Recensie van As, vuur - Hester Knibbe

Kiezelstenen in de knapzak

Hester Knibbe
As, vuur
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514293
€ 17,99
77 blz.

Ik heb een voorliefde voor reeksen. Dichters die (een deel van) hun bundel door middel van een aantal samenhangende gedichten in een groter verband brengen, hebben bij mij een streepje voor.
Om die reden wekte ‘Drift’, de eerste afdeling van Hester Knibbe’s nieuwste bundel As, vuur, meteen mijn interesse. De drieëntwintig gedichten in deze afdeling hebben, zoals Knibbe in de aantekeningen achterin de bundel toelicht, elk één van de ‘oerwoorden’ uit de zeven Euraziatische taalfamilies als uitgangspunt. Een onderzoeksteam onder leiding van bioloog Mark Pagel kwam tot deze lijst onder de aanname dat de meest gebruikte woorden het minst veranderen.

De overeenkomst tussen de drieëntwintig woorden berust overigens niet op klankverwantschap, maar op betekenis. Dit geeft Knibbe de gelegenheid om rond deze woorden in haar gedichten een web te spinnen van klanken en beelden, waarmee de lezer steeds weer via een andere gang zijn eigen hoofd in kan kruipen. Knibbe bedient zich op een plezierige manier van haar taal: het geoefende oog merkt veelvuldig binnenrijm op, het geestesoor hoort muziek in de klankherhalingen die deze gedichten kenmerken. Een fraai voorbeeld is het gedicht ‘As’, dat de onderafdeling ‘Mond’ besluit:

As

          wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaap kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Stuk voor stuk geeft de dichter kleur aan de kiezelstenen, die wij zonder het te weten blijkbaar in onze knapzak meedragen, onderweg door tijd en ruimte.
Hoewel ik er bij herlezing geen concrete bewijzen voor op het spoor kwam, vertelden deze gedichten mij niet alleen een verhaal van de taal die mij verbindt met een Indiër of een Aleoet, maar vormen ze tevens een verzameling scènes met een ik en een jij (een zij en een hij), die de lezer meenemen van een eerste plek in het ooit naar een tweede plaats in het nu, als een soort eigen versie van het scheppingsverhaal. Zo krijgt deze reeks ook een ontologisch perspectief, waarin de mens niet ontstaat uit water en aarde, maar uit woorden met ritme en klank.

Want de taal speelt in deze bundel de hoofdrol, met als verdienstelijke tegenspelers de dingen die geweest zijn, verbonden, verwantschappen en ontmoetingen van vroeger. Het is de as die de lezer kan doen denken aan een vuur, ooit, waarbij hij zich in de gedichten alleen kan warmen aan de nagloeiende sintels.
Knibbe is in deze bundel nergens een strijder, nooit een brandstichter, die de lezer met taal van zijn richel wil duwen. Veel is geschreven uit het perspectief van de beschouwer, als verhalen die aan nagelaten kinderen worden meegegeven.
Ze kent haar klassieken: Orpheus, Sisyphus en Charon passeren de revue, maar ook verwijzingen naar Achterberg (de gasfitter) of middeleeuwse symboliek (de vos). Gelukkig geen modieuze beeldengrabbelton die voor surrealisme moet doorgaan. Als lezer voel ik me vrijwel altijd verbonden met Knibbe’s taalgebruik, dat door het muzikale karakter ervan vrijwel altijd meer geeft dan betekenis alleen. Veel beelden blijven nog lang nagloeien in het onderbewuste.

‘Stroom’, het tweede deel van de bundel, bestaat uit een aantal kortere en langere reeksen, waarvan ‘Leeftocht’ met vijftien gedichten de meest omvangrijke is. Volgens de aantekeningen is deze reeks kleiner en in een andere volgorde reeds gepubliceerd als gedichtendialoog met Miriam Van hee.
Hoewel de titel lijkt te wijzen op een reis door het leven, gaf deze serie mij meer dan eens de indruk van een verzameling vakantie-indrukken met een Zuid-Europees decor. De gedichten zijn minder pregnant dan die van de eerste afdeling, de contouren zijn vager en de tinten lijken meer pastel. Ik neem hier het slotgedicht over, met name omdat het de voor mij mooiste passage van de bundel bevat (‘[…] En terwijl ik hier in de kou van de avond / op noorderlicht sta te wachten, […]’):

Waar je ook bent, men moet zich
een huishouden maken, schreef je.

Ik nestelde mij tussen bergen en fjord, wiegde
mijn lichaam in wind, ving regen, vergaarde
voor wat ik moest maken. Had ook dit keer

verwachting op zak, ging er als altijd
mee voor het raam staan, zag, vergeleek, ja in elke
stad op iedere plek die ik aandeed keek ik wat

het verschil was en het verschil maakte de reis
tot het vreemde waarnaar ik verlangd had. Zoveel

bruggen overgestoken, door zwarte verkreukelde
aarde gegaan. En terwijl ik hier in de kou van de avond
op noorderlicht sta te wachten, zit jij daarginds

in het zuiden misschien voor het laatst deze zomer
onder de sterren aan tafel, hoor je de roep van de uil
sluit af.

***
Hester Knibbe (1946) is een Nederlandse dichteres. Ze woont sinds 1972 in Rotterdam, waar ze in 2015 tot stadsdichter werd benoemd. Knibbe beheerde als klinisch-farmaceutisch analiste lange tijd het laboratorium van een ziekenhuisapotheek. In 1982 debuteerde ze met Tussen gebaren en woorden. Daarna verscheen van haar een tiental dichtbundels. Haar werk is diverse malen bekroond. As, vuur is haar twaalfde bundel.

Poëzie Kort 2016 / 12

 

Hester Knibbe, Oogsteen

(Door Paul Roelofsen)

In 2009 werd de verzamelbundel Oogsteen van Hester Knibbe uitgegeven en Johan Reijmerink schreef daar voor Meander een doorwrocht analytische en lovende recensie over. Het betrof een selectie door de dichteres uit gedichten die zij schreef tussen 1982 en 2008.
Nu, eind 2016, verschijnt een nieuwe versie van Oogsteen, waarin ook gedichten van na 2008 zijn opgenomen.
Wil men over de gehele bundel worden geïnformeerd, lees dan zowel de recensie van Reijmerink als deze die in het kort de poëzie van Knibbe na 2008 belicht.

Wie mondjesmaat gedichten van Hester Knibbe leest, kan niet anders dan razend enthousiast worden: het lenige taalgebruik, de verrassende enjambementen, het evocatieve afbreken van zinnen, de diepgang. (Deze dichteres is niet voor niets veelvuldig gelauwerd: VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs, Anna Blamanprijs, Adriaan Roland Holstprijs).
Leest men meerdere gedichten van voor 2009 uit deze bundel achter elkaar dan kan er nog iets gebeuren; ik werd er enigszins neerslachtig van, ondanks de schoonheid van deze poëzie hangt er een zweem van somberheid over. Van een herhaald en herhaald zoeken maar niet vinden, van een vergeefse ‘worsteling met de vergankelijkheid’ zoals Reijmerink het noemt.
Maar in de toegevoegde poëzie in deze verzamelbundel, de integraal opgenomen bundels Het hebben van Schaduw en Archaïsch de dieren, trekt Knibbe de grijssluier op, de zin- en toonzetting worden directer, omwegen worden vermeden, de lezer krijgt lucht. En inhoudelijk verandert er ook iets: waar de floers verdwijnt, dringt een persoonlijke, grote ongerustheid binnen omtrent het dier Mens, tot alles in staat, ook tot wereldwijde (zelf)vernietiging. Uit ‘Pro domo’: ondanks je zachtheid ben je / geschapen voor de verwoesting.
De inleiding van deze afdeling:

En ze zeiden dat

zegenen helpen betekent, maar er waren die nacht
zoveel wonden op de wereld dat mijn ogen
en benen verlamden. En ik was

bang, bang voor bloed aan mijn handen en
dat ik daarmee dan over mijn gezicht buik
en armen. Daarom riep ik

zegen mij zegen mij de angstige.

Hoe knap en geserreerd het eerste deel van dit werk ook is, de laatste twee bundels die er in zijn opgenomen vormen het absolute hoogtepunt.
Daarom: al heeft men reeds de editie van 2009, dan toch opnieuw naar de boekwinkel om ook deze aangevulde Oogsteen aan te schaffen.

***
Hester Knibbe (2016). Oogsteen. De Arbeiderspers, 454 blz. € 29,99

 

James Joyce, Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik

(Door Hans Puper)

Een traditionele bundel van Joyce is wel het laatst wat je zou verwachten, maar Pomes Penyeach (1927), door Paul Claes vertaald als Poëzie voor een prik, is dat wel degelijk. Het is zijn tweede bundel; Chamber Music, even traditioneel, verscheen in 1907.

Het eerste gedicht stamt uit 1904, het laatste uit 1924; de overige gedichten werden geschreven tussen 1912 en 1918. De bundel is tweetalig. Naast zijn vertaling voorzag Claes hem van een nawoord en aantekeningen bij ieder gedicht. Hij bewijst de lezer daar een dienst mee, want de gedichten zijn sterk autobiografisch. Joyce’s vriend Ezra Pound wees ze om die reden al voor de publicatie af met de woorden: ‘They belong in the Bible or in the family album with the portraits.’ Het is romantische poëzie over de onherroepelijk voortschrijdende tijd, vervlogen of bestaande liefde – altijd weemoedig makend – en daarnaast het verval: in zijn geval de angst voor blindheid door groene staar.

De titel Pomes Penyeach betekent letterlijk ‘Gedichten voor een penny per stuk’. Claes in zijn nawoord: ‘Het werkje kostte één shilling, dus twaalf penny. In werkelijkheid bevat hij niet twaalf, maar dertien gedichten: het dertiende gedicht is een extraatje. De spelling ‘pomes’ imiteert de slordige uitspraak van ‘poems’. Omdat het woord klinkt als het Franse ‘pommes’ (appels), kreeg het [door Sylvia Beach van boekhandel Shakespeare and Company] in Parijs uitgegeven boekje een appelgroene kaft.’

De gedichten zijn eerder vertaald in het Frans door Georges Pelorson. Joyce vroeg hem het ritme van het Engels te handhaven en dat is wat Claes met zijn Nederlandse vertaling ook heeft geprobeerd. Hij heeft het zich daarmee niet gemakkelijk gemaakt. De eerste strofe van ‘On the beach of Fontana’:

Wind whines and whines the shingle,
The crazy pierstakes groan;
A senile sea numbers each single
Slimsilvered stone

Wind giert langs gierend grind,
De pier kreunt in ’t getij
De zee telt als ontzind
Elke slibsilveren kei.

Een enkele keer vind ik de vertaling gewrongen. Een voorbeeld. Joyce schrijft in ‘Bahnhofstrasse’, het gedicht dat gaat over Joyce’s eerste ervaring met staar, de regels: ‘The eyes that mock me sign the way / Whereto I pass at eve of day, // Grey way whose violet signals are / The trysting and the twining star’. Claes vertaalt het tweede distichon met: ‘De grauwe baan verlichten fel / De sterren van weerzien en vaarwel.’ Ik lees dit als: ‘de sterren van de grauwe baan verlichten hem fel.’ Ik heb moeite met de volgorde van Claes’ regel.

Maar dit zijn kleinigheden. Claes leert ons – mij tenminste – een traditionele Joyce kennen in een kleine, goed verzorgde uitgave.

***
James Joyce (2016). Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik. Vertaling en nawoord door Paul Claes. Koppernik, 44 blz. € 15

 

Martin Knaapen, Ik, mijn broer

(Door Hans Puper)

Als ik Martin Knaapen lees, denk ik aan blues. Relaties zijn moeizaam, de ‘ik’ is soms een underdog, het dagelijks leven zwaar, het verleden kun je het best vergeten en het verval is onherroepelijk. Neem de laatste drie strofen van ‘steeg’, eenvoudig, illusieloos:

het bankje in de kleine steeg
duwt rauwe latten
diep in mijn vlees

wanneer ik ga staan
strekt mijn lijf
zich oud versleten

en nestelt
de nieuw verloren dag
zich pijnlijk in mijn botten

Maar een depressief makend debuut is dit niet. Knaapen is ook de dichter van de schoonheid en ruimte van het Hoogeland in het noordoosten van Groningen, het land dat onverbrekelijk is verbonden met de weemoed van Ede Staal. Knaapen: ‘dit is het land van kleischilders / dromers en poters / van aardappelen en vis’. Maar idyllisch is het bij hem nooit. Hij vervolgt: ‘en de lucht van armoe en uitbuiting / van incest en drankmisbruik / en eenzame doden in de modder’. Het gedicht ‘vorst tot de dooi’ lijkt een uitzondering te vormen. In het lege landschap schaatst het lyrisch ik met ruime wind over zwart ijs, de omstandigheden zijn ideaal: ‘groter word / ik niet / dit is mijn rijk / ik ben vorst / tot de dooi.’ Eerder in het gedicht heeft hij gezegd dat hij al schaatsend de mens heeft verlaten; kennelijk is dat een voorwaarde voor zijn kortdurende geluk, maar na de dooi zal hij echter tot hen terug moeten keren.

De gedichten zijn eenvoudig, weerbarstig soms – het werkwoord ‘schuren’ komt in verschillende gedichten voor – en dat werkt goed. Je kunt uitgebreid vertellen dat je het verleden achter je wilt laten, maar je kunt het ook zo zeggen: ‘ik heb een minimaal verleden / en het liefst lees ik alleen / de laatste pagina’. Mooi.

***
Martin Knaapen (2016). Ik, mijn broer. Uitgeverij Stanza, 66 blz. € 15,-

 

Renaat Ramon, Draagvlak en vizier

(Door Hans Puper)

Draagvlak en vizier brengt je in een goed humeur. Dat komt door het robuuste, ritmische en heldere taalgebruik van Ramon. Zo zegt hij in het gedicht ‘Woordwisselwoord’ over de poëzie van Marc Insingel onder andere:

Er is zin
tussen de regels
er is
        tussenzin.

Zo worden zinnen
geregeld
tegen regels in

Anderen hebben voor zo’n typering enkele bladzijden ingewikkeld proza nodig.

Een ander gedicht heet ‘Stadhouderslaan 41’, wat het bekende eenregelige gedicht van K. Schippers in gedachten brengt: ‘Stadhouderskade 42’, het adres van het Rijksmuseum. Laat Stadhouderslaan 41 nu het adres van het Gemeentemuseum in Den Haag zijn!

De bundel kent drie afdelingen. ‘Dierbare vrienden’ is de eerste. De gedichten zijn zonder uitzondering opgedragen aan vrienden als Jozef Deleu, Claudius Asnedius Montanus (in wie ik door Ramons dichtregels H.C. ten Berge meen te herkennen), Ludo Frateur en anderen. De dichter kenschetst hen, suggereert een dialoog of houdt een monoloog. Het laatste gedicht van die afdeling heet ‘Reunie’. De pauze na de retorische vraag is een vermakelijke demonstratie van de bovengenoemde ‘zin / tussen de regels’:

( … )
Hebben we niet al te vaak
Naar versierde stemmen geluisterd?

Juist. ( … )

‘Memorandum is de titel van de tweede afdeling – niet vreemd voor een dichter die onlangs tachtig is geworden. Ramon gedenkt hierin dichters als Marc Braet en Marcel van Maele, maar bijvoorbeeld ook de zestiende-eeuwse filosoof en Copernicusaanhanger Giordano Bruno.

Het derde deel, ’Grand Café Parnas’, bestaat uit een cyclus van vijf gedichten. Hierin laat de dichter – zelf toeschouwer – vier totaal verschillende dichters bij elkaar komen. Over een van hen zegt hij: ‘Een middelvinger / klopt regelmaat op het tafelblad. / Duidelijk iemand die van amfibrachen / houdt en het raadsel ritmisch vergroot.’ Dat zijn regels die ik zonder moeite onthoud.

***
Renaat Ramon (2016). Draagvlak en vizier. PoëzieCentrum Gent, 48 blz. € 19,95

Gedichten

Thebe

*
Aan het spit draait het lam, poten
gebonden, kop nog verbijsterd. Denk

eeuwen aan tijd weg, sta je plots naast
een oud offer: een lam voor een gedachte
een kind voor gunstige wind, het hart
van een wiegeling om eigen lijf
veilig te stellen. Denk

de discomuziek op de bergrug weg, blijft
het vertrouwde gezoem van bijen, mus
en zwaluw hun nest en de angst om de wind
in het zeil te verliezen, eigen ziel
te zien vliegen. Liefste

laten we met het hoofd naar het oosten
een zoon maken.

*
En hij bestond. We pakten hem
op, zwierden hem in het rond en
nog eens en hij kraaide want hij was
in lievelingshanden en toen was het

hup de wereld in met je hart
dat men afpakken kan, kan breken
in een hoek smijten: niks waard zo’n

hart geen porselein of goud, meer een roestig
soort klei en je hebt er zoveel van, ook het jouwe
gaat straks op de schroothoop. Maar hij

wilde niet weg, hij wilde
groeien en blijven waar het goed was en goed
wilde hij worden met vileine streken. Schulp

is een woord als schuld, de kom waarin elk
rondkruipt, telkens opnieuw het lichaam
verkent: ben ik dat, een soort groot

gebaar waarmee ik soms iemand
in het gezicht sla?


Vrijspraak voor Kaïn

de zoon

Schuld is een afspraak. Ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger

te stijgen. Het zwerk, hoger en sterker dan alle
op aarde gemaakte goden, is mijn getuige.

Restte as + rook die wegdreef met zijn geprevel

waarvan ook geen syllabe bleef hangen.
Offer: een leven voor een gedachte.

Dacht: schuilt er dan een belofte
in dood? Ik, zijn hoeder, zal hem uit erbarmen
van zijn povere staat hier op aarde
verlossen.

Wij waren de naamloze dochters van Adam
werden in stilte geboren, baarden

geen opzien, deden verstomd
onze plicht bij het vuur. Zonder ophef

raakten we zwanger, baarden en zoogden
onnozele wichten, poogden ze ampel

voor ramp te behoeden.
Stierven geruisloos.


Zog

Was ik een zeedier geweest met meer dan
zeven tentakels, ik had zonder bedenken
het stof van ze afgewaaierd zodat ze

konden ademen. Maar ik moest het redden met enkel
één hart wat hersens en deze twee handen.

Ik heb ze gekoesterd gevoederd gevoed met
gedachten aan later, maar iets in ze wilde niet
groeien, is lummelig misgegaan. Badwater te

warm of te koud, foute sokjes aan? Te weinig
of juist te veel doodgeknuffeld, haartjes te
kortgeknipt of te strak in vlechtjes gedaan?

Maar al wouen ze niet, ze moesten en zouen, ik heb ze
gelukkig gescholden gedwongen terwijl ik wel wist
hoe het leven je soms. Slavenwerk, dwangarbeid.

Vier gedichten uit de bundel ‘Archaïsch de dieren’,
bekroond met de VSB Poëzieprijs 2015

Gedicht

Opnieuw wonen

  1

Laten we weer gaan wonen in het oude
huis ook al is het beschadigd, dat
herstellen we wel, later, en dan nemen we de oude
hunker als bed, gaan zitten in oude verhalen, zetten
de borden tussen de butsen op tafel, scheppen ze vol

met wat we vroeger ook aten. En zo
worden we bijna gelukkig misschien, koesteren
de doden stil in hun graven, schoffelen die elk
seizoen met een ander soort weemoed terwijl
we verzinnen wat ze nu zouden. Laten we

weer gaan leven op de krakende vloer
als vanouds wat rag in de hoeken.

  2

— Nee, dat gaan we niet doen. We bouwen
een nieuw huis, maken een nieuw
kind en dat geven we een nieuwe naam.

We gaan niet met roestige teilen, emmers en heimwee
sjouwen onder een lekkend dak, niet langer
kermen om hoe het was, de stad
is verwoest ja, en ja een voltreffer gooit
ook de inboedel plat van het hart. We gaan

dansen onder een nieuw
dak en onder nieuwe lakens onstuimig
een liefde uitvechten, nieuwe borden volscheppen
met onbekende gerechten.

  3

— Vanwege? Opdat? Laat die
oorlog toch zitten gekkie, hou op met je
hooggehakt droefzwart strompelen over die catwalk
alleen om schamel applaus en gejoel van een
schimmenpubliek binnen te slepen. Stamp

liever blootvoets stamp
tot een onhoudbaar ritme door je benen je bloed
swingt je longen vult, uit je poriën dampt. Wij

hebben genoeg huiver
door ons lijf voelen trekken, bang bang
bang kun je zijn voor wat ons straks zal kortsluiten.

   4

— Goed dan, we laten de muren staan, lappen
de ramen, boenen de bloedvlek niet weg maar
gooien de tobbe de deur uit slopen de bedstee+het
armoedige aanrecht vanwege onze huidige
passie en kost. Akkoord, die

tafel met butsen mag blijven, ja ja ook
een hoekje met spinrag, we bouwen
er wel een altaartje onder met

parafernalia foto’s en kaarsen, oké die
horen erbij tot ook wij.

Recensie van Archaïsch de dieren - Hester Knibbe

Het menselijk tekort

Hester Knibbe
Archaïsch de dieren
Uitgever: De Arbeiderspers
2014
ISBN 9789029589215
€ 18,95
84 blz.

Stel dat ik in een paar zinnen een karakteristiek zou moeten geven van Archaïsch de dieren. Ik zou dat als volgt doen:

Deze bundel gaat over de condition humaine. Grote schrijvers en dichters zijn Knibbe voorgegaan, maar het lijkt of zij daar als eerste over schrijft. Dat komt door haar onmiskenbaar persoonlijke werkwijze, zowel vormtechnisch als inhoudelijk. Daarnaast laat zij zien dat het schrijven van deze poëzie voor haar niet vrijblijvend is, maar noodzaak. Als je dat over kunt brengen, heb je een uitstekende vormbeheersing. Velen voelen hetzelfde, maar kunnen dat niet uitdrukken.

Misschien zou ik het bij deze opmerkingen moeten laten en de lezers de bundel vervolgens aanbevelen. Deze is zo rijk, dat iedere bespreking hem tekortdoet. Ik doe toch een poging.
Vooraf: Archaïsch de dieren is een tweeluik, bestaande uit Vrijspraak voor Kaïn en Er is altijd. Het eerste deel heeft vier subafdelingen, het tweede geen.

Vrijspraak voor Kaïn
La condition humaine, de roman van Malraux, werd door Du Perron vertaald met de titel Het menselijk tekort. Zijn interpretatie is ook op deze bundel van toepassing.
De afdeling heeft een motto van Queen, regels uit de song’ Bohemian Rapsody’:

                    I see a little silhouetto of a man,
                    Scaramouche, Scaramouche, will you do the Fandango.
                    Thunderbolt and lightning,
                    Very, very fright’ning me.

De man is angstwekkend, hij vormt een gevaar. Ons gedrag als spel om een bedreiging te bezweren: dat is een belangrijk motief in Vrijspraak.

In tegenstelling tot dier en kind is een volwassene zich niet alleen van het heden bewust, maar ook van het verleden en de toekomst. Het gelukzalige hier en nu hebben zij moeten verlaten. Ze weten. Er is geboorte, maar ook de angst voor verlies. Er is toekomst met aan het einde de dood. En dat alles in een onherbergzame, onveilige wereld, waarin ook je medemens een bedreiging kan zijn.
Knibbe gebruikt de verdrijving uit het bijbelse paradijs als beeld voor la condition humaine. Adam en Eva, aangeduid met het universele ‘wij ‘, beginnen te twijfelen: een rivier komt ergens vandaan en gaat weer ergens naartoe, pitten die ze op de grond spugen ontkiemen. ‘Dus moest er wel// meer zijn onder de zon, iets/wat je aanvang zou kunnen noemen en einde.’ Gevolg: de verbanning die het begin is van alle ellende. Zonder een thuis kunnen mensen niet:

We zochten een weg naar slaapplaats
en blijven, hadden zo’n lijf

dat een plek wilde hebben iets
eigens van minstens twee armen wijd

En schuldig zijn ze niet: ‘hadden we/ hersens gekregen om niet te willen//weten? (… ) Hadden we dáár om gevraagd?’
Dit zijn tevens voorbeelden van Knibbes vaak ontnuchterende, licht humoristische stijl. Die maakt constateringen soms lichter, draaglijker, soms schrijnender.
De mens voelt zich bedreigd en eenzaam. Dat is het begin van godsdienst:

Eenzaamheid werd een stem
die ons toesprak, kreeg van die ogen. Doen

zei de stem ondanks je zachtheid ben je
geschapen voor de verwoesting.
Dat het

moest, blonken die ogen en dat we daarna
als een kind zouden slapen. ( … )

Wat moest is ‘profetieën schrijven over wat de wereld te veel heeft// tekortkomt en dat alleen een vonnis/ dat wegsnijdt en rafelt voorgoed/ kan genezen.’
En wat is het gevolg? We ‘bliezen in onze dooie// uppies verderf over het land opdat/ men zou weten van ons zou weten.’ 
Let wel, het gaat om een beeld. Je kunt bijvoorbeeld ook denken aan de heilsprofeet Marx en zijn toegewijde volgelingen Stalin en Mao.

Als de zaken zo staan moet je wel vrijspraak bepleiten voor Kaïn, zoon van Adam en Eva. Hij is barmhartig. Denkend aan zijn broer Abel overweegt hij het volgende:

Schuld is een afspraak. Ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger

te stijgen ( … )

Offer: een leven voor een gedachte.

Dacht: schuilt er dan een belofte
in dood? ik, zijn hoeder, zal hem uit erbarmen
van zijn povere staat hier op aarde
verlossen.

(Nog een bekende regel uit ‘Bohemian Rapsody’: Mama, just killed a man – )

De laatste subafdeling van Vrijspraak voor Kaïn heeft als titel ‘Archaïsch de dieren’, net als de hele bundel en een gedicht dat hieronder nog aan de orde komt. Op het laatste gedicht na, bestaat dit gedeelte uit de serie ‘Thebe’. Knibbe was daar in 2012, waar zij vergeefs de restanten van het oude paleis buiten de stad probeerde terug te vinden. ‘Thebe’ doet natuurlijk ook denken aan het gedicht van Achterberg, waarin hij een geliefde uit de dood probeert op te roepen. In beide gevallen wordt nog eens benadrukt dat het verleden voorgoed onbereikbaar is en daarmee de doden die je het allerliefst waren. Het gruwelijkst is het als je een kind verliest. Dat kan alleen nog in de verbeelding bestaan:

Vannacht kwam hij thuis, jong als we waren
geen jaren verstreken, bekeek me en zei
je bent ouder geworden.
( … )
En ik gaf hem tijd en spelen

Al dit lijden wil je kinderen besparen, je wilt niet dat ze van het wrede leven weten. Laat hen onbezorgd leven in het paradijselijke hier en nu:

Onder de Melkweg zonovergoten
archaïsch de dieren. Maar laat

de kinderen met rust, zij moeten nog
komen te weten ( … )

Voor hun onwetendheid zijn desnoods zoenoffers beschikbaar, zegt de dichter gekscherend, zoals je haren zaligheid nagels of

( … ) een handvol
graan voor het brood dat je eet en zorgzaam
geeft aan het kind dat speels de muis aan
de kat voert, luid zingend de spin een poot
de duif een slagpen ontvreemdt.

De ironie is, dat ook kinderen in hun onwetendheid al wrede beesten zijn.

Archaïsch de dieren
Drie keer ‘Archaïsch de dieren’. Veel nadruk dus. In dit gedicht een beeld voor bedreiging, archaïsch omdat het om beelden uit de Egyptische oudheid gaat, maar ook omdat die bedreiging al sinds mensenheugenis bestaat. Als titel van de hele bundel: in hun overlevingsdrang zijn mensen wreed. De oudste delen van onze hersenen reageren als die van dieren. En, op een heel andere manier, een verwijzing naar het gelukzalige hier en nu in het paradijs, het ontbreken van het tragisch bewustzijn, alleen voorbehouden aan dieren en kinderen.

Het is niet uitsluitend droefenis. De subafdeling eindigt met het gedicht ‘Ja’. De liefde maakt het menselijk tekort aanvaardbaar:

( … ) we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.

( … )
we houden elkaar gewoon
Bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen

Mooi is de regelafbreking na zijn: ondanks alles zijn we, we leven.

Er is altijd
Er is altijd heeft geen subafdelingen en is aanmerkelijk korter dan Vrijspraak voor Kaïn. De toon is lichter en de bijbelse metaforiek ontbreekt vrijwel geheel. Wij zijn de uitvinders van ons verlangen, luidt het motto. Knibbe beschrijft op originele wijze een universele levenscyclus die zij op een persoonlijke manier uitwerkt:

Ook als het nest
een ratjetoe is
van toevallige
vondsten
legt zich het ei
en breekt
ten slotte.

Een belangrijk motief is het slordige hoofd, een eerste kindertekening van jezelf, het begin van een persoonlijkheid dus. Aanvankelijk is die tekening nog rudimentair:

( … ) met twee
ogen geen
mond nog wel
armen en benen geen
handen en voeten

Gaandeweg wordt die ingevuld: er komt een hand die begint aan een onvolmaakte curve: ‘het is tijd het is tijd het is// tijd voor ( … )’ en dan komt er een invulling. Tijdsbesef dus, maar op een veel lichtere manier dan in Kaïn. Aan het eind van het leven vindt het ‘oog in het slordige/ hoofd ( … ) zonder de moeite van handen en voeten de weg.’ Dit is een voorstelling van de dood: ‘er is altijd/ een laatste// breken door vlies en schaal.’

Tot slot
Ik hoop dat ik een goede indruk van deze bijzondere bundel heb gegeven. Er is nog veel meer: de wanhoop van de moeder die haar kind niet kan beschermen (‘de paniek van zijn moeder// die riep: er is noodweer op komst. Hij/ zat daar maar veel te niet bang’); de uitgeholde beschaving, verbeeld door het toeristenbezoek aan Jeruzalem: ‘op de kruisweg een luidruchtige bende/ met klikkende fototoestellen en amberkleurige/ kruidenverkopers, god hebbe hun handel.’
Een aanrader.

***
Hester Knibbe (1946) debuteerde in 1982 met de bundel Tussen gebaren en woorden. Nadien publiceerde zij nog een tiental bundels, waaronder Een hemd van vlees (1994), Een dunne duurzaamheid (1999), De buigzaamheid van steen (2005), Bedrieglijke dagen (2008) en Het hebben van schaduw (2011). Haar werk is bekroond met de Herman Gorterprijs (2000), de Anna Blamanprijs (2001) en, in 2009, de Adriaan Roland Holst-Penning. De uitreiking van de laatste viel vrijwel samen met de verschijning van Oogsteen. Een keuze uit de gedichten 1982-2008.