Recensie van Waar ik jou word - Antjie Krog

Een stem die grijpt en niet loslaat

Antjie Krog
Vertaler: Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer
Waar ik jou word
Uitgever: Podium
2017
ISBN 9789057598722
€ 15,00
125 blz.

In welke volgorde kan men de Zuid- Afrikaanse gedichten in deze bundel van Antjie Krog en de vertalingen daarvan  in het Nederlands door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer, het beste lezen? Na enig experimenteren kwam ik er achter: eerst elk gedicht in de oorspronkelijke taal, bij voorkeur hardop, om de bekoring van het kruidige Afrikaans te proeven, daarna de vertaling om het vers beter te begrijpen en daarna nogmaals het origineel om begrip en taalsensatie te laten samengaan. (Bijkomend voordeel: aan het eind van de bundel gekomen kan men in de waan verkeren een aardig woordje Afrikaans te spreken).
Wilt u dit proberen, hier het origineel en de vertaling van de laatste strofe uit de cyclus ‘land van genade en verdriet’, die de hevige maar moeizame  liefde van de dichteres voor haar land tot onderwerp heeft.

(…)
(maar as die oue nie skuldig is nie
        nie skuld bely nie
kan die nuwe natuurlik ook nie skuldig wees nie
en nooit voor stok gekry word
         as hy die oue herhaal nie
alles begin dus van voor af aan
die slag anders ingekleur)

(maar als het oude niet schuldig is
       geen schuld belijdt
kan het nieuwe natuurlijk ook niet schuldig zijn
en nooit worden berispt
        als het nieuwe het oude herhaalt
begint alles dus van voor af aan
maar dit keer anders ingekleurd)

Antjie Krog werd in 1952 geboren in Kroonstad in het noordwesten van Zuid-Afrika, groeide op in een gezin van schrijvers op een boerderij, is moeder van vier kinderen (dit laatste is van belang; het moederschap behoort tot haar meest indringende onderwerpen) en is momenteel buitengewoon hoogleraar in Kaapstad.
Van 1996 tot 1998 was zij hoofd van het team dat verslag deed van de zittingen van de Waarheids- en Verzoeningscommissie.
Naast haar werk aan de universiteit is zij journaliste,  dichteres en schrijfster van proza en toneelstukken.
Zij trad in Nederland onder meer op bij Poetry International, de Nacht van de Poëzie en in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Deze bundel bestaat uit een selectie van vijfentwintig gedichten, die zodra je er aan begint niet meer loslaten.
Hoe komt dat, wat maakt haar poëzie zo meeslepend?
Ik denk de compleetheid, het openen van alle registers van gevoel en rede.
De mening dat het bij poëzie alleen om een spel met de taal gaat en niet om het daarin uiten van emoties, vitaliteit, betrokkenheid en nog zo wat, kortom  het totaal  van menselijke hoedanigheden, wordt hier ondubbelzinnig gelogenstraft.

Bij Antjie Krog gaan deze laatstgenoemde kwaliteiten dan ook nog eens gepaard met een felheid en ‘onkuisheid’, die bevrijdend en overweldigend werken. Geen poespas, geen tierelantijnen, wel een cascade aan woorden die er alle toe doen.
Ter illustratie:

sonnet van die warm gloede

iets kram jou rugmerg ê rens vas jy voel
hoe sprei ’n pasgestigte angs
vanuit jou bors, jou are loop met vuur
jou vleis ontvlam jou hart kook vuurvas voort
(…)
soos ’n krijger staan jy op en gooi jou wapens
vlammend weg – jy gryp die dood. Jy druk
sy fokken neus in jou klipperige kaal geplukte poes

sonnet van de opvliegers

iets kramt zich ergens in je ruggenmerg vast je voelt
een pas ontstane angst opwellen
in je borst. Je aderen zinderen van vuur
je vlees ontvlamt je hart kookt vuurvast door
(…)
als een krijger sta je op en smijt je wapens
vlammend weg – je grijpt de dood. Je drukt
die rotgok van ‘m in je korrelige kaalgeplukte kut

Er is geen onderwerp dat deze dichteres schuwt; van het baren van kinderen, het gezinsleven, ouderdom, de verscheurende apartheid en de gehechtheid aan haar geboorteland tot aan het landschap, de geologie, menselijke lotsverbondenheid, wonderen en politiek.

Zelden werd ik zo getroffen door op vergelijking berustende beeldspraak:
Uit ‘hoe en waarmee overleef je dit’: ‘(…) mijn stem klinkt als een mengermalermixerhakker / mijn neus lekt als een ijskast / mijn ogen bibberen als eieren in kookwater /  (…), en uit ‘klaaglied’: ‘(…) in het gouddonker van Rwanda /- (het schitterzwart hart van iedereen) / hakt een kapmes de tanden dwars door zijn gezicht / klooft een kapmes haar vagina tot ravijn / schilt een kapmes het hoofd van het kleintje als een ui / (…).’

Een bijzonder gedicht is de cyclus ‘om te verjij-en’, dat Krog schreef  ter gelegenheid van Gedichtendag 2009 onder de titel ‘Waar ik jou word’. Hierin wordt de blik nu eens niet naar buiten gericht maar naar binnen. Een introspectieve odyssee, waarbij de ik stap voor stap via onder andere de sterren, de gravitatie en de liefde nader komt tot de slotsom dat zij uit meerdere jij-en bestaat en uiteindelijk tot een wij. Dit laatste is medebepalend geweest ten aanzien van haar relativerende houding tegenover haar landgenoten die voor de apartheid waren.
Enkele fragmenten uit dit gedicht:

(…)
maar ik die jou had kunnen zijn
maar nog niet weet dat ik dat ben, schuifel
hardnekkig maar je blijft schiften tot toebedeelde
veelzaamheid
(…)
het punt
waarop het ik zo talrijk is
dat het niet meer uitmaakt om te zeggen
dat het ik zichzelf niet meer is
maar herkenbare
veelvouden
(…)
maar waar ik jou ben
jullie ben geworden
begin ik buiten mezelf
met lichte kwikzilver-zingende polsslagen
iets voorbij iedere mensheid te kaatsen
(…)

Op het voorplat staat dat deze vijfentwintig gedichten door iedereen gelezen zouden moeten worden. Ik ben het daar hartgrondig mee eens.

Recensie van Medeweten - Antjie Krog

Goedschikse verkloters

Antjie Krog
Medeweten
Uitgever: Podium
2015
ISBN 9789057596971
€ 25,-
260 blz.

Medeweten luidt de titel van de nieuwste bundel van Antjie Krog. Het is een begrip dat veel verder gaat dan ‘medeleven’, dat weker is, slapper; invoelend en goed bedoeld, maar ontdaan van de verantwoordelijkheid die mede-weten door de rationele component wel impliceert. En over verantwoordelijkheid en bewuste stellingname – betrokkenheid vanuit politiek bewustzijn en doorleefde menselijkheid – gaat het in dit werk, of het nu maatschappelijke verhoudingen of menselijke relaties betreft. Alles is een kwestie van zich rekenschap geven, consequenties doorzien, betekenis toekennen, deelnemen, partij zijn en daarvoor kan de aanleiding zowel in het heden liggen, bijvoorbeeld een schokkende misstand ten gevolge van het ongelijkheidsdenken en falende rechtspraak, maar ook in het verleden, zoals bij een sterfgeval (er wordt in de bundel ruimhartig gestorven).

Het opvallendste kenmerk van Krogs poëzie is de intensiteit ervan. Zij verstaat de kunst woorden te doen zinderen van spanning. Het zit in de scherpte waarmee zij scènes tekent, de vrijmoedigheid waarmee zij schrijft, haar directheid, vooral de absolute overgave aan de taal. Het is poëzie die in alle opzichten geëngageerd is en waarin zij zelf dus volop aanwezig is.

In zijn Volkskrant-column van 28 februari wijdde Remco Campert bewonderende regels aan ‘om bemin te word deur ‘n digter’ (blz. 224). Feilloos wees hij daarmee op wat inderdaad een van de beste gedichten van de bundel is. In de krant liet Campert zes regels weg, hier volgt het helemaal:

bemind worden door een dichter

vlak bij de Meir loop ik Veerle tegen het lijf
bruin haar     scheve baret     laarzen jas

hoe gaat het? ze vertrekt haar mondhoek
even maar alsof het er niet toe doet

haalt haar schouders op en knikt we groeten
en lopen ieder een andere kant op

ik kijk nog eens om maar ze is al verdwenen
gewoon tussen de anderen als de anderen

en niemand weet dat zij ooit is besnuffeld
door goddelijke hersenen dat zij gerafeld

van passie uit haar lakens is getuimeld dat
zoveel geilheid in haar holtes is gedroomd

zoveel landschappen tussen haar benen open
gesnorkeld zijn dat elke dag elke kant op kon kantelen

gestuwd werd zij door
een begaafde onder de goden

nu is hij dood      ze heeft hem tot het einde toe bijgestaan
en loopt gewoon als gewoon mens tussen anderen

(Antwerpen 2008)

Een overrompelend realistisch gedicht, waarin Krog zich in volstrekte vrijheid het onderwerp – de haast goddelijke erotische oerkracht van de dichter – volledig toe-eigent. Zij lijkt in de korte ontmoeting met de wat schuw reagerende weduwe Claus op afstand te blijven, als óók een gewoon mens, maar in wezen gaat het om wat zij in zichzelf ervaart en teweeg zou willen brengen. Dat maakt de haast schokkende kracht ervan uit.

Krogs poëzie lezen vereist concentratie; zij is een talige dichteres, met een zich virtuoos vernieuwende woordenschat. De vorm zet zij naar haar hand: in de versregels staan vaak extra spaties om woorden of zinsfragmenten apart te zetten, op die in eigennamen na ontbreken hoofdletters, komma’s zijn een zeldzaamheid en eindpunten ontbreken ook, hoewel punten soms wel binnen de versregel opduiken. Het maakt dat iedere keer weer de volledige nadruk op de woorden valt.

Medeweten begint imponerend met de dertiendelige cyclus ‘die werf’ (‘het erf’), waarin de geschiedenis verteld wordt van de ‘plaas’ (de boerderij) die sinds 1861 familiebezit was. Het eerste gedicht, ‘ek wil ‘n graf hê om van om te draai’, doet in tien strofen van zes regels beeldend verslag van de begrafenis van haar vader:

‘ik wil een graf hebben om van weg te gaan’

de lijkwagen rijdt langzaam door rijpwit winterveld
binnenin hobbelt de grenenhouten    kist de zoons en kleinzoons
van mijn vader      zakdoek om de hand gewonden
tillen de kist aan touwen op en dragen hem naar het graf
waar drie dagen over gedaan is om het in basaltsteen
uit te houwen                                  een ijzige zuidenwind snijdt

door ons gezan: nader, naderbij
mijn broers huilen als afgesnedenen     de dood
duwt ineens in ieders rug     U doorgrondt
en kent mij      er valt een pasgeschoren schapenvacht
over de kist     de dominee leest de Oude
Vertaling zoals mijn moeder opgedragen heeft

Krog beschrijft verder hoe het ‘in het snijdend koude Vrystaatse schitterlicht’ is alsof er ‘iets zuchtends’ uitgaat ‘van ons Afrikaner geweten onze taligheid onze witheid’. Het schrijnt dan ook, als Hendrik Nakedi ‘in een van Pa’s oude ribfluwelen jasjes’ naar voren komt ‘met grond in zijn eeltige hand’ en even later Kapi, ‘pa’s trekkerrijder’ integen stelling tot de broers wél met de schop kan omgaan om het graf te dichten.
De slotstrofe verwoordt indringend het sprakeloze onvermogen dat onlosmakelijk aan de situatie verbonden is:

hij is weg en we drijven al uiteen      wat
we ook al wilden       elk treurend woord
elke vergiffenis elke liefdesverklaring die we wilden
afgeven komt te laat jeetje Pa stuur iets                      gewoon iets
waaruit blijkt dat je het vóélt: de keiharde onstuitbare
kielhaalaard                  van rouw

Ik vind Krog het sterkst in deze heel sobere, directe gedichten. Ze ademen urgentie. Maar ze heeft ook een lyrische kant en dan krijgt haar poëzie iets exuberants, wordt haar taal van een bijna orgastische weelderigheid. Een mooi voorbeeld daarvan is het begin van ‘leef de mythe’, het zesde gedicht van de ‘Erf’-cyclus:

hoe oneindig duizelt het uiteinde van de grond-als-die-van-ons
eucalyptus-wilg- populiermonogrammen van wij-zijn-hier
geplant     de beek lauw ‘s avonds van amandellicht en hier geboren
sterren parelhoenders en kieviten die al eeuwen uit het gras zwemen

Of lees hoe zij in ‘Verlies’ geëmotioneerd afscheid neemt van haar zoon die het huis verlaat:

[…]

hij draait zich om naar zijn tassen
en mijn lijf scheurt van voren naar voren open
de naden van mijn armen barsten open

en kwetsen bloedend achter zijn liefhebbende nabije lijfelijkheid aan
zijn lijfzijnde lijfheid die uit mij geworden is
uit alles wat gloeiend als kool in mij was en onbevaren
onaflosbaar openbarend was zijn lijvende geliefdheid

dit kind dat ik ook met mijn armen heb gekoesterd
en zijn luidkeelse heelhuids zingende wangen

kind
kind van mijn borst
laat me niet alleen
mij en dit brandende ontworde onuitgesproken godvergalde vaderland

De laatste regel roert een van de belangrijkste thema’s aan van de bundel, de in te nemen positie tegenover het geliefde maar zo getormenteerde vaderland. Indrukwekkend is hoe zij uit naam van slachtoffer Cynthia Ngewu in ‘hou jou oor teen die skeur van my land’ schrijft over ‘verzoening’, hoe zij in ‘mirakel’ stelt ‘ik behoor toe aan dit land/ het heeft mij gemaakt// ik heb geen ander land/ dan dit land’, terwijl zij weet: ‘maar onze begraafplaatsen blubberen van de veronachtzaamde/ geïnfecteerden de vermoorden de verkrachten de diepbedroefden’.
Van ongemene kwaadheid getuigt ‘Vrouwe Justitia geblinddoekt’, dat keihard en met alle grofheid die nodig is niet alleen de misstanden in Zuid-Afrika aan de orde stelt, maar vooral wat er politiek-maatschappelijk mis is in de hele wereld. Machthebbers zijn verkrachters, hebben een leugentronie, zijn Heer Edelachtbare Boerenlul, Hoogwelgeboren Droplul, Weledelgestrenge Oetlul (respectievelijk ‘Boerpiel’, ‘Soutpiel’, ‘Akkerpiel’). Het zijn geen woorden die je in een poëziebundel verwacht, maar daar heeft Krog duidelijk lak aan, ze straalt iets uit van ‘als het je niet bevalt, lees je het maar niet’ en weet zich daarbij gesteund door de schrijvers (o.a. Coetzee) op wier teksten zij zich baseert. Ze besluit de tekst tamelijk illusieloos met

[…] uiteindelijk blijven, waar je ook bent, de
fundamenten waarop alles rust corruptie en medeplichtigheid
maar de gevaarlijkste van deze zijn de schone handen

Zelf haar handen in onschuld wassen, is wel het laatste wat ze zou willen. Wit, hoog opgeleid, behorend tot de bezittende klasse, het zadelt je op met een maatschappelijke schuld die niet de jouwe is maar waarvoor je wel de verantwoordelijkheid draagt. Het is de spagaat waarin Krog zich regelmatig aantreft en die ze indringend verwoordt.
‘Grond hoort niemand toe’, schrijft ze enkele malen, maar ze is met hart en ziel in haar Afrikaanse land geaard.

Medeweten is een rijke bundel, bijna overdadig. De 66 vaak lange gedichten snijden een veelheid van thema’s aan: familie en (klein-)kinderen, de verhouding baas-bazin, landschap en natuur, erotiek en seksualiteit, de kwetsbaarheid van het eigen lichaam, de dood (met bijna heiligende gedichten voor Mandela). Daarbij durft ze volop te experimenteren met de versvorm en is het duidelijk dat ze er zelf van geniet de grenzen van de taal op te zoeken, zoals ze dat met name in de laatste gedichten doet, ‘pogungen tot linguïstische synaps-opsporing’. De tussen haakjes geplaatste slotregel daarvan is onthutsend: ‘we behoren uitgeroeid te worden liefste/ als zintuigloze haatdorvende gierschijtende dozen goedschikse verkloters)’.

Medeweten werd vertaald door Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer. Er wordt niet verantwoord wie wat deed, ze zullen dus als vertalerscollectief gezien willen worden. Op de even bladzijden links staat steeds de Nederlandse tekst, rechts het origineel. Haast automatisch lees je daardoor de gedichten twee keer en voelt het Afrikaans al snel vertrouwd.

In ‘een mens te eten geven’ stond eerder: ‘voedsel in gulheid te wikkelen is een morele daad’. Zo zou je het aanbieden van zoveel bijzondere poëzie ook wel kunnen beschouwen.
Dank, Antjie Krog!

***
Antjie Krog (1952), die al op haar achttiende debuteerde met de dichtbundel Dogter van Jefta is uitgegroeid tot een van de belangrijkste dichters van Zuid-Afrika.
Naar aanleiding van de verschijning van Medeweten en aan de vooravond van Poëzieweek had Sander de Vaan voor Meander een gesprek met haar. Lees hier het interview en hier een drietal gedichten uit de bundel.


Gedichten

nadat haar man begraven was
liet overgrootmoeder Betjie van Middenspruit
hem opgraven
en trok hem een ander zondags pak aan

‘ineens begrijp ik het’ zegt mijn moeder
‘ik zou niets liever willen dan
daar bij die hoop grond te gaan graven
net zolang totdat ik bij je vader ben

tot bij waar hij is en hem
aan zijn schouders optil
die onontkoombare daarheid van ’m’

*

na haar man begrawe is
het oorgrootouma Betjie van Middenspruit
hom laat opgrawe
en ’n ander kispak aangetrek

‘skielik verstaan ek dit’ sê my ma
‘ek dink aan niks anders as om
daar by die hoop grond te begin grawe
en aan te hou totdat ek by jou pa kom

tot by waar hy is en hom
aan sy skouers oplig
die onteenseglike daarheid van hom’

praatjes van vóór de verkiezingen

‘krijgen jullie grond na de verkiezingen?’ ‘nee alleen hunnie op tv’
           ‘maar jullie, als jullie het krijgen, geven jullie mij dan werk?’ … ‘jullie kennen mij

als ik erom vraag, wat voor werk geven jullie me dan?’ ‘wérk?’ ‘ja!
           Petrus wat zul jij me laten doen?’ ‘schapen hoeden’ het is eruit voor

hij het weet beelden van een kudde schapen met pa te paard iemand bij
           de smederij proest ‘nee, de baas moet iets anders doen!’

‘melken!’ Pa bij het zwaarste, lichamelijkste werk op de boerderij ‘liever in de
           tuin, spitten en sproeien voormevrouw’ ongemakkelijk gelach ‘Matjama

wacht, jij kunt rijden. dan zeg ik: man, je mag mijn auto pakken, neem me maar fijn
           mee naar de Kaap het veld staat er zo mooi bij dit jaar’ uitbundig gegier de

jongensmaken zwierig achter elkaar radslagen kappen alles af alsmet eenmes
           Pa komt langzaamachter de trekker vandaan bedremmeld komen ze een

voor een op de oprit voor de loods zitten alsof ze ineens op een richel tasten
           naar het onzichtbare – tot parelhoenders de eucalyptusbomen opzoeken voor de nacht

*

voor-verkiesingspraatjies

‘gaan julle grond kry na die verkiesing?’ ‘nee net hulle op die tiewie’
           ‘maar julle, as julle kry, sal julle my werk gee?’ … ‘julle ken my

as ek kom vra, watse werk sal julle my gee?’ ‘wérk?’ ‘ja!
           Petrus wat sal jy my laat doen?’ ‘skaap oppas’ dis uit voor

hy kan keer beelde van ’n trop skape met pa te perd iemand by
           die sweisery proes ‘nee, die baas moet iets anders doen!’

‘melk!’ Pa in die hardste, mees fisiese werksure op die plaas ‘liewer
           tuin, spit en natlei vir die miesies’ ongemaklike gelag ‘Matjama

wag, jy kan dryf. ek sal sê: man, jy’t permissie vir my kar, vat my bietjie
           Kaap toe die veld is mos so mooi vanjaar’ uitbundige gegier die

jonges swier in wawiele skielik sny alles af asof met ’n mes
           Pa kom stadig agter die trekker uit bewerig kom een

vir een in die stoor se oprit sit asof meteens op ’n rant tastend
          na die onsigbare – tot tarentale die bloekoms opsoek vir die nag

het is hem!

het is papa! mijn hart klopt in mijn keel maar als ik de
                 de hoek omsla is het een bejaarde zwarte man
in een netjes versteld Harris Tweed-jasje zoals je

in pa’s wintergarderobe zou aantreffen ik loop achter hem
                 en mijn ogen blijven plakken aan die te grote schoudervullingen:
wat als deze man mijn vader was wat als dit zíjn vingers

waren die zo aan de plastic zak onder zijn arm frunniken
                wat als mijn vader zwart was en oud en eerbiedwaardig
uitgeleverd aan zijn versleten spieren

zijn gepoetste schoenen op weg naar mijn moeder ergens
                uitgeblust in een éénkamerhuisje eigenlijk moet
ik mijn hand op zijn rug leggen en zeggen: het beste kgosi mijn

raaf mijn prachtige koedoekop laat me je vasthouden want
                jij loopt zo stil als een sleetse staf en alleen
maar ik wend me af: mijn medeplichtigheid onverdraaglijk. vast-

gehecht blijft ons heden aan het verleden sterven

*

dis hy!

dis mos Pa! storm my hart in my keel op maar toe ek om
                die hoek kom is dit ’n bejaarde swart man
in ‘n netjies gestopte Harris Tweed-baadjie soos mens

in Pa se wintertrommel sou kry ek stap agter hom
                en my oë kleef die te groot baadjieskouers:
wat as hierdie man my pa was wat as dit sý vingers

was wat so aan die plastieksak onder sy arm frommel
                wat as my pa swart was en oud en vol eerbaarheid
uitgelewer aan sy verslete spiere

sy gepoleerde skoene op pad na my ma êrens
                in ’n buitekamer geblus eintlik moet
ek my hand op sy rug sit en sê: mooiloop kgosi my

raaf my pragtige koedoe-kop laat my jou vashou want
                jy stap stil soos ’n staf nerf-af en alleen
maar ek draai weg: my aandadigheid onverduurbaar. vas

geheg bly ons hede aan die verlede sterf

mirakel

ik behoor toe aan dit land
het heeft mij gemaakt

ik heb geen ander land
dan dit land

mateloos is mijn liefde voor het land
gecompliceerd gehard en onomwonden

ik geloof niet in wonderen maar
de vreedzame bevrijding van mijn land

was een wonder – onverhoeds en lichthoofdig blijft
het me bij die weergaloosheid blijft me bij

ik weet dat het land dat nu in protest is ontbrand
eenmalig is vervaardigd uit hoop – dat blijft me bij

zelfs als alles ineenschrompelt tekortschiet in
duigen valt sneuvelt een karikatuur wordt – als

zand glipt het ogenblik dat ons als pendant van wraak
eenmaal gegund is tussen onze vingers weg

ik behoor toe aan het land
het heeft mij gemaakt

ik heb geen ander land
dan dit land

prikkelbaar beledigd vergooien we elkaar
en vergieten straffeloos elkaars leven

we wilden een toevluchtsoord scheppen voor de armen de gewonen
de helden de lieflijken de getalenteerden de verminkten

maar onze begraafplaatsen blubberen van de veronachtzaamde
geïnfecteerden de vermoorden de verkrachten de diepbedroefden

ik weet dat mijn land eenmalig is
vervaardigd uit hoop – dat blijft me bij

terwijl we luister en naar de opgeblazen geluiden
van onze leiders – gortdroog van leegte

mateloos is mijn liefde voor het land
gecompliceerd gehard en onomwonden

we zijn slachtoffers van onszelf aan het worden
gevangen in hebzucht en met een onvermogen tot visie

we hebben geen benul meer van hoe je anders kunt zijn dan
gewelddadig en angstig, dan hardvochtig tegenover elkaar

ik behoor toe aan het land
het heeft mij gemaakt

ik heb geen ander land
dan dit land

mateloos is mijn liefde voor het land
gecompliceerd gehard en onomwonden

ik geloof niet in wonderen maar
de vreedzame bevrijding van mijn land

was een wonder – onverhoeds en lichthoofdig blijft

het me bij de weergaloosheid ervan
blijft me bij

(naar David Grossman)

*


mirakel

ek behoort aan hierdie land
dit het my gemaak

ek het geen ander land
as dié land nie

mateloos is my liefde vir die land
verwikkeld gehard en onomwonde

ek glo nie aan wonders nie maar
die vreedsame vrymaking van my land

was ’n wonder – onkant en lighoofdig bly
dit my by die weergaloosheid bly my by

ek weet die land wat nou in proteste brand is
eenmalig gefabriseer uit hoop – dit bly my by

selfs terwyl alles skrompel te kort skiet in
duie stort sneuwel ’n bespotting word – soos

sand sif die oomblik wat as pendant vir wraak
ons eenmaal gegun is tussen ons vingers weg

ek behoort aan hierdie land
dit het my gemaak

ek het geen ander land
as dié land nie

prikkelbaar beledigd vermors ons mekaar
en vergiet strafloos mekaar se lewens

ons wou ’n toeverlaat skep vir die armes die gewones
die helde die lieflikes die talentvolles die verminktes

maar ons begraafplase slik van infeksie-geïgnoreerdes
vermoordes verkragtes hartgebrokenes

ek weet my land is eenmalig
gefabriseer uit hoop – dit bly my by

terwyl ons luister na die waaiergeluide
van ons leiers gortdor van niksheid

mateloos is my liefde vir die land
verwikkeld gehard en onomwonde

ons is besig om die prooi van onsself te word
vasgevang in hebsug en ’n onvermoë tot visie

ons het geen benul meer van hoe om anders te wees as
gewelddadig en angstig, as brutaal teenoor mekaar nie

ek behoort aan hierdie land
dit het my gemaak

ek het geen ander land
as dié land nie

mateloos is my liefde vir die land
verwikkeld gehard en onomwonde

ek glo nie aan wonders nie maar
die vreedsame vrymaking van my land

was ’n wonder – onkant en lighoofdig bly
dit my by die weergaloosheid daarvan

bly my by

(na David Grossmann)