Gedichten

Veer
 
De alles-komt-goed-man van ijzer en raderwerk
dient opgedraaid door, elke dag, een andere
burger. Alleen met degelijk opgewonden
 
veer, schreeuwt hij schokkend bewegend door stad en steeg:
‘Alles, alles komt altijd
goed!’ Wie vergeet zijn opwindkeer wacht een boete/blaam/dood-

straf (bijlange lange niet, lieverd, die is zelfs niet
voor wie tracht te brouwen een hoogst giftig onsterfelijkheids-
elixir.) Ernstig: wie verzaakt aan zijn veer-

opdraaiplicht dient geblinddoekt te zoeken voor de bouw van
een alles-wordt-
beter-man bijzondere bouten, talloze schroeven uit
 
schroot.

Afstand
 
Ik zocht een instrument om de afstand tussen mezelf en de anderen
te meten, zoals een stapel borden, die ik tussen sommigen en mij
 
in duwde als was alles een strijd om de scheefst gegroeide bordentoren
die alsnog blijft overeind. Bij anderen hield ik het porselein gewoon
 
voor mij als een voorbarige gift van vast ooit nodige verzoening. Bij jou
halveerde ik de stapel tot twee gammele krukjes waarop wij
 
het hadden over dat het gek is: dat je toen je jong was veel met anderen
gemeen hebben soms zag als bedreigend voor je eigenheid, terwijl je
 
als je ouder bent net vreest om nooit bijna ophefbaar volkomen –
als een groezelig bord onder een melkkom voor
 
de katten.

Allen

Misschien worden wij mensen almaar ouder
uit ingebouwde hunkering om heel de soort
te ontmoeten. Misschien is inmiddels gemiddeld 80

worden hier een vergeefse, absurde poging om
eigenlijk de leeftijd van 260 te bereiken, nodig om als enkeling
heel de mensheid te kunnen groeten, gerekend één seconde per

handdruk – oogopslag. (Rekenfouten, excuus, onder meer
onze miljardenaangroei tussen nu en dan werd niet
becijferd.) Feit: we krijgen het nooit ingehaald, nooit ontmoet

één iemand allen. En was het maar díé nederlaag die hoogbejaarden
gebogen naar de grond doet lopen eerder dan
wervelslijt.

Gedichten uit de bundel Lichtmeters
(Uitgeverij Polis, isbn 9463100121)