Recensie van Witte vlag - Emily Kocken

Een intelligente, ontregelende roman

Emily Kocken
Witte vlag
Uitgever: Querido
2013
ISBN 9789021446639
€ 19,95
392 blz.

Met haar debuutroman Witte vlag heeft Emily Kocken, die een aantal jaren een gewaardeerd poëzierecensent voor Meander was, direct de aandacht weten te trekken. Na verschijning werd in het vaste Volkskrantrubriekje de eerste zin geciteerd (‘De stok die ik gooide naar de eerste hond die ik van mijn vader mocht trainen, kwam niet terug.’) Voor veel boeken blijft het dan bij die eenmalige signalering, maar al een week later kwam de positieve recensie van Arjan Peters die sprak van een fascinerend boek, dat van de lezer weliswaar geduld vraagt om het te veroveren, maar hem daarvoor beloont met secuur geslepen zinnen.

Op het achterplat wordt de roman ongeveer als volgt samengevat:
Het leven met de in Amsterdam gevestigde Amerikaanse kunstenaar Henry Theodore Watson is voor de jonge Elzbieta Różewicz een vlucht uit het Berlijn van 1999, waar ze alleen was achtergebleven nadat haar van oorsprong Poolse ouders – dierenartsen die moesten leven als hondentrainers – waren omgekomen bij een auto-ongeluk. Henry laat haar in het begin van hun huwelijk nog meewerken aan zijn kunstprojecten, maar na een vernietigende recensie van hun performance in het Stedelijk Museum sluit hij haar buiten. Wanneer Henry in New York is, sterft hun doodzieke hond. Henry grijpt de situatie aan voor een nieuw kunstproject. Elzbieta’s gedrag begint provocerende trekken te vertonen.

Het is een synopsis die nauwelijks recht doet aan de inhoud van de roman, die het niet van de zich traag ontwikkelende verhaallijn moet hebben, maar in de eerste plaats van de weergave van de gedachte- en verbeeldingswereld van de hoofdpersone.
Bijna 400 bladzijden lang, in 110 hoofdstukjes, soms niet langer dan een enkele zin of een paar woorden, zijn we in het hoofd van Elzbieta Różewicz die Elisabeth Watson-Różewicz werd. Omdat zij regelmatig in staat van verwarring verkeert, staat de lezer telkens voor de keus het perspectief op de beschreven gebeurtenissen wel of niet betrouwbaar te achten, of dat nu gaat om het sterven van de doodzieke hond, de vervuiling van het appartement (ergens tussen Kinkerstraat, Surinameplein en Rembrandtpark), de merkwaardige prioriteiten van de politieagenten van het korps Amsterdam-Amstelland, het weinig adequaat zijn van maatschappelijk werk, de impact van wildplassen, de overlast die buren elkaar kunnen aandoen en nog diverse andere onderwerpen.

Centraal staan echter – naast de huwelijksproblematiek – de pogingen van Henry met de hond een kunstperformance à la Joseph Beuys te realiseren, wat juist tegen de achtergrond van de manifestatie ‘Nederland schreeuwt om Cultuur’ (het massale protest tegen de voorgenomen cultuurbezuinigingen van het kabinet op 20 nov. 2010) tamelijk hilarisch werkt, en de vlucht van Elzbieta in de eigen dichterlijke verbeelding die gericht is op Rilke en de Poolse dichter Tadeusz Różewicz, met wie zij haar achternaam deelt. De inleving in een zelfgecreëerd dichterlijk personage – haar al of niet fictieve overbuurman – , een soort mannelijk alter ego, is als het ware háár performance, mooi verbonden met lijntjes naar de taxidermiste elders in het land die voor het opzetten van de hond moet zorgen.

Witte vlag is een intelligent geschreven boek, waarin de verhaalde gebeurtenissen ondergeschikt zijn aan het schrijfproces; in een wat onderkoelde, ontregelende stijl wordt het dwangmatige, wereldvreemde, gedesoriënteerde knap uitgedrukt. Daarbij is het, naast een ‘kunst-‘ boek, ook een ‘talig’ boek. Er komt relatief veel Duits en Engels in voor, er worden gedichten geciteerd, maar vooral grossiert het in mooie zinnen, Peters zei het al.

Twee voorbeelden uit vele: ‘De ekster. Of hij weet dat stil zijn op dit moment gepast is? Wijdgestrekt en streperig zijn de vleugels wanneer hij neerkomt op de tak, en kalm de vleugels die hij vouwt, de kop op, de ogen van hieraf niet goed te zien, de ernst van een jonge lichtmatroos bij het strijken van de zeilen.

Ook heel fraai: ‘Welke straat is in staat mij meer in de steek te laten dan de straat waar ik sinds jaar en dag in stilte hoop dat heimwee mij verlaat? Voor de deur staan van mijn huis en dankzij overspannen verwachtingen (zeg angst) om me heen in de huizen van de anderen enkel lege ramen zien, omdat niemand weten wil wat mij overkomt.’

Witte vlag kreeg een motto mee van Alain Badiou uit diens Handbook of inaesthetics: ‘Art is incapable of the truth.’ Emily Kocken schreef een wáár boek. Literaire kunst, zonder meer.

***
Emily Kocken (New York, 1963) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze publiceerde onder meer korte verhalen in De Revisor en in Tortuca, een tijdschrift voor literatuur en beeldende kunst.

Recensie van zet af en zweef - Hélène Gelèns

Ongeremd rennen

Hélène Gelèns
zet af en zweef
Uitgever: Cossee
2010
ISBN 9789059362499
€ € 16,90
64 blz.

Na haar eigenzinnige debuut Niet beginnen bij het hoofd in 2006 is er met zet af en zweef nu de tweede bundel van Hélène Gelèns. Haar muzikale omgang met de taal, humor, filosofische ondertoon en experimenteerdrift levert weer een bijzondere bundel op.
De titel intrigeert: voorspelt tempo, positie bepalen en loslaten en vooral veel lichtheid; het is een vriendelijke uitnodiging om, maar kan ook worden opgevat als een commando tot. Wie mag of moet er gaan zweven? Waar zet hij of zij zich van – of tegen – af?  Op dergelijke commando’s in vele ‘toonaarden’ heeft de dichter patent, er wordt in deze bundel heel wat aangeroepen. Soms dwingend van toon, soms totaal los en vrij. Een herhaald ‘Doe dit, laat dat’ zou kunnen gaan irriteren als het niet zo’n fris, ik zou zelfs zeggen ‘origineel’ ingezet stijlkenmerk was van de dichter.
Ook ruimt de dichter een belangrijke plaats in voor stilte, een pas op de plaats… De woorden stuiteren over elkaar heen, de dichter snelt de paden van haar verbeelding af (maar nooit zonder het doel van haar exercitie uit het oog te verliezen) en dan trapt ze vaardig op de rem, zet alles stil om vervolgens weer met onstuitbare energie vooruit te stormen. In met name het eerste deel, dat de subtitel ‘ongeremd rennen’ draagt, buitelt de dichter met vallen en opstaan door de wereld.

Haar thema’s zijn ondermeer de kracht van het katatonisch moment binnen het leven van alledag: ‘of je ruim ademt je thuis waant / hier in dit rap voortrollend nu’. Een leven geleefd door doodgewone mensen. De stad is vaak het decor, met een wetenschappelijk lab om de hoek, rennen langs ‘vondel’ – het is lastig om niet aan Amsterdam te denken, wetend dat de dichter er woont, fiets, rent, leeft.  Ook de ruimte die zij in haar gedichten geeft aan klank, nadruk op lawaai, behoefte aan en uitdrukking van dadendrang en actie, en wat verderop zal blijken, een vasthoudend knokken om een verbinding met het betere buiten aan te gaan, lijkt een door veel stadsmensen van vandaag de dag gedeelde, en dus urbane wens. Dat geeft aan het werk van Gelèns iets heel actueels. en geeft de vragen die zij stelt zonder ze te stellen importantie zonder er zelf veel poeha over te maken.
Ook prettig: de onbedwongen luchtigheid die in veel gedichten wordt ingezet, heeft meestal een donkere ondertoon. Al is donker niet het juiste woord, het is ongrijpbaar, moeilijker te duiden dan de eerste laag of ‘stem’ die zo overduidelijk te lezen en te horen is. Want deze gedichten vragen om stem! Doe jezelf als lezer een plezier en lees ze hardop!

zet af en zweef bestaat uit vier delen, zoals in een (traditionele) klassieke symfonie. Gedichten hebben op hun beurt vaak weer een twee- of driedeling, met bijvoorbeeld een tegenstem in het middendeel. Refreintjes komen op de juiste momenten, motieven verknopen met andere motieven middels korte anticiperende motiefcellen. Met Gelèns’ liefde voor de muzikale vorm, is dit nauwelijks een verrassing te noemen. Het geeft structuur en samenhang aan de speelse, wat dadaïstische insteek van het werk.

In het eerste deel (‘ongeremd rennen’) kiest een enthousiaste volwassene voor een kinderlijk gevoelsleven, een ware onderdompeling in fysieke sensaties. Ook spreekt er een verlangen uit naar een eenwording met de natuur. In het tweedelig gedicht ‘Niet wij rennen’ dendert dit verlangen regel voor regel van de bladzij. Een gedicht met een kleine clou op het end. De sfeer dromerig, schurkend tegen een nachtmerrie aan. De vrolijkheid heeft een beschouwende ondertoon, dreigend? Als je teveel nadenkt zou je kunnen vallen. Het is de ratio van de volwassene die de pret van het kind in hem een beetje bederft.

Niet wij rennen
I

we denken aan doelloos aan ongeremd rennen
we rennen en rennen vertragen het beeld
zet af zweef en land

Mooi hoe het denken aan doelloosheid wordt gekoppeld en door een als mechanisch op te vatten ingreep in feite een uitnodiging is om terug te keren naar de wens om gewichtloos te zijn. Om in de volgende alinea op ‘lichaamswet’ en wilskracht uit te komen. En weer het refrein ‘zet af zweef en land’:

elke pas rolt van de hak
naar de bal van de voet naar de grote teen
elke afzet vol kracht elke pas wordt een sprong
zet af zweef en land zet af en zweef
 
we zweven en zweven in ongeremd rennen
we luchtklieven meer dan we grond raken
zet af zweef en land zet af zweef land zet af

De muzikale herhaling werkt bezwerend en hypnotiserend. Het denken zit in de weg of is juist een hulpmiddel. Dat ellendige dubbelding dat de mens tot mens maakt, het bewustzijn van deze ‘super tool’ tot het menselijke lichaam verdinglijkt tot een pijl:

we denken ons doelloos ons ongeremd rennend
we lopen ons leeg het lijf tot een pijl
moeiteloos rennen we niets doet nog pijn

En hier is het menselijke losgelaten, de pijn voorbij, boven zichzelf uitgestegen:

niet wij rennen
het pad rent

Zonder zweverig (!) te willen worden, lijkt de dichter toch te duiden op iets van een ideaal, een beter, lichter, abstracter ergens, variant op het beperkt menselijk zijn of juist niet. Een ogenschijnlijk eenvoudig leuk klinkend gedicht herbergt geheimen, veert op vele lagen, die hardop lezend eerder tot onthulling worden gebracht.
Ook in de andere gedichten van dit deel komen dergelijke sleutels voor. Observaties, wensen, aanmoedigingen, veel aanmoedigingen (‘bevries in dat moment – een en al ren / wen!’)
De ik wil ergens heen, ergens door, het is een strijd tegen de eigen beperkingen, een renpartij om deze te boven te komen, er heel hard aan voorbij te kunnen gaan. Rennen alsof je leven ervan afhangt wordt ‘rennen en wennen alsof mijn zweven ervan afhangt.’
Is dit een greep uit de nieuwe manieren van voortbewegen in het kader van de behoefte aan onthaasting? Hoe bewust is de bezitter van het renverlangen in ‘zet af en zweef’ een  kind van deze tijd dat een vrij tegengeluid wil bieden?

de hel, dat is niet eeuwige wederkeer
niet ommekeer niet je lijf als gevang
het zijn ook niet de anderen
de hel is een stilgezet hier

In deel II ‘hoe & wat’ verkent de ‘ik’ vormen van transgressie met iets buiten het ik, het bevelende geeft meer een vervreemdende sfeer dan eerst en de tocht gaat langs en tussen – ik zou haast zeggen – bezielde dingen.  Zij stelt zichzelf vragen: of ze bepaalde handelingen zal verrichten en balanceert daarbij op de grens van wat legitiem is in dit proces van het toe-eigenen van een ruimte tussen openbaar en privé in. Ruimtelijke en intermenselijke verhoudingen worden afgebakend aan de hand van de vertrouwde imperatieven, en wat buiten huis en haard ligt wordt met gezond wantrouwen gehouden tegen het licht.

In ‘hoe vleugels zonder lijf’ treedt de hybride in, een letterlijke versmelting tussen mens en dier, dier en ding. Een geweldige gekte (goed dus!) komt hier aan het woord, de onderdelen losgeschroefd en met een bigger than life vrolijkheid en absurd ernstige dialoog. Het zou een pseudo-filosofisch gesprek tussen twee net gekroonde hofnarren kunnen zijn: een dialoog die in een hedendaagse remake van Alice in Wonderland beslist niet zou misstaan.
Maar bij tweede lezing lijkt het meer te gaan om een verschil of geschil tussen twee kampen, de natuurliefhebber en de wetenschapper. Of tussen een vrije geest en zo een die zijn dingetjes graag ‘vierkant strak blauw’ heeft. Niemand die na het lezen van dit gedicht de duif nog met dezelfde ogen beschouwt. (Zoals ik na het lezen van Faverey’s ‘Zelfs een sneeuwuil’ uit de bundel Hinderlijke goden aan niets anders dan aan sneeuwuilen kon denken en mij er zelfs in dierentuinenvan moest vergewissen dat ze echt bestonden.) De vorm en energie van dit gedicht, de ogenschijnlijke willekeurige en dadaïstische woordenrijen roepen een vrolijke nieuwsgierigheid op, terwijl uit de verwijzingen naar hemel en aardsigheid blijkt dat het om meer gaat. Knap spel met referentiekaders en een lekkere mix van spreektaal en pompeuze psalmenboekerige galmzinnen.
Het is goed dat de gedichten zoals deze een tegenhanger krijgen, rustpunt aan de overkant van de bladspiegel. In het korte prozagedicht ‘hoe los blad’ wordt de vraag gesteld of wat de natuur geeft of loost terug te geven is.

Net als meer gedichten in de bundel kent ‘hoe boven alles uit’ twee delen, waarvan het eerste een introductie:

het knarst het buigt het zwiept paraplu’s klappen om
het huilt het valt het vliegt alarm na alarm slaat aan
we brullen van pret van schrik brullen
om de storm te overstemmen brullen
omdat niemand stil hoeft te zijn – het loeit
en hoog boven alles uit labbert schor gefluit

Wat ‘labbert’ betekent, weet ik niet maar het klinkt puik in deze setting. Na deze inleiding volgt een kakafonische display van massahysterie, een overkokend spreekkoor uit een opera, vragen vragen en nog eens vragen over wat er nu na de storm moet gebeuren. Ook te lezen als een lange uitwerking van een rebelse omgang met natuurgeweld. In de stad. ‘Hoog boven alles uit’ is een geluid, een dreiging en dan worden wanhopige hulpacties bedacht, of onzinnige protesten.
‘Blijven we doen wat we doen?’ vraagt de dichter na de lucht rebels gezwart te hebben en parapluies woest binnenstebuiten hebben te laten slaan.

Zoals de meerdelige gedichten tweedelig of meer van karakter zijn, zo zou je ook kunnen spreken van een andere toon, naast de ‘rebelse’ vrije. En helaas, zodra de toon wat conventioneel wordt, vind ik het een stukje minder. Dan wordt er weliswaar een voor iedereen te volgen ‘verhaal’ verteld, maar gebeurt er naar mijn idee in en door de taal te weinig. In het geval van het aan een vriend (?) opgedragen gedicht ‘Dat de gracht niet wist’ ligt het weer anders. Het is een portret, een flard van een gesprek opgedragen aan waaruit elke taaltovering zorgvuldig lijkt te zijn gewist. Ergens heel goed want ik denk heel bewust als keuze. De persoon over wie gedicht wordt, krijgt een monumentje en de dichter hanteert een rustiger, introspectievere toon. Dat het dan wat minder spettert, spreekt haast vanzelf.

In deel III met de subtitel ‘Stemmen en een klok’ leest het eerste gedicht ‘Gedicht voor twee stemmen en een klok’ als een libretto. Een absurdistisch spel met als inzet de pionnen van ontkennen, macht van het woord en de klank mondt uit in een duel tussen wie goed hoort en wie goed spreekt en wie echt leest. De klok tikt door de zijn onafwendbaarheid van de tijd. Via spel tot diepere waarheid komen, het zou zowaar een werk uit de school van de surrealisten kunnen zijn.  Ook hier metronomische middelen, en typografisch leest het bijna als een partituur.

Van individualistische actie naar de sleetsheid en de noodzaak tot doorbreken van deze sleetse houding door het collectief. Wie ‘we’ zijn wordt in het laatste deel IV (‘cirkels, cirkelen’) al snel helder. Een onderdeel van een groter geheel, het spreekwoordelijke radertje. We onderzoeken zelf het proefdier, of in het geval van Gélèns, de knikker of een ander absurd voorwerp, maar eigenlijk ontleden we te uit en te na onszelf.

het ruimtelijk geheugen van muizen

gedurende de vijf werkdagen van een week zwommen de muizen zes maal per dag in een zwembak met troebel water, onder het ondoorzichtig wateroppervlak lag een uitrustpunt verborgen, de muizen diende te leren waar
een x-tal muizen lieten wij oefenen op het moment dat hun nieuwe
hersencellen een week oud waren, andere muizen twee viier zes of acht
weken later. in week elf lieten we de muizen nogmaals zwemmen, zo
controleerden we of ze zich nog herinnerden wat ze hadden geleerd,
daarna braken we de muizen de nek.
[..]

In zet en af en zweef bedrijft een dichter op een onnavolgbare manier onderzoek, viert feest, wordt een met de natuur. Geraffineerd smeedt zij oer en futuur aaneen, put net zo makkelijk uit het hardloperslied van een Navajo indiaan als uit een steekproef in een wetenschappelijk tijdschrift. Het resultaat gedragen door een wel zeer wonderlijke en intrigerende wolk van taal en talen, die richting geven aan een mogelijk pad, terug naar een soort oerstaat, waarin mens en omgeving niet van elkaar te onderscheiden is, maar zoals de dichter zelf ergens zegt: ‘Alleen de mens kan dichten.’

Hélène Gelèns (1967) studeerde filosofie en publiceerde poëzie, proza en essays in literaire tijdschriften als Zwartwater, De brakke hond en De Contrabas waar zij in 2006 de publieksprijs won voor haar debuut Niet beginnen bij het hoofd dat in hetzelfde jaar werd genomineerd voor de C.Buddingh-prijs. Ook schreef zij het libretto van het oratorium Voices (2007) over een ongeneeslijk zieke vrouw. 

Recensie van Tot ook ik verwaai - Peter Swanborn

Windsels van onbreekbaar licht

Peter Swanborn
Tot ook ik verwaai
Uitgever: Podium
2009
ISBN 9789057592997
€ 14,50
49 blz.

Geen makkelijk onderwerp: dementie. Of misschien juist een te makkelijk onderwerp? Dood, ziekbed, vervreemding zijn de voorspelbare ingrediënten van de steeds complexer wordende relatie tussen ouder en kind in die onvoorstelbare omkering aan het eind van een mensenleven: het kind draagt de moeder, verzorgt, verpleegt, berust.

In Tot ook ik verwaai gaat Peter Swanborn (1963) het ‘gevecht’ met dit autobiografische gegeven aan. Hij schrijft onomwonden over de wonderlijke mechanismen die ten grondslag liggen aan de vernietiging en de wederopbouw van deze veelbezongen relatie. De tragiek van een desintegrerende geest en een weifelend lichaam zet hij in kleine tableaus in het licht. Het is voor de lezer even zoeken naar de juiste mogelijkheden tot identificatie. De scheidslijn tussen waan en waarheid wordt consequent bewaakt en je krijgt niet zomaar toegang. Ook de lezer staat achter het glas van het ‘zwarte aquarium’ waarin de moeder opgesloten zit.

Dit is een bundel die zijn kracht pas prijsgeeft aan het eind, als ‘gewone’ vertellingen zorgvuldig in elkaar geschroefde bouwsels blijken te zijn. Het gaat hierbij nooit om het beleven van overdonderende schoonheid, of het meegesleept worden in grote tragiek. De toon blijft los, berustend, geen enkel zinnetje lijkt een geforceerde taaltruc. Ook in zijn eerste bundel was dit de kracht van Swanborn: weinig woorden, dichtbij de materie blijven. Het komt daardoor des te harder aan. De dichter weet het gruwelijke naamloze dat achter het ‘vertrokken’ masker van de seniele mens huist, knap voelbaar te maken.

Avond

Laat op de avond schuifelt ze
door haar kamer, zoekt kranten
bij elkaar, gaat zitten, loopt rond.

Ik sta op de gang voor het raam
en zie hoe ze rusteloos draait
en keert in haar zwart aquarium.

Om mij heen is alles stil. De lift
slaapt, de klok zwijgt, het boeket
staat droog, een tl knippert.

Met dit openingsgedicht is van een stille tragedie de toon gezet. De zoon staat buitenspel, de moeder is bezig met zinloze, vergeefse ordening, de dingen maken de dienst uit, al is de ‘techniek’ ervan het aan het begeven. Omdat je van de dichter geen woord cadeau krijgt, moet je als lezer zelf hard werken. Ik vind dit een verademing. Geen mooischrijverij of duizelingwekkende beeldspraak, je wordt met hem en haar in de gang gezet en mag het daar – terwijl de tl-lamp alarmerend blijft knipperen – zelf uitzoeken.

De bundel kent een opbouw in drieën, waarbij het eerste deel nog redelijk luchtig en anekdotisch is. Het universum van de dementerende moeder wordt in weinig woorden geschetst, de dichter observeert en bewondert de koppigheid, het verzet van de seniele vrouw tegen professionele verzorgers, de autoriteit. Hier is nog een restje wil aanwezig. Maar hij erkent de ernst van de situatie ook nog niet helemaal, trekt de gordijnen dicht alsof het gaat om iemand met een hersenschudding die alleen wat rust nodig heeft.
In deel I gaat het voortdurend om dit innerlijke geknok: erkent hij dat zij definitief vertrokken is, of vanuit ander perspectief juist is teruggekeerd tot wie zij was, meer dan ooit zichzelf, bestaande uit oude stemmen, voorvaderen, ongeborenen? Een huiveringwekkende sfeer komt op eenvoudige wijze tot leven.

Een ander aspect van de eerder genoemde ouder-kind-omkering is dat van verantwoordelijkheid, zorg, angst. In een tijd waarin mantelzorg een vanuit de politiek opgedrongen kwestie is geworden, stelt Swanborn een belangrijke vraag. Kan een kind de zorg aan voor een moeder die van zichzelf en de haren zo vervreemd is, van wie wil en zinnen op drift zijn geraakt? Het is niet zo dat dit uitgesproken wordt. Het zijn weer de doodgewone zinnetjes, half afgemaakt, ternauwernood gedacht zelfs, die genoeg zijn.

Angst

Had ik moeten blijven, haar niet alleen
de nacht op de bank? Had ik haar mee
naar huis? Is ze echt naar bed, geen val
van de trap? Had ik de deur dubbel op slot?

Wie zegt dat ze niet het gas of een kaars,
dat ze naar buiten? Naar de rivier, onder
de brug, maan en sterren koud gezelschap
voor wie dwaalt door een verdwenen stad.

Ooit, een kamer donker, word ik wakker
en weet dat zij is, in mij, een stem vreemd
en vertrouwd. Zo zal het zijn. Misschien.

Het is zoeken naar een terugkeer van wat de moeder ooit was, een baken waarop de eigen ontwikkelingsprocessen kunnen rusten. De boze buitenwereld gezocht als ‘koud gezelschap’, de angst dat de moeder, die ooit de sterke was, in totale ontreddering binnen en buiten niet meer onderscheiden kan, het eigen huis in de hens zet, de veilige omgeving omkeert en dakloos ook de zoon tot ontheemde maakt.
De relatie tussen beiden komt steeds verder op losse schroeven te staan, al is in het volgende gedicht geen sprake meer van intermenselijke relaties. Afgesneden, eenzaam is de moeder, de stomme dingen slechts tot gezelschap. Dit tableau leest als een toneelscène, de buitenwereld gereduceerd tot een voorbijflitsende vogel, een glimp van leven, een voorbode.

Weg

Te midden van stapels ongelezen, keurig
opgevouwen kranten zit ze op haar bank.
Geen bel of telefoon. Iedereen weg of dood
of druk. Een meeuw scheert langs het raam.

In deel II wordt de onttakeling zichtbaarder, de onthechting van de wereld voelbaarder, al lijkt even de ongrijpbare afstand tussen ‘hem’ en ‘haar’ verdwenen te zijn. In flarden keren verhalen terug, stellen ze gerust, maar al met al neemt in dit deel de tragiek toe. ‘Er is iets weg’, De geest trekt zich steeds verder terug, raakt meer in zichzelf besloten. De aquariummetafoor uit het eerste gedicht vindt in dit deel zijn pendant.
De dreiging van verlies bevecht de dichter/verteller door in de volgende tableaus de sociale isolatie te lijf te gaan. Het familietafereel voltrekt zich rondom de moeder en met haar als middelpunt laat de dichter haar enkele spaarzame handelingen verrichten, vaak doordat anderen haar verleiden tot een poging de functionaliteit van een oud leven weer op te nemen, zoals wanneer een kleinkind op haar schoot wordt gelegd.
Van iemand die troost vindt in de dingen, verwordt zij zelf tot een ding dat van attributen wordt voorzien om haar erbij te laten horen, om haar de bewegingen en handelingen te laten verrichten van een ‘normaal’ functionerend mens.

Dreiging

Als een veteraan naast vogeltjes
geparkeerd, de magere handen
met knuffels gevuld, geen medailles
of linten, wel een riem die knelt,
de lang bevochten vrijheid verloren.

Half wakker spiedt ze in het rond,
vormt nieuwe woorden, zinnen
vol gevaar. Ze roept en schreeuwt
en wijst, maar geen mens begrijpt
al zeg ik ja en ach en o, wat naar.

Onbegrepen is de moeder tot een object verworden dat vol glim en roem in een hoek staat. Een beetje onbevredigend is dit gedicht wel, omdat ik graag wil weten welke zinnen het zijn, welke de woorden vol gevaar. Het vervreemdingsproces neemt ook binnen het geplaagde lichaam toe, ledematen komen losser te staan van het geheel, ‘een hand grijpt, een arm zwaait.’ Aan het eind van dit deel ontglipt ze hem helemaal; ze ziet iets wat hij niet ziet, en zo is niet zij degene die alles kwijt is maar hij, omdat contact maken met haar realiteit niet langer mogelijk is.

In Deel III kun je spreken van een versterking van de troepen: in plaats van ‘ik’ is er een ‘wij’ aan het woord. De onmacht van het ik verdubbeld door de onmacht van het wij, want de moeder wordt gedragen door een bovenmenselijke kracht: ‘maar iets houdt haar vast. Niemand/ kan het noemen. Het stijgt en daalt,// komt in zuchten dichterbij. En wij, druk/ met wachten, zien niet hoe de kracht/ die haar draagt, ons te boven gaat.‘

In de laatste gedichten draait het ook om dit wachten tot het gevreesde moment van definitief ‘er niet meer zijn’ intreedt, hoe iets van buiten langzaam en onafwendbaar bezit neemt van de stervende. Als tot slot de familie de begrafenis al plant, staat de moeder nog even in het zonnetje in de tuin, een prachtig tragikomisch moment: ‘een vrouw in zon geborgen.’ Ze was altijd al buiten. Het zet aan tot denken over familiestructuren en de positie die iemand inneemt in dit voorgeprogrammeerde geheel. Wat doe je als je moeder, een belangrijk deel van je eigen identiteit, dreigt weg te vallen. Het is een herkenbaar proces dat in loepzuivere gedichten een moment dichterbij wordt gebracht.

Het interessantst vind ik de afwezigheid van het benoemen van wat straks komt, dat van later, het onbekende element waarnaar de dood verwijst. Het gebrek aan informatie over de stervende schept ruimte voor een onbekende factor. Het is dit wezen zonder gezicht dat in de geest en het lichaam van de moeder huishoudt, dat door de uitermate bedwongen en sierlijk gewone taal van Swanborn tot leven komt.

****
Peter Swanborn (1963) debuteerde in 2007 in de Contrabas-reeks met Bij het zien van zijn lichaam. Deze bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2007. Begin 2009 verscheen Een koud bad, geschreven in opdracht van de Zeeuwse Slibreeks. Deze bundel met 24 liederen over verdronken Zeeuwen werd genomineerd voor de PZC-publieksprijs.
Sinds 2001 is Swanborn als tekstschrijver verbonden aan Nieuw Muziektheater Rotterdam.
Zijn gedichten en artikelen verschenen onder meer in De Gids, Süddeutsche Zeitung, De Zingende Zaag, Poëziekrant en Tortuca, het Rotterdamse tijdschrift voor literatuur en beeldende kunst waarvan hij sinds 2006 redactielid is. Zijn poëzie is in meerdere talen vertaald.
Sinds 1997 is Swanborn literair medewerker van de Volkskrant. Voor 1997 was hij werkzaam als beeldend kunstenaar en fotograaf.

Recensie van Stof dat als een meisje - Toon Tellegen

Bloederig en laconiek

Toon Tellegen
Stof dat als een meisje
Uitgever: Querido
2009
ISBN 9789021437606
€ 16,95
64 blz.

In tegenstelling tot wat de tere titel doet vermoeden, vallen er rake klappen op elke bladzij van Tellegens nieuwste. In ruim vijftig gedichten legt een engel een mens – ‘de mens’ – het vuur aan de schenen, biedt hem zowaar een geweten aan, kust hem ‘wild en ondoorgrondelijk’ en vliegt weg ‘wit en ongeschonden’.
Stof dat als een meisje gaat over de complexe relatie tussen de mens die meet met de bescheidenheid en bewuste beperkingen van de menselijke maat en de Übermensch, zwanger van oerkracht en zwalkend tussen een risicovol wankel leven vol ‘helse vreugde en hemels verdriet’.
Niets origineels, zou je zeggen, want doet de Bijbel dit ook niet: aantonen dat een mens zonder een god in wat voor vorm dan ook gebroken en ongerijmd ten onder gaat?
Maar Tellegen heeft een wapen en dat is die onnavolgbare laconieke toon waarmee alles lucht en een eigenzinnig roestig randje krijgt, of het nu om de dood, het geloof, of een klein gemis gaat. In Stof dat als een meisje zou je kunnen spreken van een omgekeerde Faustvertelling, geserveerd in een serie anekdotische gedichten, met hier en daar een zweem van rijm. Theatrale middelen worden ingezet wanneer nodig, wat op sommige momenten ontroerend werkt: er klinkt dan iets naïefs in door, de mens is een nog niet helemaal tot volle wasdom gekomen wezen, en de engel lijkt ook wat onbehouwen en snel in zijn wiek geschoten.

Dat onverhulde schrijven, een poëzie zonder geheim achter de woorden, brengt de thema’s die Tellegen aan wil snijden heel dichtbij – de vraag naar menselijke wil versus vrijheid, geweten versus conformisme, natuurramp of ecologisch geschoond geweten. Door de lichtvoetigheid die nu eenmaal in het Tellegen idioom zit, gaan de thema’s over zo min mogelijk schijven en krijg je als lezer echt het gevoel dat de dichter bij je in de vensterbank zit. Aangewaaid, een prettige fantoom dat een andere wereld, zíjn wereld even tot klinken brengt.
Bovendien vloeit er behoorlijk wat bloed over de bladzijden en de bont en blauw gebeukte mens doet eerder aan het met verve vertolkte alter ego van hoofdpersoon in David Finchers’ film Fightclub denken, dan aan een papieren man.

Dus dat doet de dichter sterk en onverveerd: de mens spat springlevend van het vel terwijl hij op de tafel slaat: ‘Ik kan niet leven.’ En Tellegen zegt, zacht, eeuwig met zichzelf in de contramine: ‘… en hij leefde langdurig en nauwgezet.’ Geen ingewikkelde toestanden of wereldschokkende esthetische ervaring, maar wel even, fijntjes, de mondhoeken omhoog.

Het is vaak spaak gelopen tussen bovenmenselijk gebroed en de sterveling.
Tellegen is een ervaren verteller van Grote Verhalen aan een uiteenlopende en brede doelgroep (kinderen en volwassenen). De verwondering die zijn dierenverhalen voor kinderen zo mooi kenmerkt, klinkt ook in deze teksten door. De mens is verbijsterd over de agressie van de engel, de engel op zijn buurt snapt er de ballen van dat de mens zich niet troosten laat. Tellegen is een knap vertolker van de stress die de mens ondergaat in het moeizame proces tot verinnerlijking van relationele problemen, en verhoudingen tot de natuur. Het laatste gedicht laat de mens reïncarneren om de strijd met engellief opnieuw aan te mogen gaan. We krijgen van Tellegen de verantwoordelijkheid en de regie over al wat leeft, en ik moet zeggen, dat bevalt mij wel.

Een man stond op uit wanorde en vermoeienis
en hij zag dat het goed was,
en een engel daalde neer
en zei
dat het niet goed was en dat het ook nooit goed zou worden

hij sloeg de man neer
en sleepte hem achter zich aan
door gebroken glas en prikkeldraad,
liet hem bloeden tot hij onbruikbaar was.

Een bundel over het gevecht van tussen mens en engel, is dat nog iets van nu? Ik denk dat we in Tellegen poëzie lezen waar het in zijn romans en kinderverhalen altijd al over gaat. Waar begint mens-zijn waar het dier als wezen ophoudt? Wat is humaan, en wat vooral niet? Wat zou een definitie kunnen zijn van het bovenmenselijke? En is de poëzie niet de meest geëigende vorm om deze vraag te stellen? Niemand die het de laconieke, lichtvoetige, altijd ‘in love’ met de taal verkerende Tellegen kan nadoen.

***

Toon Tellegen (Brielle, 1941) is dichter, kinderboekenschrijver en schrijver van proza en toneel voor volwassenen. De uitgever geeft hier en hier alle informatie.  

Recensie van omdat ik ziek werd - Bart Meuleman

Op een wankele motor

Bart Meuleman
omdat ik ziek werd
Uitgever: Querido
2008
ISBN 9789021434575
€ 16,95
48 blz.

Paarden die dicht bij een afdak los mogen lopen. Filmisch grotesk geweld, de dingen gevaarlijk dicht bij de rand van de behandeltafel gezet. Meuleman heeft harde handen waarmee hij zijn subjecten objectiveert en op zijn speelbord rond schuift tot bloedens aan toe.
Wie is deze dichter? Het boze broertje van Toon Tellegen? De misantropische achterneef van Anton Koolhaas? De dieren en de mensen – ze zijn half van toen, opgejaagd en verdwaald en onderweg een stuk van zichzelf verloren. Net als in zijn tweede bundel Hulp (2004) laat in omdat ik ziek werd wat kapot is zich niet meer dan door rauwe spot helen.
Ook in zijn nieuwste werk voert Meuleman het onvermogen van de mens om naar de overkant te raken als verzelfstandigd gegeven op. Stikken in het verlangen om menselijker te worden dan de bestiale staat waarop de mens, opgetrokken uit misantropisch getinte woorden en gevlekt papier, zichzelf weet te betrappen.

De bundel kent een driedeling waarvan het middendeel een reeks hommages bevat aan bekende personen of vrienden van de dichter. Of aan de hond van een vriend. Het eerste deel ‘Wakker blijven’ is een lang prozagedicht.
De eerste bladzijde kent al een mystieke lading die door blijft gonzen in de daaropvolgende pagina’s. Er is sprake van twee doden die spreken. Een goed gesprek lijkt het, als nooit tevoren. Humor en pijn gaan hand in hand en een losse conversatietoon leek niet te (kunnen) zijn getroffen toen zij beiden nog leefden. 

nu we allebei dood zijn
is het rustig praten bij dit minzame weertje
zo vlak naast de bossen
dicht bij het koelwater.
ik maak een grapje, je trekt
nog een tand uit ons losse geheugen
met het gemak waarmee we nu van een glas nippen.
geen denken aan dat dit ooit nog een kant uitschiet.
gekwetter van mussen valt dof in je schoot.
zoveel vrede is er dat de wind er nog even mee speelde
voor hij zich moe aan onze voeten in slaap kwam leggen.
en ja, stoffelijkheid verteert slecht,
afval gaat eeuwen mee als het moet, maar wat geeft het,
wie draait daar nog zijn maag voor om in deze lange, lange, hete, hete nacht
van minieme deeltjes.
geef me nog een hapje van dat overheerlijke ijs.
als je stil bent hoor je de lepel zoemen.

Het is de afwisseling van perspectieven, het in zichzelf babbelen, soms vaag een derde aanspreken – een alternatieve vorm van gebiedende wijs hanteren waar Meuleman patent op lijkt te hebben – waardoor de sfeer huiveringwekkend wordt. De toon is gezet voor de rest van de bundel, in ieder geval voor dit lange gedicht (‘de lange, lange, hete, hete nacht’).
Vreemd dat er sprake is van een teveel aan vrede: wat wij als harmonieus en fijn ervaren is hier verdacht, een thema dat in Meulemans eerdere werk ook aanwezig is. De laatste zin is streng en naïef tegelijk, een emotionele tussenstand waar het menselijk bewustzijn gevaarlijk op kan balanceren juist door dit vermaledijde bewustzijn. Je kunt niet stil genoeg zijn en lepels zoemen niet. De theatrale zienswijze en een broodnuchtere schrijfwijze combineert Meuleman goed tot een magische trilstand met de dood als receptor die oude eigenschappen in een levensvatbaar(der) daglicht weet te brengen.

‘Hoe dood zijn we als we dood zijn?’ is ook de vraag die in de komende bladzijden kriebelt.
Een denken tegen beter weten in, want ‘de bezinning krijgen we niet afgeschud’ en de dichter bijt zich vast in menselijke vertwijfeling: waren we maar honden. Last hebben van mens te zijn, dat plaagt hem, en ook de jongens die in het vervolg van het gedicht op komen duiken. Het wordt even een scène uit een schelmenroman en buigt knap weer om naar liefdesgedicht.
Meuleman speelt met oude verhalen en symbolische elementen uit vervloekte landschappen. Dualiteit wordt benoemd, het is weer dat denken dat naam geeft aan gevaar en daardoor de ellende over de mens afroept: ‘laat het zuur maar likken, alles heeft zijn tedere kant.’

Nergens was een dichter eenzamer, slachtoffer van het door hemzelf tevoorschijn getoverde louterend vuur. Ligt een gemoderniseerde versie van een Griekse tragedie op de loer? Het is een ‘leven lang op een wankele motor’, een vervloekt leven van alledag, en al de ellende van alledag knap verdicht en verweven in een eigen universum waarin mensen verworden zijn tot mensmachines gereduceerd tot een mond aan een infuus. Het ene moment haalt hij uit, maar altijd onderkoeld. Er blijft compassie doorklinken voor de mens al is de bewondering voor het dier groot. 

omdat ik niet van mensen hield, van het gif van hun aanblik,
van de wildgroei van hun voelen, het afzicht van hun denken,
van hun zwijgen de kanker, hun spreken
de doodsdrift,
zocht ik steun bij de wreedheid van dieren.
ik hou van grazen en van aanvallen.
gras is mooi, bloed ook.
nergens vind je zulke prachtige strepen.

[…]

Dwingend van toon, maakt de dichter nieuwe categorieën waarin hij ons lijkt aan te willen sporen om het waanidee los te laten dat we compleet kunnen worden als we in medemenselijkheid blijven steken. En zelfs de hoop op een beter bestaan is ongegrond als we proberen onszelf met iets anders te verenigen (‘wat zijn we zonder bronnen’). In die zin is Meuleman een romanticus met een hang naar kosmologische duiding van wat in het hier en nu gebeurt al doet het woord geen recht aan zijn stijl die vol zit van rauwe mededelingen, vreemde stellingen die niets te raden overlaten, knap spelen met volkse spreekstijlen. In de kale humor tocht ‘de weldadige kou van het niets’ al is een etiket als ‘nihilisme’ hier niet op zijn plaats.

Verder gaat het, een ware en merkwaardig meeslepende odyssee van ellende, zoals in het gedicht of dichtdeel op pagina 22:

niet langer kon ik lijdzaam toezien.
ik stichtte een gemeenschap met ruime aandacht
voor dieren.
is dit mijn bijdrage aan de oplossing voor een
probleem vandaag, de verwerping van het zelf, zijn omgeving,
en in het bijzonder, alle anderen?

[…]

Ook in het tweede deel, vier gedichten gewijd aan een mens of een dier, staat de dood centraal. Leven is iets wat je ‘uitzit’ met elkaar, het op herinneringen vooruit lopen. Meuleman speelt met omkeringen van dikke waarheden, liefde is niet liefhebben maar je ontdoen (‘niet dat het lukt, ze houden ons lekker samen.’). In de elegie voor de ‘hond van willy vandermeulen’ brengt Meuleman zijn kunst om de dingen via de buitenkant van de dingen juist aan de binnenkant te exposeren tot grote hoogten. De hond wordt ‘bij de kop vastgepakt, in de ogen gezien’ totdat het de mens doordringt dat menselijke communicatie in de vorm van taal toch tekort schiet.

Deel drie ‘wat ik deed’ is een vreemd soort sprookjesvertelling, misschien wel een allegorische. De mens loopt naar de horizon om naar het begin van het leven uit te zien. 

opgetrokken uit het achterland liep ik naar de drukte
van de horizon.

alzo, diep in de rust van een opgezette kraag,
nog eenmaal uitgedacht hoe ik in jongere tijden ooit
door een ongeschonden exemplaar
zijdelings was aangeraakt…

mijn stem goddank niet prijsgegeven.
de vulgaire film van mijn intonatie: geen vertoning.
ik wist wie ik werd geen raad met mij
maar
bleef wie ik was goed opgesloten.

zo kon het leven in bedekte termen beginnen.

Ook de volgende gedichten (of zijn het uitgesponnen draden van hetzelfde gedicht?) laten het leven zich afspelen. Via weerstand en daadkracht, bochten nemend, schijnt de zon als een hete filmlamp op het schraal gelopen individu, een soort lonesome cowboy. Hier weet Meuleman de mens tot literaire stripheld en tragikomische Don Quichot te verheffen. Alle ingrediënten van de klassieke vertellingen zijn aanwezig. Moeilijk te duiden taalmomenten raken slaags met lijdende ledematen. Het is een waar slagveld en het papier bloedt. Ik zie in de motieven die de dichter gebruikt een referentie aan de existentialisten, maar weet ook niet goed of de visie van de dichter wel gepuurd dient te worden uit wat hier staat.
Mooi vind ik dat in de laatste pagina’s een triest soort voorbijgaan van de kleine dingen wordt getoond ‘toen de boeken zich vanzelf nog opensloegen (…) droeg ik zorg voor de konijnen tot ik moe werd en ze stierven.’

De eindafrekening is een positieve. Hier staat een moeder bij wijze van spreken met de handen op de heupen te wijzen naar waar het allemaal om begonnen is als je als mens op de aardkloot geworpen wordt. Ze jaagt het kind, want daar komt Meuleman dan uiteindelijk op uit, terug naar het leven ‘omdat je, zoals ze me toefluistert’ nergens beter bent.

Bart Meuleman is een dichter die beheerst theatraal met een prachtige directheid vol koele drift de felle angst van de mens voor het leven onder woorden weet te brengen. Pagina na pagina brengt hij de mens met zichzelf in aanraking, zijn verleden, een poging om in de toekomst zien.

De Vlaamse dichter Bart Meuleman (1965) debuteerde in1997 met de bundel Kleine criminaliteit. In 2002 was hij writer in residence voor het literaire tijdschrift Yang. Hier werkte hij samen met Paul Verrept aan enkele kinderboeken over ‘Mijnheertje Kokhals’. Voor zijn tweede dichtbundel Hulp ontving hij in 2004 het Charlotte Köhler Stipendium. De bundel werd ook genomineerd voor de VSB Poëzieprijs en de J.C. Bloempoëzieprijs.