Gedichten

Daar is iets traags in
en dat kan niet moeten
ik veeg mijn voeten
wat ik niet verzin

ik loop naar buiten
en ik loop naar binnen
drink water
veeg iets van mijn neus

de letters heb ik
in mijn zak, de zinnen
denk ik te beginnen
morgen, later, nooit
weet ik wanneer

HEELALLENBAL

Het heelal is zo klein
de eeuwigheid zo kort
het is allemaal te belopen en te befietsen

nergens is een grens
en overal iets te beleven

steeds weer heb ik dit geschreven

Ik sta naast het raam
en staar naar de straat
scheef-schuin door de ruit starend

ha!
er puilt wat huilend geruis
uit m’n snuit
zo koos ik m’n lome zaterdag
te verfomfaaien

nooit meer droom ik hoog
van de toren m’n ivoor te verstrooien

ik hoor juist buiten tussen de koeien te stoeien
die steeds vervaarlijk loeien
alsof zij heimelijke rijmpjes beproeven
tussen d’r snoeten en d’r hoeven

ik hoef óók graag meepraten

Recensie van Heerlijke galop - Pieter de Bruijn Kops

Het had anders kunnen zijn

Pieter de Bruijn Kops
Heerlijke galop
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2014
ISBN 9789046816400
€ 17,50
64 blz.

‘Zuiver technisch gesproken komt poëzie natuurlijk neer op het rangschikken van woorden met het hoogste soortelijk gewicht in de meeste onvermijdelijke volgorde. Idealiter ontkent de taal haar eigen massa en de wetten van de zwaartekracht. Ze streeft naar omhoog of zijwaarts naar het begin waar het Woord was. Voor de taal is poëzie de hoogste bestaansvorm, waarbij de dichter geneigd is de klank belangrijker te achten dan denkbeelden en overtuigingen.’ Met deze woorden uit zijn essay ‘De dichter en proza’ legt de Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky de lat voor zichzelf en zijn collega’s hoog.

Als ik de poëzie uit de debuutbundel Heerlijke galop  van Pieter de Bruijn Kops leg langs de meetlat van deze werelddichter, dan is er op het punt van het rangschikken van de woorden in de meest onvermijdelijke volgorde nog een wereld te winnen. Datzelfde geldt ook voor de klankfascinatie, de balansvoering tussen klank- en woordspel en de inhoud, en de ontkenning van de eigen massa en de wetten van de zwaartekracht. Deze poëzie mag zich dan willen onttrekken aan elke typering en dwars tegen de tijdgeest ingaan, ik mis na herhaalde lezing toch nog te veel een visie en een vitale kracht in deze verzen. De meeste gaan nog niet zweven. Ze nemen je lang niet allemaal mee in hun observatie. Zeker, ik proef het plezier in het taalspel, soms bij het overspelige af. Ik lees ironie en humor in deze verzen, maar het ontbreekt me nog te vaak aan lanceervermogen en vormkracht die gepaard gaat met voldoende complexe inhoud.

Dit debuut bestaat uit vier afdelingen: ‘nacht’, ‘ochtend’, ‘heerlijke galop’ en ‘avond’. Gedichten met en zonder titel en met sterk wisselende regellengte en strofeomvang. Ze hebben een toon die meer naar het proza neigt dan naar geconcentreerde poëzie. Ze maken op z’n minst een speelse, soms wat geconstrueerde indruk. Soms vallen je wat krachteloos uitgevallen enjambementen toe, zoals
 

je hield je van den
domme alsof jij niet ook de weg
 
wist,

 
Dat schaadt de poëtische zeggingskracht. Hetzelfde geldt ook voor krachteloze eindrijmen als
 

en dan, op reis met isegrim
te turen naar de vieze kim

 
We schuiven in de eerste afdeling ‘nacht’ een dag in ‘die mij bracht/ waar ik ben om hier te zijn/’, met het oog op de toekomst gericht. De ik leeft met het voornemen om ‘de letters’ die hij ‘in zijn zak’ heeft, te gaan opschrijven. Wat anderen niet opmerken, ontgaat hem niet. Dit is de bonustrack van een dichter. Deze dichter uit zich zo nu en dan in bizarre beelden, zoals: ‘En de mensen legden hun tongen te ruste in mijn lichaamsgaten/’. Daaraan beleeft hij merkbaar genoegen.

In de tweede afdeling ‘ochtend’ ontvouwt de ik enkele aspecten uit zijn jonge jaren voor ons. Herinneringsflarden zweven hem door zijn geest:
 

een groot denkraam vol natte spinazie en kersen om van te
wenen
 
o grootvader en grootmoeder waar zijn
uw gedachten
gebleven
waar staan we nu
en waar hebben de mensen hun
tranen vergoten?

 
Hij kan de voorbije tijd niet meer achterhalen, maar het intrigeert hem wel. Het dwingt hem niet meer te dromen ‘hoog van de toren/’, maar
 

buiten tussen de koeien te stoeien
die steeds vervaarlijk loeien
alsof zij heimelijke rijmpjes beproeven
tussen d’r snoeten en d’r hoeven
 
ik hoef óók graag meepraten

 
Met die ’hoef’ verstapt de dichter zich. Als hij terugkeert naar de aarde van zijn jeugdjaren, doet hij dat met een spel van tweeklanken dat opnieuw overspelig aandoet. Met het gedicht over de ‘oerknal’ die bij de ik zelf begint en die ik van zichzelf niet kan horen, vangt zijn eigen leven aan. De liefde verschijnt aan de horizon. Droom en werkelijkheid volgen elkaar op: ‘is deze wereld/ van mij? […]// ik vraag maar, want ik droomde  dat wij/ (jij en ik) over de brug een om-//megang maakten./’. Zoals Eurydice onbereikbaar was voor Orpheus, zo is de jij hier onbenaderbaar voor de ik. Als in een treinreis voltrekt vervolgens zijn leven zich aan de ik. De reiziger stelt zich voor te leven en te wonen in de huizen die hij passeert, maar zijn lot heeft anders beslist. Hij is in de positie gekomen daarover te dromen en te schrijven, zoals in het gedicht ‘Ongelezen boek’. Dergelijke observaties in het dagelijks leven opgedaan, zoals ook ‘het voetstappengestap’ van een jonge man in een trappenhuis langs wie de ik met zijn blikken glijdt, leveren toch betrekkelijk weinig op aan verdieping van dergelijke ervaringen.

De derde afdeling ‘Heerlijke galop’ legt De Bruijn Kops, zo komt het mij voor, zijn geloofsbelijdenis op tafel door in zijn eerste gedicht te antwoorden op de vraag van de ik of hij mee mag rijden naar Marseille, terwijl hij er niet eens daadwerkelijk naar toe gaat, maar dit voornemen hem wel bij de vraag brengt:
 

is dat belangrijk? Ik bedoel
klopt iets ooit? […]
 
het gaat niet om wat ertoe doet, dat
is het mooiste, dat het ook
anders had kunnen zijn

 
Dat het ook anders had kunnen zijn, is vooral wat De Bruijn Kops bezighoudt, in alles wat hij observeert, beschrijft en tegen het licht houdt. Panta rhei: alles is voortdurend in ontwikkeling in het leven, ook in de poëzie. Oude woorden keren in een nieuwe samenhang weer terug. Een kinderliedje, de Beatles in ritme met Leopolds peppels en het knekelhuis van Marsman voortgedreven op een Harley Davidson. In deze ‘heerlijke galop’ ontwikkelen zich meer dan daarvoor dialogen tussen een ik en een jij, maar ook dwaze, nietszeggende verzen als ‘In ouderwetse klederdracht’ over een haan in Bern of een vreemd samenstel van voorwerpen en afgoden in het gedicht ‘Het gebroken oor’ dat op een doodleuke manier afsluit met de woorden:
 

zing een vrolijk liedje als je opstaat…
en word wakker met een lach
dan heb je een goeie dag

 
Je kunt dat vrolijk noemen, maar poëzie dient meer te geven dan vrolijkheid. In het gedicht ‘Poging’ tracht De Bruijn Kops ‘het zaad van het alleven’ nieuw leven in te blazen, maar het mist de kracht die je kunt vinden in gedichten daarover als van Dér Mouw. Het spelen met de titels en liedtekstdelen van Beatles songs is wel geestig gecomponeerd, maar leidt nu niet direct tot poëzie die het verdient als titel mee te dragen ‘Shakespeare’s Beatles Compilation’, afgezien van de sonnetvorm. De Bruijn Kops eindigt zijn heerlijke galop met de vaststelling dat er nergens een grens is en ‘overal iets te beleven//’. Ik beschouw dat toch als een vorm van vrolijke luchtfietserij, die niet zoveel poëzie oplevert.

In de laatste afdeling ‘avond’ opent hij met een diepzinnig vers: ‘Nooit heb ik zoveel gedacht’ waarin deze versregel zes keer wordt gebruikt op een vers van twaalf regels. Of de dichter hier bedoelt te zeggen dat hij juist in de aanwezigheid van konijnen en paarden zijn gedachten in zich voelt wegvloeien of dat hij nog eens goed moet gaan nadenken wat hij met het konijn en het paard in zijn gedicht aanmoet, het blijft aan de lezer. In deze afdeling worden grenzen getrokken. Waar het taalspel wel geslaagd voor de dag komt, is in de eerste strofe van het gedicht ‘Zee land kust/ luchten zich om horizon winden/ golven op keien stranden/ pieren vogels trekken/ avond daagt//’. Die begrenzing of beperking laat De Bruijn Kops soms zien aan de typografische vormgeving van het gedicht, zoals in het gedicht over ‘beperking’. Er zou gedacht kunnen worden aan de avond van 4 mei waarop mensen stilstaan bij de oorlogsslachtoffers. Hij verbindt in dit gedicht de laatste versregel met de titel:
 

DE
 
Er is beperking; de mensen
Staan stil en weten
Hun avond
Naar binnen te draaien
 
De mensen weten omdat
Hun avond omdat stil
Omdat er stilgestaan wordt
Stil
 
het is hetzelf-

 
Eenzelfde spel met aan elkaar geketende strofen door woorden of versregels te herhalen past hij in de ‘avondlijke stad’ toe. In dat gedicht levert die werkwijze nog wel een aantrekkelijk geheel op, eindigend in de spuistraat met chanel negentien in de luchtwegen, maar in het vers ‘ik wil niets’ komt de tekst niet boven het spel uit.
Nog eens terugbladerend merk ik op een aantal plaatsen in de bundel, dat De Bruijn Kops wel degelijk tot een complex taalbouwsel in staat is dat in zijn woordspel, compositie en beeldgebruik indruk maakt. Een gedicht als ‘Verleden moment’ laat wel veel meer die gedrevenheid, vitaliteit en visie zien die Brodsky beoogt:
 

Verleden moment
Voor een kind dat er bijna niet was
 
Geef er een taal aan
Zet er een stoel bij
Kijk in een gapende leegte van blijdschap
Neem er de tijd voor die spartelt en lucht slikt
– ga er maar aan staan –
pomp de minuten, de wijzers die piepen
hun lied van het leven gekooid in de uitkomst
die steeds maar onzeker de toekomst laat wachten
en snak naar een adem van ruimte
 
omhels door het glas dat hem scheidt, hem beschermt
welkom rijmt nu nergens op
afscheid is geen woord
leven en dood het idioom uit een oud boek zonder vertaling
dat in een uitzicht van het kind ligt weggeborgen
 

De woordenloze spanning die er over dit gedicht heen hangt, ontroert en grijpt je als lezer aan. Als lezer zit je in de couveuse van je eigen verwachting over hoe deze ervaring zich afwikkelt. De ‘gapende leegte van blijdschap’ die onzeker laat wachten op de toekomst, wordt tastbaar gemaakt. De omhelzing van het glas is zo’n teken van emotionele ontreddering. Alle vanzelfsprekendheden over welkom en afscheid verstommen. De laatste twee versregels laten wat komen gaat op een beeldrijke wijze in het ongewisse. De existentiële spanning weet De Bruijn Kops tot het laatst in dit gedicht vast te houden. Dit gedicht verliest zijn zwaartekracht en gaat zweven en bezit vitaliteit. In dit gedicht heb ik geen hinder van onnodig woordspel, van zoeken naar woorden en beelden, van een bijna leeg gedicht. Hier is geen sprake van overspeligheid, maar hebben we te maken met doorleefde tragiek, emotie. Door zijn verschuiving van uitdrukkingen, woorden en beelden blijft het in zijn uithoeken steeds weer om herlezing vragen. Het had anders kunnen zijn in meerdere gedichten uit deze bundel.

***
Pieter de Bruijn Kops (1959) werkt als redacteur van non-fictie. Onder het pseudoniem Pieter Goedschalk publiceerde hij poëzie in onder meer Krakatau, En er is en Meander.