Recensie van De tere bloemen van het verstand - Myrte Leffring

De brug – Een eigentijdse moraliteit in verzen

Myrte Leffring
De tere bloemen van het verstand
Uitgever: Van Gennep
2016
ISBN 9789461644480
€ 14,95
64 blz.

Myrte Leffring (1973) is bureauredacteur bij Awater. De tere bloemen van het verstand is haar tweede bundel bij uitgeverij Van Gennep. De recensies van haar eerste bundel waren niet al te positief. Maar soms ook aantoonbaar oppervlakkig.
Bij eerste kennismaking doet de bundel me denken aan Een man begraaft een boom van Shari van Goethem. De genummerde gedichten op de linker bladzijde hebben een mysterieuze sfeer, en kennen een duidelijk gecomponeerde verhaallijn. Ze maken indruk, hoewel ik niet uitsluit dat ze tenslotte als een zeepbel uiteenspatten. De gedichten op de rechterbladzijde zijn cursief gedrukt, en lijken op meer lyrische toon verdieping te geven van of commentaar te leveren op de gebeurtenissen aan de linkerzijde. In deze gedichten is vaak sprake van een man en een vrouw, van verlangens en verwikkelingen in een relatie.
Kort samengevat gaat het verhaal over een vrouw die in het eerste gedeelte van de bundel (‘Wankelend licht’) een brug beklimt. Het middelste gedicht heet ‘Iemand is een brug’. In het derde gedeelte van de bundel (‘Totdat ook de nachten verdwijnen’) vindt de afdaling van de brug plaats. De brug kan gezien worden als een levenstrap, als een symbool voor de levensloop van een mens, met een stijgende en dalende lijn die ontwikkeling en neergang belichamen. Het zou veel meer voor de hand hebben gelegen, als de dichter haar bundel ‘De brug’ had gedoopt. Dat had een mooie parallel opgeleverd met De rotonde van Mark Boog, eveneens een bundel met een sterke verhaallijn (gepresenteerd als ‘Roman in verzen’). De tere bloemen van het verstand is wel een meer prikkelende titel, die direct nieuwsgierig maakt. Een poëtische titel ook, met een subtiel ritme.

Zoals gezegd beklimt in de eerste afdeling een vrouw een brug. Dit heeft iets van een proces van vallen en opstaan. In gedicht 1 lezen we ‘een vrouw stond voor een brug’. Na enige schermutselingen blijkt ze aan het einde van gedicht 2 weinig verder gekomen te zijn: ‘en ze stond weer onderaan de brug’. In het midden van gedicht 5 worden bijna dezelfde woorden gebruikt: ‘en weer stond ze / onderaan de brug’.
Mooi is de openingsstrofe: ‘Het licht leek van vloeipapier / en gaf een schijn van vrede / en verdraagzaamheid’. Het doet denken aan regels uit het gedicht ‘Stof’ uit haar vorige bundel, waarin zij over een stervende schrijft ‘je houdt je ogen / voor mij altijd jouw ogen / achter ouwelblad verborgen’. Erik Lindner schreef in de Revisor dat hij zich bij het woord ‘ouwelblad’ iets op de ogen kon voorstellen als iemands gezicht verzorgd werd. Mij deed het woord ‘ouwelblad’ in deze context meer denken aan het flinterdunne gesloten ooglid zoals je dat ziet bij hele oude mensen. En vanuit dit uitstapje kunnen we ons voorstellen, dat het licht van vloeipapier in de openingsstrofe misschien wel een omschrijving is van het gefilterde licht dat de baby in de baarmoeder waarneemt.

In de tweede strofe van gedicht 6 herkennen we ‘De schreeuw’ van Edvard Munch.

6.

Een vrouw liep uren
en uren zonder te stoppen
om haar heen lispelde de stilte
en stralen zonlicht hulden de brug
in een matte glans

de vrouw ging dichtbij de
reling staan, tuurde in
de verte en hoorde haar
eigen angst gillen
zoals een varken dat wordt opgetild
de vrouw drukte haar handen
tegen haar oren
de angst zweeg en verdween

een jongen kwam voorbij
hij groette zonder
de vrouw aan te kijken
zong een lied dat zij niet verstond

ik zoek… begon de vrouw, maar
de jongen schrok en zette het
op een lopen
wat is het ingewikkeld
zuchtte de vrouw
en de jongen riep haar
vanuit de verte toe
helemaal niet! het is doodeenvoudig!
stop met zoeken want
je bent er al

de vrouw schudde
haar hoofd en slikte moeizaam
een meeuw vloog langs
de zon en nam alle warmte mee

De jongen in dit gedicht is een van de vele mannen die de vrouw op haar tocht tegenkomt. De één ‘pakte haar uitgestrekte handen / drukte er een kus op en zei: / ik zal voor eeuwig bij je zijn / en na een jaar vertrok hij en / nam alle vogels mee’, een ander heeft ongelijke benen waarmee hij achteruit de brug afloopt, en weer een ander vraagt haar ‘ben je bang om dood te gaan?’ en springt vervolgens van de brug.
Net als in de beroemde 15e-eeuwse moraliteit Elckerlijc worden allerhande begrippen gepersonifieerd. De vrouw ‘greep overmoed bij de kladden’ (5), ‘spijt stak zijn lelijke kop om de hoek / en hield haar in zijn greep’ (7), ‘en de vrouw danste / met de schaamte op de brug’ (8) enz. De ontmoetingen met deze personages zijn echter kortstondig en kennen geen echte ontwikkeling. Het verhaal in deze bundel kent ondanks de verwantschap met Elckerlijc ook geen duidelijke moraal. Dat is niet zo vreemd, omdat met het wegvallen van religie als vanzelfsprekendheid ook veel waarden zijn verdwenen. Er is wel een terugkerend spel met zwart en wit: ‘zwart was de lucht / of wit’, ‘er was het licht / het zwarte, witte licht / dat ons omringde’. De precieze betekenis hiervan binnen deze vertelling is mij echter niet duidelijk geworden.

De gedichten op de rechter bladzijden vormen een aanvulling op het verhaal zoals dat zich in de genummerde gedichten aan de linkerkant ontwikkelt. Niet altijd voegen deze gedichten evenveel toe, ook zijn ze vaak te weinig uitgekristalliseerd om als gedicht op eigen benen te kunnen staan. Neem bijvoorbeeld het begin van het gedicht tegenover nummer 17:

Er was een vader
er was een
moeder

vroegoude mensen
woorden en dingen
die je niet mocht zeggen
dingen die te belangrijk waren
om uit te spreken

(…)

We komen hier gevaarlijk dicht in de buurt van de zeepbel uit de inleiding van deze bespreking. In de loop van de bundel lijkt de urgentie af te nemen. In de eerste gedichten is de vervreemding voelbaar aanwezig. De mens (een vrouw) op weg in een leven waar hij/zij niet om heeft gevraagd, in een wereld die per definitie onbegrijpelijk is. In de tweede helft van de bundel komen gebeurtenissen uit een latere levensfase aan bod, waarbij ik vermoed dat de dichter minder uit eigen ervaring kan putten. Dat neemt niet weg, dat De tere bloemen van het verstand een intrigerende bundel is, die uitnodigt tot aandachtige lezing en herlezing.

Recensie van Om je schouders hang ik de nachten - Myrte Leffring

Verwisselde koffers

Myrte Leffring
Om je schouders hang ik de nachten
Uitgever: Van Gennep
2015
ISBN 9789461643544
€ 14,95
64 blz.

Om je schouders hang ik de nachten is de debuutbundel van Myrte Leffring. De veertig gedichten kennen een nuchtere toon, die zich goed leent voor romantische onderwerpen.

De bundel met de prachtige titel is verdeeld in drie blokken met titels al even prachtig: Het spinrag aan je vork, De droomloze jaren en De gootsteen op mijn graf. Het eerste blok is gevuld met diverse gedichten, maar komt op me over als een verantwoording aan haar vroegere verlangens. ‘t Zijn droombeelden die ze van hun sokkel af haalt. Ze had een strandhuis willen hebben maar woont niet aan zee, ze schrijft over de zoon die ze nooit gehad heeft, en verhaalt over hoe ze vroeger met haar beste vriendin nog alles kon worden. De vroegere verlangens laten haar los als een bast van een berk, om af te sluiten met een vrije val in het onbekende.

De droomloze jaren lijken de jaren zonder illusies, waarin ze na de val in het onbekende beter weet wat ze wel en niet wil. Groots en meeslepend leven blijkt een verlangen dat wordt doorgeprikt. Het opgeven van sommige dromen, kan nachtmerries schelen. Er moet niets, en mag des te meer.

In De gootsteen op mijn graf is de dichter een paar illusies armer, en wordt zij geconfronteerd met het verscheiden van geliefden,. Het blok vangt aan met een gedicht over haar eigen graf (‘Vrouwenmantel’) en eindigt met een dankbetuiging na een begrafenis.

Behalve luisteren naar je eigen verlangens, is de gemene deler van de blokken voor mij macht en machteloosheid. Machteloosheid door de lust voor iemand in ‘Hij haar’, waarin woorden welhaast over de regels struikelen. Machteloosheid in communicatie in ‘Hereniging’. Machteloosheid in een verhouding tussen kind en demente moeder in ‘Bericht’. Machteloosheid ten opzichte van de tijd in ‘Maandagochtend’ en ‘Vrouwenmantel’. Machteloosheid tegenover het verleden in ‘Gewoonte’ (De Droomloze jaren).

Gewoonte

In de droomloze jaren
deed het er niet toe
‘s middags rumcake bij de thee
en op woensdag huzarensalade,
waarbij ze ook gebruik maakten
van het platte plastic lepeltje en
het meenamen in de afwas

ze leverden elkaar geen streken
op die ene na
en die werd snel vergeven
zoals toen zij in Toscane
met een vriendin erg dronken
heel onbedoeld Benigno had ontmoet
waarna zij zich inniger dan vermoed bruut
had laten nemen onder het oog
van de maagd Maria zelf

zij had hem niet verstaan
maar begreep uit zijn ontroerd
gestamel dat er iets bijzonder moest zijn gebeurd
hij bereed de zegewagen
als geen ander en eenmaal terug
in Bleiswijk-Noord kwam zij hem nooit meer tegen

ze dompelde de varens en
waste haar schort vol vlekken
van jus en mayonaise

vetvlekken zijn de ergste

De dichter weet zich zo in te leven in anderen, dat je haar bijna ziet observeren wie ze (stiekem) beschreef. Ze beschrijft een maandagochtend zo langzaam en langdradig dat op welke dag je het ook leest, als je het uit hebt, is het maandag. Ze heeft een thema. Toch blijft de bundel hangen. Het zijn veelal schematische gedichten, zonder een extra laag of lading die uitnodigt tot nogmaals lezen.
Deels door de nuchtere toon, deels door de soms al te minutieuze beschrijvingen, en misschien omdat hij in een blurb haar werk aanprijst, moest ik denken aan K. Schippers. K. Schippers lukt het goed, soms zelfs bij alleen een reeks details, met een slotopmerking over te brengen wat hem zo trof uit de werkelijkheid. Daardoor wordt K. Schippers’ werk voorzien van een laag die het voorgaande ineens kleur, smaak en geur geeft. Bij Myrte Leffring ontbreekt een dergelijke laag te vaak. Alsof je arriveert in het hotel, en de koffer is van iemand anders. Maar wat er in zit: precies hetzelfde dat jij had ingepakt.

Haar al te nuchtere toets vindt zijn weerslag in de stijl: de titels zijn feitelijk, regels worden naar believen afgebroken, de gedichten blijven droog ondanks het flinke aantal bijvoeglijke naamwoorden, en er komt nauwelijks een originele metafoor of vergelijking in voor. Pas bij de liefdesgedichten wordt er tegenwicht geboden aan de vaak droge, schetsmatige verzen. In Meinacht versterkt romantiek de nuchterheid, niet in het laatst door de zinnelijke en doorleefde woordkeus.

Meinacht 

Vulde mijn vuist
jouw tastende hand

hielden mijn slapende krullen
op het onwetende kussen
jou uit de slaap

probeerde je
de gedachten te sussen
hoe klein en hoe eindig en
kwetsbaar ik leek

en dacht je
zeker te weten
dat ik dat niet wist
en dat ik voelde
hoe jij naar me keek

Meinacht’ wijkt af van de andere gedichten, die meestal geen verhalende structuur of plot hebben. Twee andere liefdesgedichten, ‘Belofte’ en ‘Bekend’, wekken de verwachting dat de dichter op de zelfde wijze romantiek de nuchterheid laat versterken. Maar de slotregels verschillen zo weinig van de eerste strofe dat ze niets toevoegen. Bij het uitpakken van je nieuwe koffer met dezelfde spullen, kijk je rond in de hotelkamer. Het gevoel bekruipt je dat je hier eerder bent geweest.

Belofte

Ruik eens aan mijn schouder
en aan mijn sleutelbeen
voel eens aan mijn strakgespannen kuit:
de zomer komt eraan

mijn knieën wisten het
eerder dan ik 

Bekend

ik herkende je blik
voordat ik je ooit had gezien

het gevoel thuis te komen
zonder te zijn weggegaan

***
Myrte Leffring (1973) is dichter, redacteur en literair docent. Zij draagt voor op diverse podia, onder meer met haar eigen programma Dichter aan de vleugel
Een aantal gedichten verscheen eerder in Het Liegend Konijn, Passionate Magazine, Meander en Poëziekrant.

 

 

Gedichten

Zomer

Ik wil een huis
met stenen die heten
een tuin met bloemen
die spreken
fluisterende schaduw
langs mijn dak

geluid van zomervliegtuig
geen tekst aan staart
warme bromvlieg
hemelronk
alles komt goed


Knijf

Ergens moeten zij zijn, ergens
wachten zij op hem.
Zolang er niets te horen is
er geen vuiltje aan de lucht.
Hij kan hier dagen blijven, langer zelfs.
Zouden ze honden inzetten, of lichten?
Het donker doet hem goed.
De koele planken strelen zijn rug, het beton
onder zijn voeten geeft hem rust.
Het is goed zo, zij was te vrolijk, veel te wild geweest,
geen mens had zich kunnen bedwingen,
hij heeft nog lang gewacht. Zo zacht als haar buik was,
als zanddeeg, haar darmen glanzend
als dikke pasta aan een vork.
Sensationele vrouw, kindvrouw,
ik zal je krijgen.

Nu het water van zijn hoofd
wissen, een verhaal maken.
Wissen, een verhaal.
Zijn ze in de buurt? Het kan, al kunnen ze hem
niets maken. De maatregelen waren in orde.
Geen spoor van hem te bekennen, hij zit hier goed,
hij heeft het goed gedaan. Zo kon het echt niet langer,
ze heeft het aan zichzelf te danken.
Lampen uitgedraaid, sigaret aangeboden, naar bed gegaan en
strelend en sussend haar opengereten,
precies zoals ze het hem hadden verteld.
Precies zo.
Iedereen zal wel opkijken.

Ze kwamen te laat voor haar, dat is meestal het geval, je kunt het op je vingers natellen.
Vijf keer was genoeg geweest, meer dan genoeg zelfs.
Ze had geprobeerd meegaand te zijn, dat was mooi
om te zien, een prettige bijkomstigheid.
Niet dat het haar had geholpen, ze schreeuwden
dat hij door moest zetten. Maak je werk af.
Zodoende. Altijd je werk afmaken,
het verhaal schrijft zichzelf. Als ze hem vinden
vinden ze niets. Alles is geregeld.
De wasmachine draait.

Val

Een koorddanser was zij,
op brede planken,
ijzeren stangen de lianen
in een oerwoud
zonder kerken

Avond aan avond
zocht zij het gevaar
in oversteken
zonder kijken

droeg zij haar tas
soms aan de straatkant
aan een schouder

keek eens de dood
recht in de ogen
in de etalage van
een grossier in zerken

Vaak hoopte zij op groots
en anders
of anders dood

en dat niemand
het zou merken