Gedichten

wat ik vooral mis? het licht
dat op een zwarte ouderwetse
lincolnjas te warm is van zichzelf
te heet voor de tijd van het jaar:
in elke hoek van de zachtgele
kamer heb ik een ventilator
die me de wenkbrauwen doet
fronsen, een knagend schuldgevoel
iets dat opwindt in de stilte
rond rotan het kraken van stoelen
terwijl in de tuin de kleuren eindelijk
tot bedaren zijn gekomen.

ik ben de vliegen hier in dit huis.
en met de spiegels ben ik één.
al ontbonden een voetstap het
knielen de kus op de grond
dierbaar ten teken van wat
groen groen doet lijken.

we zullen allemaal een voor een
op onze eigen dag in zwarte
warme duisternis verdwijnen.
je mag dan wel tien instrumenten
om je nek bespelen – when
the saints go marching in. de heilige
theresia van lisieux stelt me
voor raadselen. ergens in
de filipijnen vroeg iemand
waarom het rozen regent
als bruine tantes ritmisch dansend
zonder string en in hun handen klappend op
het altaar goddelijk genot in
goddelijk genot veranderen. rozen die zwaar
geuren en zwoel de naaktheid
van hun dans bloter maken
dan bloot
dalen op ons neer.

 

Kopters zijn dieren bijzonder bedreven in het ontkurken van de grote stilte. zij bewegen fluisterend en beloven nooit. rond het middaguur werpen zij lange overlijdensadvertenties af. opdat men zich berge en verblind door hun lichten geen palm meer ziet. aan de sushibar probeerde ik weer de onvindbare vis terwijl een begeerlijke chinese zich gelukkig achter haar haren verborg. ik at inktsoep. zei iets. eigenlijk gaat dit gedicht over de noordzee waar als booreiland zich een designer toont en hij ontwierp in hun volle omvang de berghellingen van de vijzelstraat. daar ging een man overboord die vertelde dat de zee bij lihue heden ten dage volstrekt onbegaanbaar is. in haar parkje ontmoette ik de koningin die niet meer was. zij stond waardig maar wenend tussen haar rozen. op het bordes een vonkend dovende diamant. dichten is zulk doven. zij nam potlood en peillood. keek met aarzelende ogen naar een man die haar (onder ons gezegd) net iets te vaak bedankte. bedanken is wel hoffelijk maar vooral voor de vaak zei ze en een verkoolde steen rustte in de palm van haar hand. nergens is het beter dichten dan op aanrollende golven. men neme een stevige regel en houde zich daaraan vast. de golven breken op. de regel wordt schuimend gedicht en als de golf op het punt van omslaan komt is de bladzij altijd sneller. dichten is zulk omslaan golven zijn al brekend en ontrollen dan pas echt hun poezie. bij een eiland hoort een witte broek. de blote voeten in het zand zeggen dat zon en lichte afzondering het bestaan draaglijker maken. voeten in zand. handen in ontroostbaar water.
 
Recensie van Ritmisch zonder string - Antoine de Kom

Een ontgrensde dichter in een begrensde wereld

Antoine de Kom
Ritmisch zonder string
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido
2013
ISBN 9789021447339
€ 17,95
64 blz.

Je kijkt naar je hand, je strekt je arm voor je uit, en je hand, je arm, zijn een deel van de omgeving. Wat je van de omgeving onderscheidt is het gevoel. Je voelt de warmte van de lucht, je voelt het tochtje, je voelt wat aan je raakt; je beweegt wanneer je dat wilt. En wat je van je omgeving zien wilt, dat zoeken je ogen. Het is een heerlijk gevoel wanneer de grens tussen jou en je omgeving vervaagt, wanneer je je even niet geïsoleerd hoeft te voelen van de jouw omringende wereld; even zonder angst, even niet bedreigd.
De poëzie van Antoine de Kom gaat nog wat verder.
Het gedicht ‘ses barquerres’ van begint zo:

                          ik hier? geloof me met dit alles al eerder dit eiland
       al eerder te hebben gedicht en ik ben hier een douchekop te ses barquerres
              een douchekop in de felle zon paarsrode bougainvillea’s ben ik hier
         groeiend om de hagelwitte muren ik ben aan de zijkant open en dakloos
de buiten aan het huis grenzende douche. deze tuin omgeven door een haag van
                                                                                                                                            [keien

Ik hier? De verbazing over het aanwezig zijn als individu. Ik? Maar ik ben alles wat ik om mij heen kan zien. Het is een mystieke ervaring die hier wordt verwoord. Daarna maakt hij ook ‘een ander’ tot deel van dit proces waarin hij zichzelf in zijn omgeving herkent.

                 ik voel dat wij bladeren zijn op deze dorre grond dat wij zullen –
[…]
de gelijkwaardigheid van alles wat is. zelfs met wat er niet meer is, en wat niet tastbaar is kan de dichter zichzelf en zijn partner identificeren:
[…]
   en nu we met wie niet meer is gaan rijden rond het fort zijn wij het die de zee zien
     brullen aan het raam van onze slaapkamer zo ongeveer waren we opgestaan om
       te gaan slapen kamer 242 met het vuile gebleekte en al lang geleden in een
                                                                                                                                            [hoek
losgeraakte gordijn. hoog boven het zwembad puberde een arend die rond zijn
                                                                                                                                            [moeder
vreemde spiralen beschreef: een nieuwe heliconia. er was ook het geronk en het
                                                                                                                                            [komen
    en gaan van de grasmaaier. we wisten dat er geen weg terug was. er waren teveel
      uitroeptekens toen we fruit uitdeelden. de struiken lieten snoeien bij de sluis
    de sluis waar de bootsman ligt te wachten in zijn korjaal. hij droomt van zeilen
en van het moment waarop we zouden kunnen gaan voelen wat de filosofen dachten
             heel gelaten over de gelaten branding tussen schaars begroeide rotsen
                   en zich als zeeleeuwen daar in de zon uitrekkende naakten.

De opgeschorte begrenzing van de persoon. Alles is gelijkwaardig, Dat wordt al zichtbaar in het ontbreken van hoofdletters. Hier zijn geen hoofdzaken, alles maakt deel uit van een en hetzelfde proces, van een en hetzelfde bestaan. Ook wanneer het ene het andere bedreigt. De begrenzing ontbreekt niet; de dingen worden bij naam genoemd, de zinnen hebben begin en een slot. Elders in het gedicht wordt verwezen naar een noodwendig einde:

[…]
          we zagen het. dat er voeten rennend in de vroegte warme handen werden
    en met nog een nacht te gaan ons zacht wilden tegenhouden zo een tijdje tijdloos
    achter lieten in een straat waarin we allemaal van geest en vlees en bloed bevrijd
                voor wat er komen gaat beschermd als dat wel alsnog even kan.
Voorlopig kunnen wij ons aan het leven overgeven. We kunnen nog betoverd mijmeren. Een paradijselijke wereld, zolang we kunnen vergeten dat er in ons paradijs een slang rondkruipt die ons graag helpen zal het paradijs te verliezen.

Ook in het titelgedicht wordt het ik van de dichter geïdentificeerd met zijn omgeving, maar de toon is anders. Na het eerste fragment waarin hij nog schrijft:

[…]
    ik ben de vliegen hier in het huis
      en met de spiegels ben ik één.
      al ontbonden een voetstap het
        knielen de kus op de grond
        dierbaar ten teken van wat
           groen groen doet lijken.

volgt in de volgende strofe:

[…]
                                           de net
     geleende soldaten niet uit het oog
           verliezen. er zijn stranden
       die vloeren vormen in de naam
               van bestaan en vegetatie.

Blijkbaar wordt zijn bestaan zo bedreigd, dat hij moet worden beschermd door soldaten die hij waarschijnlijk toch niet geheel vertrouwen kan.

Daarna volgt het gedeelte waaraan de bundel zijn naam dankt:

       we zullen allemaal een voor een
          op onze eigen dag in zwarte
          warme duisternis verdwijnen.
     je mag dan wel tien instrumenten
            om je nek bespelen – when
    the saints go marching in. de heilige
            theresia van lisieux stelt me
             voor raadselen. ergens in
           de filippijnen vroeg iemand
             waarom het rozen regent
       als bruine tantes ritmisch dansend
zonder string en in hun handen klappend op
             het altaar goddelijk genot in
goddelijk genot veranderen. rozen die zwaar
             geuren en zwoel de naaktheid
              van hun dans bloter maken
                            dan bloot
                     dalen op ons neer.

De gedichten van Antoine de Kom blijken te spelen tussen de paradijselijke toestand waarin de dichter kan verblijven en oplossen tezelfdertijd, en de harde werkelijkheid waarin zijn individualiteit beschermd moet worden. Ze zijn van een sterke gedrevenheid, ritmisch, zonder string. Het is zijn behoefte aan harmonie, aan vrede, die hem de tegenstellingen in de gedichten naast elkaar doet plaatsen; waar tegenstellingen niet strijdig zijn, waar alles gelijke rechten heeft op bestaan, waar de mens de medemens een broeder/zuster kan zijn.
Dat hij staat voor geweldloosheid blijkt uit het volgende fragment uit ‘haar vele’:

[…]
       peinzend loop ik met mijn lege pistool
   over het natgeregende strand en zag hoe ze uit
                    mijn verlangen oprees.

                  je schildert zonder verf.
            je draagt kleren zonder textiel
         sieraden zijn je vreemd op sieraden na
                en de kus die je me toewerpt.

       agenda’s werden nooit vergeten brieven
     tasten naar vrienden uit café of catalogus.
  bel hen stuur me hun paleis vol kussen vertel
   me dat je leeft in goud en oude gedachten
                       die jonger zijn dan ik.

sieraden zijn je vreemd op de sieraden na die je mij toewerpt. En die kus –

Dit gedicht zindert van een gevoel van dankbaarheid waarin heden en verleden samenvallen; de tastbare werkelijkheid, en het verleden waarin ze is opgelost. Opnieuw dat gevoel van mystiek waarin de dichter zijn begrenzing, ook in de tijd, te buiten gaat.

Hij doet dit virtuoos. In welke vorm dan ook.
Ritmisch zonder string is een dikke, volle, zeer gevarieerde en ook nog eens geïllustreerde bundel, en zo rijk, dat ik De Kom hoe dan ook tekort doe in mijn bespreking ervan.

Tot slot, als uitsmijter, een fragment van ‘graszee niet aanraken’:

in hun graszee spattend namen twee lokale gaaien een derde op zijn rug liggend te pakken pikten krijsend op hem in. In honolulu is het gelukkig geen oorlog meer. de bergen achter de parelhaven zijn in wolken gehuld en het gezonken oorlogsschip wordt nu bewaakt. in het voorbijgaan lichtte een gehelmde arts mij in over bepoederde drugsproblemen. op dat moment begonnen de zonnebrillen aan de bar met elkaar te bellen. zij werden een aanrollend plaatje liegende palmen aan deze grote oceaan waar wolken clowns of kabouters zijn in al hun vormen losgeslagen.
[…]

Het is onze verbeelding die clowns en kabouters ziet in de wolken die de bergen omhullen.
Alles is in een proces van continue verandering. Het tempo waarin de veranderingen plaats vinden verschilt, de manier waarop – maar dat is de reden dat alles wat wij waarnemen geen werkelijkheid lijkt te hebben, terwijl het er tegelijkertijd is.

Poëzie conserveert. Poëzie leidt altijd tot herinnering. Antoine de Kom herinnert ons aan ons verlangen naar vrede, naar harmonie. Doorlopend is hij in zijn gedichten bezig grenzen op te heffen om die staat van eenheid te tonen waar elk mens naar verlangt. En waar alleen liefde ons kan brengen.

***
Antoine de Kom (Den Haag, 1956) is van gemengd Nederlands-Surinaamse afkomst en een kleinzoon van Anton de Kom, de bekende Surinaamse nationalist en verzetsstrijder. De Kom bracht een groot deel van zijn jeugd in Suriname door. Van dat verblijf getuigen de bundels Tropen (1991) en De kilte in Brasilia (1995). Daarna verschenen nog Zebrahoeven (2001), Chocoladetranen (2004) en De lieve geur van zijn of haar (2008). In 2012 verscheen het non-fictieboek Het misdadige brein. In het dagelijks leven is hij forensisch psychiater.

Recensie van de lieve geur van zijn of haar - Antoine de Kom

De giraf krijgt vleugels

Antoine de Kom
de lieve geur van zijn of haar
Uitgever: Querido
2008
ISBN 9789021435022
€ 17,95
64 blz.

Antoine de Kom (1956) staat bekend als een dichter van tegenstellingen en dubbelzinnigheden. Hoewel hij in Nederland geboren werd en qua stijl naadloos aansluit bij de Nederlandse dichters van zijn generatie, werd zijn Surinaamse grootvader nog in slavernij geboren en bracht De Kom zijn tienerjaren door in Suriname. Die tegenstelling is in zijn werk altijd een belangrijk motief geweest. De Kom duikt ook altijd diep in zowel de West-Europese als de Surinaamse geschiedenis en combineert daarbij al associërend alles met alles tot een toch altijd logisch aanvoelend geheel. In de lieve geur van zijn of haar springt De Kom ook weer heen en weer tussen heden en verleden, fantasie en werkelijkheid, kindertijd en volwassenheid. In De Koms universum, waar alles met elkaar verbonden is en alles meerdere betekenissen heeft is het, ook door zijn virtuoze, sprankelende stijl, meestal plezierig verdwalen.
De bundeltitels van Antoine de Kom staan ook altijd bol van de mogelijke betekenissen. Het is opvallend dat de lieve geur van zijn of haar de eerste bundel van De Kom is waarvan de titel geen directe of indirecte verwijzing bevat naar zijn afkomst. Tropen, De kilte in Brasilia, Zebrahoeven en chocoladetranen refereerden allemaal ofwel naar de zinderend hete landen waar zoveel van de gedichten zich afspelen, ofwel naar zwart en wit, het zwart en wit van huidskleur maar ook het zwart en wit van allerlei andere tegenstellingen.
de lieve geur van zijn of haar, je zou het bijna zoetsappig kunnen noemen. Zijn of haar wat? Tandenborstel? Het wekt de associatie met de liefde, een liefdesnacht misschien. Maar op onversneden liefdespoëzie zul je de dichter in deze bundel niet betrappen. Daarentegen komen we op pagina 19 (de gedichten dragen geen titels) de volgende regels tegen: ‘het is zo lang / zoeken naar familie tussen / al dat half vergane haar’. ‘De lieve geur van haar’ zou dus wel eens de zoete lucht van de rottende lijken van je familie, je geliefden kunnen zijn (De Koms grootvader kwam om in het concentratiekamp Neuengamme). Via het klankrijm met ‘lijk’ en de tegenstelling met ‘niet zijn’, dood zijn dus, krijgt ook ‘zijn’ nu opeens een omineuze betekenis. Geen liefdesnacht dus, maar een open massagraf.
En dat is nou precies wat er zo geweldig is aan de poëzie van Antoine de Kom. Je kan iedere willekeurige regel lezen, nog een keer lezen en er de halve avond over nadenken en altijd kun je er iets nieuws in vinden. De zwart-wit tegenstelling is er trouwens nog wel, evenals die tussen werelddelen. We lezen: ‘ik ben niet bruin en ook niet wit genoeg’, en: ‘mijn opa ligt in loenen / en mijn oma rust in zuid-amerika’.
Doordat de gedichten in de lieve geur van zijn of haar niet getiteld zijn laat de bundel zich, voor wie zich niet over iedere regel uitgebreid wil buigen, ook lezen als een soort associatief reisverhaal.


nu ik ontwaak
ter hoogte van dakar
denk ik die twee achter me
(stoel rij vijf of zo dacht ik)
(ze zijn al slaperig)
zomaar in licht bedwelmde staat.
als zware katers soezen
ze met open oren glanzend zwart:
dan draaien ze zich om en zinken
in diepe slaap – roerloze lichamen donzig
ademen de buiken in diepblauwe luchtige dekens gewikkeld. 

Een ontwaken uit een onrustige vliegtuigslaap is typisch zo’n moment dat allerlei associaties zich opdringen. De Kom neemt ons dus mee naar zo’n moment, een willekeurig moment uit een willekeurige reis lijkt het en dient ons, zoals hij dat zo goed kan, twee beelden tegelijk op. De ik-figuur bestudeert zijn medereizigers en concludeert – in een mogelijke interpretatie, er zou ook kunnen staan dat de ik-figuur bedwelmd is – dat ze te veel gedronken hebben. Tegelijkertijd zien we het beeld van zwarte katten die slapen in tropische hitte, ergens in een warm land. De twee beelden worden aan elkaar gesmeed door de ‘diepblauwe luchtige dekens’ die zowel vliegtuigdekens als een wolkenloze lucht kunnen zijn. Hij gebruikt ook veel dieren in zijn beelden. Hier zijn het katten maar in de lieve geur van zijn of haar komen vooral veel giraffen voor. De Kom laat ze rust en wijsheid uitstralen, maakt er zelfs een soort mythische wezens van: ‘het was in de tweede hangar ik meen / rond elf uur toen daar de giraf vleugels / kreeg en tot handelen overging’.
Ook komen we een buffel tegen die rozen eet. Die buffel kennen we uit zijn debuutbundel Tropen. Daar staat in het gedicht ‘Peu et content’: ‘Het valt mij op – voor de heg op de weg / Verschijnt een donkere gedaante. Ik zeg / Niets. Ik kom volmaakt tot niets. Niets. / Een buffel eet mijn rozen uit de heg.’ In dit gedicht neemt de ik-figuur de onheilspellende buffel wel waar, maar het verstoort zijn diepe rust niet. In de lieve geur van zijn of haar loopt de buffel door een concentratiekamp en eet van de bloemen die daar ter nagedachtenis aan de slachtoffers zijn neergelegd. Weer vertegenwoordigt hij zowel het onheil als de rust. Met terugwerkende kracht kunnen we zelfs misschien de rust uit ‘Peu et content’ interpreteren als een laatste rust. In het volgende fragment is daar in ieder geval sprake van.

ik heb naar antwoorden gezocht
en ben op een geteerde deur
gestuit. het was de deur
van de vuile barak in mijn hoofd
de muffe hitte van het kamp
dat niet het verhaal
van zichzelf is maar waar alle slaven
meester zijn en blanken zwart zien als vanzelf
of ook in alle vroegte
even plotseling
kunnen vertrekken als aankomen door
woorden als deze gevangenen: in het ergste nergens
waar ik woon en met mijn innerlijke oog
kijk ik als een vlieger om me heen.
het plantsoen naast de trens
ligt er verlaten bij. de plek
om de hoek waar blank en zwart
werden doodgeschoten
zal een bloemenzee geworden zijn
waarin het gevaarlijk
zwemmen is. de buffel
waadt er snuivend rond. chinese rozen
in zijn bek. de doden zijn bedekt
en murmelen misschien
nog naar elkaar. het is zo lang
zoeken naar familie tussen
al dat half vergane haar. wie
probeerde steeds al tastend
opa te vinden?
of wat er van hem over is.

De meanderende verzen nemen ons mee door de geschiedenis van zijn familie en tegelijk dus naar die van Suriname en van een Europa in oorlog. We dwalen met De Kom door dromen, jeugdherinneringen en vooral ook door Paramaribo. Soms is het amusant, herkenbaar en ontroerend. Zoals de kleine-jongetjesfantasieën die soms de kop opsteken: ridders, hangars, indianen, mysterieuze stemmen die klinken uit de bougainville. Maar soms is het, zoals in het citaat hier boven, gruwelijk.
In ieder geval blijkt maar weer dat Antoine de Kom een uniek dichter is die zo zoetjesaan een imposant oeuvre aan het opbouwen is.