t rijdier boerderijdier

‘t zoogdierachtig subtiel fossiel
‘t zoogdierachtig subtiel reptiel
vreet woelratwrat kaken samen
vreetwoelratwrat kaken aaneen
almeloër emelt larve gehemelte
‘thakte en vloog hoogvlakte
‘t liegt en vliegt laagvlakte
oppervlakte huilt al heelhuids
&verhult de onderhuidse hond

‘t oermoeras & allermoermal
‘t mallemoermoeras& meisje
veent in ‘t zijnde, in drijfzand
langs allengs eindig pad nat
vergiet straal& vergeetachtig

Chris Zuurbier (1946)
"Poëzie betekent voor mij spelen met taal, betekenis, vorm. Stripteksten, anagrammen, rijmvormen, calligrafissche elementen het moet uiteindelijk een gedicht opleveren dat iets zegt, de ene keer simpel en helder, de andere keer wat meer cryptisch."

Meisje

Mintgroene joggingbroek, jas met grote bontkraag.
Zit iets te dicht naast me.
Uit het niets is daar het verhaal, over spierontstekingen en pijnen.

Ze praat en praat maar.
Een verbale golf met aaneengesloten woorden.
Rijpe puistjes tussen oude wondjes.
Over bezoekjes aan oma met geld toestoppen.

En ik filter, ik glimlach.
Ik zeg ’ ja’ als het ‘ja’ is.
Ik zeg ‘nee’ als het ‘nee’ is.

Dan is ze weg, ik ook.
Weg zijn de verhalen.
Als een zwerm muggen met haar mee.

Yvette Rombouts (1975)
"Poëzie is voor mij een manier om me te uiten. Ik observeer veel en zet dit graag om in woorden. Vooral mensen portretteer ik graag door middel van een gedicht erover te schrijven."

ESCHER

zoals wij elkaar al zo vaak aten
een gouden stroomkring

ik besta
omdat
jij mij voelt die
jou voelt besta je
nee

de tekenhand
tekent de tekenhand die
door hem wordt
getekend nee

niets betekent
zichzelf of elkaar
wel overdek ik je met tekens
zoals ook jouw oog mij beschrijft

nadat wij zijn neergestort
is dit het, wat nog hangen blijft

Wim Klooster (1935)
"Poëzie is het gedicht vinden waar je zolang naar hebt gezocht, en niet weten waar het gebleven is."

Gedichten

POST MOLESTAM SENECTUTEM

hoe lang niet hield hij de poot stijf zij
hijgden van leven
het waren de dagen
van griekse zon achter zijn renwagen
en van naakte waarheid
zij verheugden zich in hun kinderen

ook na de ravage
bleken zij nog aan elkaar gegroeid

maar nu hangt de dissel
van eeuwen her
gekromd als cromwell onwillig
voor het laatst uit troostrijke rustplaats getrokken
geketend posthuum aan de wilgen

hoe kan hij haar ooit nog vervoeren?

 

 

IN GESPREK MET MIJN KLEINDOCHTER

– wat leunde je?
waarvan heb je gezeten?
wat heb je gedroomd?

– ik leunde moeizaam oud te zijn
ik zat wel eens van de whiskey whiskey
ik droomde in een rode roos te wonen

– een rode roos?
ja aldoor droomde ik iets te zeggen
zodat er telkens gaten vielen
die ik dan weer moest dichten

 

 

CRISIS

zij rouwden om een sterfgeval
hun geld was doodgegaan
ik ben er immers nog, zei hij
zij keek hem onverlangend aan