Recensie van Leesjongen - Wiel Kusters

Omzien in mildheid

Wiel Kusters
Leesjongen
Uitgever: Cossee
2017
ISBN 9789059367388
€ 24,99
299 blz.

In zijn hoedanigheid als hoogleraar letterkunde schreef Wiel Kusters talloze artikelen over Nederlandse poëzie. Hoe zou dit zijn eigen werk hebben beïnvloed? Is het überhaupt nog mogelijk een eigen, authentieke stem te laten klinken als je het werk van zoveel anderen nauwkeurig hebt geanalyseerd? De titel van zijn verzameld werk geeft een bescheiden hint. Leesjongen verwijst naar het werk in de mijnstreek, waar hij geworteld is. De achterflap geeft het lemma weer: ‘Leesjongen (mijnbouw): jongen die bovengronds stenen raapt uit de steenkoolbrokken die via een transportband worden aangevoerd.’ Maar we laten ons niet voor de gek houden. De titel mag dan een eerbetoon zijn aan zijn afkomst, de intuïtieve betekenis staat voor de lezer van nu op de voorgrond: een jongen die leest, een man die ondanks zijn zeventig jaren nog altijd een jongen gebleven is, op zoek naar avonturen op papier.
Leesjongen was de eerste weken na het verschijnen het best verkochte boek in de vermaarde boekhandel De Tribune in Maastricht. De bundel is uitgebracht ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, geboren in Spekholzerheide, nabij Kerkrade. Het boek is mooi ingebonden, maar verder nogal kaal uitgegeven. Een inleiding ontbreekt, alsook een korte schets van de literaire carrière van Kusters, die op de flaptekst een gelauwerd dichter, en zelfs ‘Ein Dichter von europäischem Rang’ (Neue Zürcher Zeitung) genoemd wordt. In de korte verantwoording vertelt de auteur dat ‘de gedichten, met voorbijgaan aan de oorspronkelijke bundelcomposities, in grote lijnen thematisch geordend zijn’. Helaas is er geen lijst met de samenstelling van de originele bundels opgenomen. Het blijft dus gissen wat de datering is van de gedichten uit deze verzamelbundel, en de lezer krijgt geen inzicht in de ontwikkeling van Kusters’ dichterschap. Wel kunnen we de stem van de dichter beluisteren op de meegeleverde cd. Misschien kan deze selectie van 34 gedichten, die op de cd nota bene alfabetisch gerangschikt zijn, tot verkenning dienen van zijn werk.

Geboren en getogen

Ik ben geboren uit een berg van licht,
van licht dat zwart bevroren bovenkwam
en nu nog in de as te gloeien ligt,
te wachten op het uitslaan van mijn vlam.

Ik werd getogen uit een diepe schacht
en zag mij aan de voet van torens staan.
De zon hing hoog te schijnen in de nacht,
maar nog veel hoger steeg daarna de maan.

Ik heb mij getekend met de linkerhand,
terwijl mijn vader het papier verschoof,
mijn moeder waarschuwde: ‘Pas op de rand!’
Ik denk dat ik besta, nee, ik geloof…

… ik word herboren in een vergezicht
waarin het geziene blijft verschijnen,
waarin wat niet voor lege ogen zwicht
onuitwisbaar blijft verdwijnen.

Dit gedicht staat niet alleen op de binnenflap, maar is ook het openingsgedicht van de bundel. Het laat zich lezen als een credo, waarbij Kusters zich door de vaste vorm en de knipoog naar het zonnegloren van Perk in een poëtische traditie plaatst. Elders geeft de auteur de aantekening ‘bij een tekening van Willy Gorissen: ‘Gezicht op Staatsmijn Emma in Hoensbroek’ (1937).’ Het gedicht lijkt in de eerste strofen een persoonlijk portret, waarin gaandeweg het accent naar de oude tekening verschuift. Hoewel het descartiaanse ‘Ik denk dat ik besta’ weer meer een filosofisch uitgangspunt verwoordt, waarin de auteur zich geroepen voelt (‘ik geloof…’) de oude beelden telkens opnieuw te laten verschijnen.

De eerste gedichten in de afdeling ‘Dicht bij huis’ gaan over de mijnbouw, die tijdens de jeugd van de dichter alomtegenwoordig was, tot in het stof op de kozijnen en op het wasgoed in de tuin toe. Het belang van deze afkomst is groot: de eerste vijf gedichten worden alle op de cd ten gehore gebracht. Ook het veelzeggende ‘Oor’: ‘Op straat legde ik vaak / een oor aan de grond // bewoog daar beneden / een vader of een zoon?’ In de eerste afdeling treffen we verder veel jeugdherinneringen aan, soms parlando weergegeven, soms sprookjesachtig verwerkt: ‘Als kind moest ik een walvis eten / ’s avonds voor het slapen gaan / met een sinaasappel toe // ik had daar een laddertje bij nodig / en een goeie scherpe bijl / laarzen aan zuidwester op’. Toch is de dichter er in dit elf strofen tellende gedicht blijkbaar niet helemaal zeker van dat we hem snappen, gezien de overduidelijke woordspeling in de achtste strofe: ‘ik stonk naar tranen en naar lever’.
De eerste afdeling gaat naadloos in de tweede over, met mooie herinneringen aan familieleden, zoals aan de moeder: ‘Wij dansten moeder, door de keuken / je had mij lachend opgetild // vier jaar was ik ‘daar bij die molen / die mooie molen’ van de radio’. In ‘Amor en de schedel’ heeft de dichter nog meer gedichten over liefde en vriendschap bijeengebracht. Over de Hohner mondharmonica, waar zijn broer wel op kon spelen, maar waar de dichter, als hij hem nu aan de mond zet, slechts onrustbarende klanken aan ontlokt: ‘een janken / zoals vroeger nooit / door hem / geuit.’ Veel gedichten over broers en andere familieleden, maar ook romantiek, zoals in ‘De sjaal’: ‘Toen gleed je sjaal en was je daar waar / ik je met jouw ogen mij zag staan. Of lag / jij niet aan mij als ik aan jou, hier, daar?’ Verlies dient zich aan in ‘Dubbel’: ‘Van iedere hap eet ik nog maar de helft. / En lucifers die breek ik door. Voor thee / dient mij het zakje van de dag tevoor. / De tandpasta moet vier keer langer mee.’ De opening doet denken aan het ‘half beslapen bed’ uit ‘ Rode wijn ’ van Bram Vermeulen (1988). Maar waar woede na een scheiding overheerst in ‘Rode wijn’, staat in ‘Dubbel’ het verdriet op de voorgrond: ‘Ik zal gierig moeten zijn nu ik je mis. / Ik moet niet zo ademen, de rest is dan / voor jou.’

De afdeling ‘Ik ging eens niet graag dood’ bevat gedichten met een meer filosofische inslag, zoals te lezen is in de tweede strofe van ‘Doodstil’: ‘Ik ging eens niet graag dood, / bleef zitten tot ik stierf. / Mijn dood was een soort dood. / Ik was nog niet geboren / of ik was nog steeds in leven.’ Een kleinzoon ontwikkelde op vierjarige leeftijd de ‘Bewaarmachine’: ‘De bewaarmachine / verwerkt de wereld, / haar wezen en verschijning, / haar doorgaande processen, / tot niets dan blijfsels.’ Hoe anekdotisch het gedicht ook is, het is verleidelijk hier een metafoor voor het dichten in te zien. Zoals Kusters met Leesjongen zijn eigen bewaarmachine heeft geschapen. Een enkele keer reflecteert de dichter op de actualiteit, zoals in ‘Identificatie’, waarin hij verlangen uitspreekt naar de tijd ‘toen onze vingerafdruk / nog een handdruk was, / de irisscan / onze oogopslag / en wangslijm / onze spraak.’

In ‘Mijn handen in een droom’ gedichten die op droombeelden geïnspireerd zijn. Van beangstigend (‘Zij groeven mij een ondiep graf’) en raadselachtig (‘De man die voor mij staat en naar me wijst / is met de draaideur twee keer rondgegaan.’) tot een uitgesponnen, naar Virgilius verwijzende, vertelling in ‘De gang’.
De titel van de voorlaatste afdeling, ‘Lezen in de nacht’, lijkt ook naar nachtelijke activiteiten te verwijzen, naar handelt volgens de auteur over lezen en schrijven, zoals in het gedicht ‘Boek’, dat op een muur van de Universiteitsbibliotheek Maastricht is aangebracht:

Het boek dat zich laat lezen in de nacht
gloeit op, werpt licht op voor- en nageslacht.
Bij al wat het behelst, van vonk tot zon:
elk woord werd door een ander voortgebracht.

In ‘Het halve woord’ tenslotte een aantal gedichten over/voor collega’s. Uit de gedichten en vaak ook uit de opdrachten komt duidelijk naar voren dat Kusters veel van deze bekende schrijvers persoonlijk gekend of in ieder geval ontmoet heeft. Lucebert, Toon Hermans, Willem Barnard, soms zijn het kleine herinneringen die een in memoriam kleuren: ‘Misschien dat jan hanlo / mijn gedicht daarom / op zijn kop hield / toen hij had gezegd / dat hij het wilde zien’.

Leesjongen bevat de verzamelde gedichten van een man die zijn sporen ruimschoots verdiend heeft als hoogleraar letterkunde en voorzitter van de Zuidelijke Afdeling van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Een schier eindeloze hoeveelheid beschouwingen is terug te vinden op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In Leesjongen blijft Kusters echter dichter bij huis, om de titel van de eerste afdeling te parafraseren. Het is een buitengewoon persoonlijke bundel, met veel aandacht voor zijn afkomst: de mijnstreek, familie, vrienden en literaire voorbeelden. Hoewel op de flaptekst gezinspeeld wordt op de poëzie van de Vijftigers doet het werk van Kusters traditioneel aan. Vaste vormen en vrije verzen wisselen elkaar af, maar de toon blijft rustig, bedachtzaam. Zo hij zich met experimenten heeft beziggehouden, zijn deze buiten de bundel gehouden (zoals het op Radio Limburg door Hugo Luijten gepresenteerde gedicht ‘ Sonate ’ – 3’40’’ en verder). In zijn gedichten toont hij een scherp oog voor detail, en hanteert hij een directe, aansprekende schrijfstijl. Geliefd en gelauwerd als Kusters in Limburg al is, mag Leesjongen zijn werk bij een groter publiek onder de aandacht brengen.

Recensie van Hohner - Wiel Kusters

The Echo Harp

Wiel Kusters
Hohner
Uitgever: Koppernik
2015
ISBN 9789082175158
€ 15,00
56 blz.

Hohner is een bijzondere bundel. Hij heeft twee afdelingen: ‘Geboorteregister’, het overgrote gedeelte, en ‘De roze zijden schoentjes’, een uit het Spaans vertaalde ballade van José Marti, de negentiende-eeuwse Cubaanse dichter en vrijheidsstrijder. Ik beperk me hier tot ‘Geboorteregister’.

De Zuid-Limburgse mijnen – zoals bekend was Kusters mijnwerkerszoon – speelden in zijn eerste bundels een belangrijke rol. Niet alleen anekdotisch, maar ook metafysisch of als beeld voor de afdaling in zijn innerlijk. In deze bundel komt de mijn nog maar een keer voor in een vertaling van ‘Zechenkolonie’ van de Duitse dichter Harold Hartung, maar de thematiek blijft herkenbaar: Hohner is een bundel waarin de dichter laat zien hoe het verleden in hem voortleeft. Dat bestaat allereerst uit zijn overleden ouders en in het bijzonder zijn twee broers, van wie hij de oudste niet heeft gekend: ‘Kleine mij ontboren broer, / oudste van me, nooit gekende, ( … ) aan wiens glimlach ik niet wende / toen een kleinzoon hem mij bood’. Dat woord ‘ontboren’ zegt veel over zijn werkwijze in Hohner:  het voorvoegsel betekent niet alleen verdwijnen, maar ook opnieuw verschijnen. Dat laatste gebeurt ook door het schrijven van poëzie:

BROER

Zolang je Kaspar Hauser was
bleef je ongeboren
en wat ik later van je las
lag als adem op mijn ruit
bevroren.
 
Ik wist niet hoe jij jezelf verstond.
Ik adem op jouw woord
en zie hoe dit zich smelten laat
maar ook hoe je ontdooiend spreken
jou verstoort.

Maar er leven meer doden in hem voort: in de bundel vind je echo’s van Kouwenaar, Faverey, Hanlo en Pierre Kemp, tenminste: dat zijn echo’s die ik heb gehoord; het kunnen er best meer zijn. Aan Guillaume van der Graft heeft hij twee gedichten opgedragen. Hanlo en Kouwenaar kregen ieder een eigen gedicht. 
Deze allusies zijn niet storend, want Kusters blijft geheel zichzelf – zie bijvoorbeeld het titelgedicht ‘Hohner’. Ik neem het in zijn geheel over; het zou me niet verbazen als het als een klassiek gedicht in toekomstige bloemlezingen wordt opgenomen.

In een la van de keukenkast
lagen de sigaretten van mijn vader
een boekje over eerste hulp bij ongelukken
(een man is uit voorzorg op een plank gaan staan
en trekt met een wandelstok
de elektrische draad
van het lichaam van de geëlektrocuteerde ander)
een alarmpistool –
veel dat mij is ontschoten
en een mondharmonica van het merk
Hohner – The Echo Harp.
 
Op het doosje een berglandschap
een houten huis
rook uit de schoorsteen
en op de voorgrond een man
die een pad bewandelt
naar ons toe.
 
Mijn broer bespeelde The Echo Harp
La Paloma
of schoot met het pistool
wanneer hij niet tekende, schaakte, las
of al het andere waar hij
goed in was.
 
Nooit kwam ik tot muziek
op zijn Hohner
nooit tot iets anders dan een sireneachtig
in en uit van adem
 
wel proef ik het hout
ruik daarvan de wat zoete geur
wanneer het vochtig wordt
van mijn speeksel
voel hoe mijn mond
dorstig wordt en droog.
 
Het is geen muziek
waarmee mijn broer nu
uit het gebergte van zijn dood
nader treedt
 
het is een ademen
een ademen alleen
in in in
 
en een janken
zoals vroeger nooit
door hem
geuit.

De eerste strofe is er een van weemoed – niet in het minst door de ontroerende lulligheid van het boekje over eerste hulp. Die strofe is niet alleen een intro, maar ook een hommage aan Kopland. Terugdenkend aan zijn vader, een ‘gasfitter eerste klas’ schrijft deze: ‘In zijn agenda zie ik / afspraken met onbekenden, aan zijn muur / kalenders met labyrinthen van gasleidingen, ( … ) Kijkend in het porseleinen fonteintje uit / de dertiger jaren met de twee lullige leeuwen: Johnson Brothers Ltd ( … ) jezus christus vader, komen de tranen / om nu en om toen’.
Mooi is het woord ‘ontschoten’: veel is verdwenen uit de herinnering van de ik-figuur, is hem ontsnapt of ontvallen. De combinatie met het alarmpistool en opnieuw het voorvoegsel ‘ont’ wekt nieuwe associaties.

In de verbeelde wandeling komt de broer van de dichter even tot leven, maar een verlossing uit de dood is het niet. Er wordt weliswaar terloops meegedeeld dat hij ‘La Paloma’ speelde, een lied dat vele zangers op hun repertoire hadden en waarin liefde de dood overwint, maar het verdriet van de dichter overheerst. Dat geldt ook voor zijn broer: een ‘ademen alleen / in in in’ lijkt een verbeelding van snikken te zijn. 
De vierde strofe (‘Nooit kwam ik tot muziek’) is heel bijzonder. Ondanks alle verschillen associeer ik de dichter met een andere man die een oudere broer in zich meedroeg: de hoofdfiguur ‘Harmonica’ uit de onvolprezen western ‘Once Upon a Time in the West’. Het klaaglijke, korte fragment dat hij bij herhaling speelt en dat eveneens onverbrekelijk is verbonden aan een overleden broer, werkt in dit gedicht door. Sterker nog: het is het achtergrondgeluid van de hele bundel ‘Hohner’, de harmonica is waarlijk een Echo Harp. 

Er is nog een ander verlies dat voortleeft in de dichter: religie. Je ziet dat in vele gedichten. Het gedicht ‘Jan van Nassaustraat’ geeft een aanzet. De volwassen dichter vertelt over de jongen die hij was: ‘Ik sliep voor het eerst in den vreemde / alsof ik mijn leven even leende / van wie het later leiden moest.’ Het rijm ‘vreemde’ en ‘leende’ laat zien wat voor een leven dat zal worden.
De jonge ‘ik’ is ver van huis en staat voor een angstwekkende ervaring: ‘Den Haag 1966.  Examenkou / aan het begin van de zomer. / Een pension met pendule’. Korte, afgemeten zinnen. Iedereen die niet over stalen zenuwen beschikt, zal dat onverbiddelijke tikken van de klok voorafgaand aan het examen herkennen.  Als het zover is, loopt hij ‘van het vreemde huis / naar de verre school / waar [hij] onverstaanbaar luid / ondervraagd werd / over alles, over ooit, / over ergens, over nergens, / over nooit en niets. / En dat voorgoed.’ De wrange constatering in het laatste zinnetje bevestigt dat er inderdaad sprake was van een voorafschaduwing van het volwassen leven. Mooi.

In ‘Geboorteregister’ – niet voor niets de titel van de eerste afdeling – is Kusters explicieter. Dit gedicht is tevens een mooi voorbeeld van de intrigerende raadselachtigheid die je vaak bij hem aantreft en maakt dat je steeds terugkeert naar zijn gedichten: 

Ik schreef mij in voor de nacht
een plaats in de tijd
buiten het zicht
van het licht
dat maar niet
op wereld
wilde rijmen,
 
een dag
die niet aanbrak
maar brak
 
nu hij breekt.

De eerste strofe lijkt duidelijk: het door ‘zicht’ gepersonaliseerde ‘licht’ staat voor religie en is niet in overeenstemming te brengen met het aardse leven. Maar: de dichter schrijft zich zelf in en daarom lijkt het of hij een keuze maakt. Is dat een gevolg van de ervaring dat het licht maar niet op wereld wilde rijmen? Ontstond toen dat geboorteregister? Is het een typering van zijn poëzie?
‘Nacht’ in de eerste strofe is tegengesteld aan ‘dag’ in de tweede. Het zijn halfrijmen in plaats van volrijmen: die onderstrepen nog eens dat voor de dichter dag en nacht niet goed op elkaar aansluiten. De nacht is ‘een plaats in de tijd ( … )’. Is ‘een dag / die niet aanbrak / maar brak’ daarvan een verduidelijking? Echt lastig is de tegenwoordige tijd in ‘nu hij breekt’. Wat gebeurt er? Waardoor? En waarnaar verwijst ‘hij’? Een dag? Wereld? Een plaats in de tijd?

Zelfreflectie gaat in ‘Hohner’ samen met weemoed. Daarbij hoort ook zijn relativerende humor: 

PASEN 

Ik zit vanavond met mijn botten
in de spiegel naast het bed
het kan mij niet zoveel verrotten,
heb de wekker al gezet.

Ik hoop dat Kusters niet al te vroeg op wil staan.

***
Wiel Kusters (1947) debuteerde in 1978 met de gedichtenbundel Een oor aan de grond. Zijn meest recente publicaties zijn: Bewaarmachinist (2011) en In en onder het dorp. Mijnwerkersleven in Limburg (2012). In 2010 verscheen zijn biografie van de dichter Pierre Kemp, in 2014 Mijn versnipperd bestaan. Het leven van Kees Fens 1929-2008.
Hohner is het tweede deel van de Koppernik-poëziereeks. Eerder verscheen Theorie van de rondworm van Jan Lauwereyns en later dit jaar volgen In de loop van de woorden van Breyten Breytenbach en Waarom van Armando.