Recensie van Ruimtedier - Elmar Kuiper

Een zwarte tangrampuzzel

Elmar Kuiper
Ruimtedier
Uitgever: Atlas Contact
2016
ISBN 9789025446499
€ 19,99
64 blz.

Een goede poëziebundel is een sudokopuzzel van de psyche, een levenscryptogram, een tangram van het bestaan. En dat met taal als tovenaarsstaf.
Zo’n bundel geeft je het genoegen of desnoods de onstuitbare drang om niet alleen elk gedicht erin te doorvoelen, maar daarna ook ieder deel waaruit ze bestaat, en op basis daarvan uiteindelijk ook haar geheel.
Ze moet zich niet te gemakkelijk gewonnen geven. Meerdere interpretaties mogen en moeten strijden om aanvaarding. Maar uiteindelijk wil de puzzel naar een acceptabele oplossing. Niet één definitieve, als de sudoko, maar wél één waarmee je de bundel haar plek geeft ten opzichte van jou als lezer. Misschien nog het meest als een tangrampuzzel dan.

De nieuwe bundel Ruimtedier van Elmar Kuiper leverde mij beslist zo’n intrigerende puzzel. Het is een bundel die vragen oproept. Die in delen aantrekt en in andere afwijst. Die soms toegankelijk genot geeft, soms ook stevig geestesvoer en even later weerzin opwekt of desinteresse.

Of ik er uiteindelijk een bevredigd beeld van heb kunnen maken?
Geheel in lijn met het karakter van de bundel: voor een deel. Voor een ander deel dus níet.

Toch raad ik je aan de bundel zelf te kopen en te lezen. Er zit veel interessante poëzie en deels ook ultrakort verhaal aan de botten van Ruimtedier. En bovendien nodigt de bundel van harte uit om er je eigen sudoko, cryptogram of tangram van te vormen. Ben benieuwd of je je dan -deels- herkent in mijn overwegingen hier.

Negatief beeld

Wat is dan mijn gelegde tangramvorm met de stenen van Kuipers bundel?

Als geheel is het geen plezierig beeld wat er uit naar voren komt. De mens en het leven zijn in de meeste gedichten uit Ruimtedier maar meewarige fenomenen waaraan weinig plezier te beleven valt. In bijna alle eerste zinnen van Kuipers dichtwerk zit wel een woord met negatieve toonzetting. Het leven is lijden en zelfbedrog langs ‘vluchtwegen en dwaaltunnels van licht’.

De mens is een dier als een beest in de slechte zin van het woord. En dat moet er volgens Elmar Kuiper nog maar es goed ingewreven worden. Ook de ‘ruimte’ uit de titel lijkt niet de positieve betekenis te hebben van ‘vrijheidsgraad’ of ‘ontwikkelmogelijkheid’. Ruimte is in Ruimtedier meer de oneindigheid waar je in verzuipt en geen vat op krijgt. Sterker, waar het zelfbedrog zijn hoogtij viert.

Waar mijn weerstand of soms weerzin tegen de toon van sommige van Kuipers gedichten ontstaat, is daar waar die naar mijn indruk belerend of hooghartig wordt. Er staat een aantal van die gedichten in de bundel. Met name in het een-na-laatste deel ‘Positie’, waarin de dichter zich hardop lijkt te willen uitspreken over wat hij eigenlijk van de werkelijkheid vindt.
Misschien met ironie of cynisme bedoeld, maar ik lees wat er staat en geef weer wat het mij doet. Hier als voorbeeld het gedicht dat ook de titel gaf aan de bundel en waarin ook de eerdere ‘vluchtwegen’ en ‘dwaaltunnels’ deel van uitmaken:

“Verlichting

Het leven is een dronkenmansrit over vluchtwegen en
dwaaltunnels van licht. Mensen lijven gedachten in
en leven in hun cockpit vol ijdelheid. Snappen ze niet
dat de naald van het leven hun doorprikt, dat ze knappen
als blaasjes? Nee dat snappen ze niet. Daarom wuif ik ze
uit, als ruimtevaarder die geloven in hun missie.
Dat ze maar lang en gelukkig mogen leven,
hun astronautenbestaan cachet geven, los van de aarde
en de wormen zweven, als witte gieren in hun schitterende
vaartuig, rondcirkelend in hun kosmos, waar elke stap
een reuzenstap is op weg naar verlichting.”

In dit sleutelgedicht blijken een aantal volgens mij zwakkere maar ook krachtige kanten van het ‘dichtmanschap’ van Kuipers.

Naast het zo nu en dan moraliserende vind ik ook enkele taal- en vormaspecten, die deels ook elders terugkomen, minder sterk. Ook hier het ‘modernisme’ dat je ook veel bij andere actuele dichters ziet: het als poëzie opdissen van tekst die naar mijn gevoel feitelijk proza is..
Ook bij dit sleutelgedicht vind ik, zoals ik ook al in eerdere recensies aangaf, dat het taaleigene van de poëzie zó beperkt benut wordt dat daarbij volgens mij geen sprake meer van is van poëzie. Of het moet het onregelmatig afbreken en niet uitlijnen van regels zijn, wat ik dan een moedwillig overkomend zwaktebod vind. Ik knap erop
af.

Mij roept de negatieve teneur van de bundel ook de vraag op naar de noodzaak of wenselijkheid daarvan. Zit je te wachten op een bundel die de hardheid van het leven en het menselijk bestaan er nog eens inwrijft? Terwijl je dit al dagelijks in alle rauwheid ondervindt? Zou niet elke poëziebundel niet juist -ook- zachtheid en troost moeten bieden? Harde tekst bestaat er digitaal en zwart gedrukt al genoeg.
Ik ben benieuwd naar reacties van lezers op deze vraag en veronderstelling.

Verbeeldingskracht

Een belangrijke kracht van Kuiper is zijn verbeelding. Zijn vermogen om in enkele woorden een levendige voorstelling op de wekken. En in één enkele dichtregel wel vier.
Zijn zinnen en gedichten ademen verbeeldingskracht. Ze zweten ze zelfs. Zoals in de slotzin van het openingsgedicht:

“Stuur de jongen terug. Zijn maanvis kan niet ademen.
De Adam in zijn zweethut heeft niets menselijks meer”.

Het sterkst vind ik deze in het tweede deel van de bundel, met de titel ‘Dat hij iemand is’. Daar ervaar ik ook de meeste consistentie in Kuipers gedichten.
Hier niet de soms bij elkaar gezapte beelden van een avondje verveeld gezakt voor de tv, zoals soms elders wel naar mijn indruk, maar samenhang en uitwerking van een eenmaal gestart poëtisch verhaal in enkele krachtige strofes. Kuipers op zijn best wat mij betreft. Wel steeds weer met de hem eigen toon van neerslachtigheid en ondraaglijke lichtheid van dit bestaan.

Zoals in het titelgedicht van deel twee:

De verkouden stem

Dat hij iemand is, iemand moet zijn. Iemand,
met een oortje in, die luistert naar de verkouden
stem van de man met de zwarte nagels.

Dat hij hoort dat niet hij, maar iemand anders
op handen gedragen wordt, zoals het gothic
meisje dat wit en slap uit de moshpit

in zijn handen dreef. Dat hij zonder oortje in
luistert, duisternis spelt zonder grunt. Er niemand
immens hoeft te branden in zijn naaldwoud.

Een mooie licht mystificerende ode op de veiligheidsman. (Helaas wel met de voor mijn gevoel weer volledig functieloze regelafbreking).

Zo’n tweede sfeervol gedicht staat er naast:

Amen

‘Aan tafel’, roept een man.
Hij slaat een kruis.

En nu begin ik, denkt hij.

Je hoort hem niet zeggen
dat hij een bonsai is
die klimt naar het licht.

Dat hij opschept en doet
wat hem is aangeleerd:

scheuten pijn
te verdringen,

star op te lepelen, te eindigen,
op te staan, van tafel te gaan,
alsof het daarmee gezegd is.”

De benardheid druipt ervan af in deze kleine zwarte tangrampuzzel.
Met beelden en sferen die binnenkomen.

***

Elmar Kuiper (1969) schreef onder andere vier Friestalige bundels: Hertbyt, Ut namme fan mysels, Granytglimkes en Hiemsiik. Zijn eerste Nederlandse bundel was Hechtzwaluwen (2010). Er verscheen ook een tweetalige bundel onder de naam: Roep de rottweiler op! / Rop de rotweiler op! (2006). Zowel Kuipers Friese als Nederlandstalige poëzie werd genomineerd voor het beste debuut, respectievelijk voor de Fedde Schurerpriis (2005) en de Cees Buddingh’- prijs (2010).

De tuin in Meander

Dichters in de Prinsentuin 2015

Op vrijdag 17, zaterdag 18 en zondag 19 juli vindt in Groningen weer het jaarlijkse festival Dichters in de Prinsentuin plaats. Zoals de naam al zegt in de Prinsentuin, maar voor een deel ook in de Puddingfabriek. Poëzie hoort immers overal thuis.
Uit de tientallen dichters die op zullen treden kozen de samenstellers acht kleurrijke personen die in Meander worden uitgelicht.
Zie verder natuurlijk www.dichtersindeprinsentuin.nl.


Foto: Olaf Otto (www.olafotto.com)


Ghayath Almadhoun (1979)

Uit Syrië afkomstig kan deze dichter niet anders dan geëngageerd te zijn. Maar wat voor een dichter is het. In zijn rauwe en trefzekere gedichten overstelpt hij ons met het ene na het andere prachtige beeld waarin hij klassieke Arabische poëzie koppelt aan een sterke moderne stem. Daarnaast heeft deze man een geweldige ontroerende manier van voordragen, die je met een brok in je keel achterlaat.

Hoe ik een dichter werd

Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw
verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet
onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te
kopen. We vonden een verdriet dat in goede staat verkeerde, het was alleen
een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer
zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. Het verdriet beviel haar
wel en we besloten het te nemen. Maar we waren het niet eens met de prijs,
dus zei de handelaar dat hij er, als we het verdriet zouden kopen, gratis
een pakketje leed uit de jaren zestig bij zou geven. We stemden in met zijn
voorstel en ik was blij met het extra leed, waarop we niet hadden gerekend.
Toen ze merkte hoe gelukkig ik er mee was, zei ze: ‘Je mag het hebben.’ Ik
deed het leed in mijn tas en we gingen op weg. Die avond schoot het me weer
te binnen. Ik haalde het uit mijn tas en bekeek het van alle kanten. Het was
van hoge kwaliteit en verkeerde in goede staat, hoewel het al een halve eeuw
was gebruikt. Kennelijk had de handelaar geen idee van de waarde gehad,
anders had hij het ons vast niet gegeven in ruil voor de aanschaf van het
onbeduidende verdriet van een jonge dichter. Wat me vooral tevreden stemde,
was dat het existentieel leed was, dat bovendien uiterst professioneel in elkaar
was gezet, met prachtige, bijzonder verfijnde details. Het had vast toebehoord
aan een geleerde of een ex-gevangene. Ik begon het te gebruiken en zo werd
de slapeloosheid mijn dagelijkse metgezel en werd ik een voorstander van
de vredesbesprekingen. Ik ging niet meer op bezoek bij mijn naasten, het
aantal memoires in mijn boekenkast groeide en ik uitte nog maar zelden mijn
mening. Mensen werden me dierbaarder dan het vaderland en ik begon me te
vervelen. Maar wat ik vooral opmerkelijk vond, is dat ik een dichter werd.

Uit Weg van Damascus, Uitgeverij Jurgen Maas, 2014
Vertaling: Djûke Poppinga

Jan Bos (1937)

Jan Bos, een Groninger op leeftijd die nu eens niet alleen maar schrijft over weilanden, hooivorken en slootjes. Bos kijkt in zijn poëzie verder dan de provinciegrenzen: Griekse mythen, wijdse uitzichten en andere sprongen in tijd en ruimte keren regelmatig in zijn werk terug. Een gedicht van hem herken je meteen en daarom voegen we hem voor de tweede keer graag toe aan onze line-up.

(ien Hogelaandster toal)

Holten gedicht

Mien hazzens draaien woest
ans n roazende cirkelzoag, dij
jakkert deur stoenze stammen
van tegendroads austig aikenholt.

Mien hakblok bonkt dof onner
elke klap van mien kleuvbiel.
Eerste maggelblokken worren
spöldt ien hapkloare brokken.

Schaarpe heksebiel ligt kloar
bie aanbegun van aale nije kronkels.
t Is t beuken en t kleuven
ien verbeeldens van regelstukken.

k Perbaaier woorden oet te hakken,
mor t blieven toektakkege misbaksels,
tegendroadse dwaarsbongels,
braandholt aan distiedtou, fik ter ien!

Stoenze = stugge * austig = weerbarstig * kleuvbiel = bijl om mee te klieven * maggelblokken maggeln = slecht schrijven * toektakkege = naar alle kanten uitgroeiende takken, grillige * dwaarsbongels = dwarsdrijvers * distiedtou = tot aan deze tijd, tot dit moment * spoldt = gespleten * perbaaier = probeer

Frank Keizer (1987)

Frank Keizer is geen onbekende voor ons. Hij trad al eens bij ons op rond de tijd dat zijn chapbook Dear world, fuck off, ik ga golfen verscheen. En natuurlijk kennen we het magazine Samplekanon dat hij samen met Maarten van der Graaff bijhoudt. In januari zal zijn nieuwe bundel Onder normale omstandigheden verschijnen. Wij kunnen niet wachten en daarom staat hij wederom op het programma.

Klaarheid over mijn bestaan
in de lange nacht, die niets overbrugt.
Bang dat ik de wereld die ik zoek
zelf verduisterd heb, nooit iets leerde
van mijn ervaringen in Nederland,
omdat zij mij, man
uit de middenklasse,
altijd heeft geaccepteerd.
En ik accepteerde haar.
Met mijn legitieme woede,
mijn onhandigheid
en mijn jonge lichaam met organen.
Die ik roofde
uit de lichamen van mijn ouders
en hun ouders voor hen.
Ze zijn overbodig geworden
en ik ben verward, zonder organisatie.

Elmar Kuiper (1969)

Een grote Fries is een grote Nederlandse dichter geworden. Zijn nog te verschijnen bundel Ruimtedier wordt een wondertol en met zijn vrije manier van associëren en soms dwarse manier van beeld aan beeld rijgen is het een losgezongen, vrije stem die wij maar wat graag verwelkomen.

ooit schiet het op

Spijtig! De autocue van Johannes de Doper loopt vast. Achter
de rug van de verslaggever woedt de Peloponnesische oorlog.

Onder de parasol van de pijnboom rekt de herder zich uit na
een verkwikkend dutje. Bedeesd schat hij de afstand in tussen

het afgedwaalde schaap en de ravijn. Het gezicht is bepoederd.
De scheiding moet rechts van het midden. Er groeit geen gras

op de voedingsbodem. Iemand weet natuurlijk iets. Geen nood.
De editor snijdt nooit in het ruwe materiaal. Johannes de Doper

haalt spoedig de feiten in. Ooit schiet het op. Luister! De slagpin
slaat al tegen het slaghoedje aan. De dood is een blote poedel,

totdat de Eindtijd aanbreekt.

Uit: Ruimtedier, Atlas Contact

Richard Nobbe (1993)

De voorman van de nieuwe beweging van jonge Winschoter dichters. In zijn kielzog een hele ploeg jonge dichteressen. Aangezien we deze beweging een warm hart toedragen is het niet meer dan terecht dat Richard Nobbe op Dichters in de Prinsentuin optreedt. In zijn poëzie probeert hij nog alle hoge en lage noten te bereiken, maar Nobbe wil urgent en oprecht doordringen tot de hoofden van de lezers.

Vroeger

Vroeger was alles beter,
ik kan het weten,
want ik heb
– in de jaren negentig –
mijn luiers volgekakt.

Vroeger was het zo mooi
want ja vroeger was
alles nog in sepia
vroeger was alles nog vroeger
ging je naar binnen als het licht aanging,
nu is dat vroeger op die iPads,
vroeger bouwden we hutten
van stront met stukjes
en omgevouwen bordkarton
vroeger praatten we nog met elkaar
want ja, nu is niet vroeger
en nu is alles monddood
omdat ik in de trein niet mijn bek opentrek
omdat mijn bek meurt als een blik met Trabantuitlaatgas
je reinste Ostalgie
en de muziek werd gemaakt op echte gitaren
van sloophout, afkomstig van slavenhandel
en snaren van versgesponnen schapendarmen,
maar ja, dat was vroeger.

Ja, vroeger vroeger vroeger vroeger
vroeger was.
ALLES mooier.

En ik kan het weten,
want ik ben geen twintig meer,
en heb de wereld meegemaakt.

Johan Roos (1973)

P.F. Thomése en Mirjam van Hengel hadden in 2013 al goed in de smiezen dat Johan Roos talent heeft: volgens hen was hij één van de meest veelbelovende dichttalenten van dat jaar. Wintertuin was het ermee eens en voegde hem toe aan hun agentschap.  Dat leidde tot de uitgave van het korte, sobere en anekdotische Hond Leeuw Zee waarin zware thema’s aan de orde komen. Immers: “Hoe zwaarder het thema, hoe lichter de vorm moet zijn.”

Lichamen

De man met de vilten hoed beweert dat hij Godsbewijzen verzamelt.
Ik zeg dat ik dat best wil geloven.
 
Hij heeft ze gewikkeld in theedoeken, diept ze op uit een linnen tas,
vouwt de eerste doek voorzichtig open.

Er ligt een vogel in. Doffe ogen. Stijve pootjes. Bruine vleugels.
De man neemt zijn hoed af.

Hij zegt: ‘Vanochtend ging zijn lied nog dwars door mijn borstbeen.’ en
‘Alles in mij resoneerde.’ Ik denk dat ik dat best wil geloven.

Uit de tweede doek komt een kleine staartklok. De wijzers staan stil,
vlak voor het uur. De man zet zijn hoed op, prutst aan het raderwerk,
verhangt de gewichten en zegt: ‘Kijk, elk gevolg heeft een oorzaak.’

Ik zeg: ‘Elk?’
Hij zegt: ‘Elk.’
‘Altijd?’
‘Altijd.’
‘Niet vaak of soms?’
Hij zegt: ‘“Nee, altijd.”’
Ik zeg dat dat er bij mij niet in wil.

Ik zeg: ‘Ik heb twee keer een dierbare geboren zien worden
en één keer een dierbare zien sterven. Ik heb welkom geheten
en afscheid genomen.’

‘Drie keer heb ik aan een bed gezeten dat het
dwars door mijn borstbeen ging en nu weet ik alles
over soms en niets meer over altijd.’

Ik leg mijn handen op de vogel.
De staartklok slaat.
Ik til mijn handen weer op.
De vogel vliegt weg.
De man neemt zijn hoed af.

Ik huiver, trek mijn capuchon over mijn hoofd
en loop de vogel achterna.

Uit chapbook Hond Leeuw Zee

Vrouwkje Tuinman (1974)

Met de bundel Sanatorium levert Tuinman een huzarenstukje af in de Nederlandse bom. Wat een geweldige bikkelharde, maar met chirurgische precisie opgeschreven gedichten worden er in deze bundel in stelling gebracht. Gedichten die voelen als wodka: zelf ijskoud, maar vanbinnen zetten ze je in lichterlaaie.

Ik zou er voor tekenen

In één keer neervallen terwijl
je een vuilniszak verwisselt en je
vrouw zegt: Kees, wat doe je nu weer.
Maar je doet niks meer.

Precies zo blijven, op deze leeftijd,
of misschien vijf jaar jonger.
Met deze mensen, precies
hier. Heeft iemand een pen?

Op de optimale dag. Met een schok.
Wie ervan hoort (in het journaal?)
weet nog jaren later waar hij
was en wat hij deed.

Langzaamaan vergeten wie
je ook alweer was, en gaandeweg
in slaap geraken. Andersom van hoe
het ooit begon. Verbleken.

Uit Sanatorium, Uitgeverij Cossee 2014

Jante Wortel (1996)

Jante Wortel was één van de vele dichters die werk naar ons stuurde. Wat gelijk opviel was het constante hoge niveau. Geen uitschieter naar boven of naar beneden, maar drie hele goede gedichten waarin de hoofdpersonen over bushokjes dromen, snappen wat je met ‘dit’ bedoelt en rondjes lopen door de keuken. Gedichten die je nog een tweede keer wilt lezen en die nieuwsgierig maken naar de voordracht ervan. Sinds onze uitnodiging won deze studente aan de opleiding Creative Writing aan ArtEZ ook nog eens de Kunstbende van Drenthe. Dat zal ongetwijfeld niet de laatste prijs zijn.

met het oog op morgen

ik heb me voorgenomen na tien uur
’s avonds geen filmpjes meer te kijken
waarin mensen hun oor verliezen

de laatste keer dat ik me daar niet aan hield
droomde ik over bushokjes
mannen met honden
en een onbedwingbare drang om kopstoten te geven

soms loop ik als ik ’s nachts wakker word
naar de kraan om mijn handen te wassen
dan trek ik mijn pyjamabroek tot over mijn navel
en keer mijn kussen om

met mijn handen op mijn buik
stel ik me voor dat ik zwanger ben
de rest van de nacht droom ik over verjaardagen